Banner

Fred Van Hove at 80

3 + 4 februari 2017, De Singel

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 05 februari 2017

Verzamelen geblazen in Antwerpen voor het belangrijkste jazz/improvisatie-evenement van het voorjaar. Met de leuze ‘Celebrating Free Music and Minds’ werd een eerbetoon gebracht aan de Antwerpse pionier, bruggenbouwer en meesterpianist Fred Van Hove. Al te vaak over het hoofd gezien toen prijzen en andere waardering uitgedeeld werden, maar dat werd nu deels (er staat nog wat achterstallige erkenning open) rechtgezet met een bruisende tweedaagse, goed voor negen concerten met goed volk uit binnen- en buitenland. Op zaterdag mocht zelfs het ‘SOLD OUT’-bordje bovengehaald worden. En terecht.

Je kan je eindeloos het hoofd zitten breken over waarom die Van Hove niet bekender is bij een breder publiek, want op papier heb je alles om te kunnen spreken van cultureel erfgoed: hij behoorde tot de eerste generatie van Europese improvisatoren, tekende present op een aantal klassieke platen van het genre, leverde een cruciale bijdrage aan een lokaal kader voor de muziek en muzikanten, en werkte gestaag aan een persoonlijke stijl en een oeuvre dat helemaal het zijne is en op verschillende continenten bejubeld wordt. Het moet ermee te maken hebben dat Van Hove nooit aan compromissen deed. Zij muziek (en attitude) is soms dwars, met te veel brokken om snelsnel binnen te slurpen. En muziek waar je je tijd voor moet nemen, daar hebben velen weinig oor naar. Ze krijgen er overigens weinig de kans toe in een radiolandschap dat ‘moeilijke’ muziek consequent verbant naar de best verstopte uithoeken van de programmagids.

Maar kijk: Sound in Motion en De Singel zorgden voor een fijne tweedaagse met een tot de verbeelding sprekende line-up. Een groot deel van het publiek had de leeftijd om de oudere, legendarische edities van het Free Music Festival (°1973, van 2008 tot 2013 gevolgd door Follow the Sound) nog meegemaakt te hebben, maar op het podium liet ook de jongere generatie zich niet onbetuigd. Nostalgische mijmeraars en andere geïnteresseerden konden in de wandelgangen terecht voor kleurrijke affiches en andere interessante documenten, zoals uitvergrote fragmenten uit Van Hove’s intussen legendarische schriftjes. Hopelijk kan daar op termijn toch nog iets mee gebeuren, het zou niet enkel stof mogen liggen vergaren in een of ander archief.

Negen concerten, dus. Daarin heel wat volk dat net als Van Hove een belangrijke bijdrage leverde aan de (vrije) improvisatie (zoals Evan Parker, die er ook al bij was op Machine Gun (1968)), maar ook wat jonge snuiters die een halve eeuw later ook op zoek zijn naar een eigen stijl en gelijkgezinden, en daarbij ook regelmatig te kampen krijgen met exact dezelfde problemen als Van Hove & co. meerdere decennia geleden (weinig subsidie, weinig speelmogelijkheden, weinig erkenning, weinig media-aandacht). Opnieuw werd ook duidelijk hoe breed die vrije muziek kan gaan, van spetterende freejazz tot abstracte denkspelletjes en geflirt met hedendaagse, gecomponeerde muziek, van een trip vol uitbundig machtsvertoon tot fragiele intimiteit.

Vrijdag 3 februari

Het kwartet QUAT is een van de laatste bands die Van Hove oprichtte. Daarvoor omringde hij zich met maar liefst drie percussionisten: drummers Paul Lovens en Martin Blume, en vibrafoniste Els Vandeweyer. De pianist startte met een abrupte val van de handen op het ivoor en de vier waren vertrokken voor een woelige performance die hen voerde via gedwarrel van kleine details tot grovere bewegingen, van abstract geklieder tot momenten van coherente samenhang en herhaling. Het was bij momenten een fraaie act van ‘instant composing’, van vorm doen ontstaan in real time. Een opvallende rol was daarbij weggelegd voor Vandeweyer, die speelde met haar bekende gretigheid (niet langer zo onbesuisd) en een plaats opeiste tussen de geduldig bricolerende percussionisten en de pianist.

Haar arsenaal spullen werd aanvankelijk nog wat opzij gehouden. Later maakte ze dan toch gebruik van rondzwiepende parelkettingen en de bekende handschoentjes, waarmee ze de poort naar dromenland wijd openzette. En heel even leek er een extra reden voor haar aanwezigheid duidelijk te worden, want ze herinnerde enkele keren aan het geluid van de Antwerpse beiaard waardoor Van Hove zich zo graag liet inspireren. De drummers gedroegen zich geen seconde als normale time keepers, maar waren in de weer met allerhande hulpstukken, om rond een in gedachten verzonken Van Hove een bonte, maar gedoseerde wereld van textuur, contrast en dynamiek te creëren. Misschien iets minder scherp als tijdens hun concert in Hasselt in 2011 (dat in 2013 op een cd belandde), maar de toon was gezet.

Pianist Seppe Gebruers, cellist Gino Coomans en euphoniumspeler Niels Van Heertum speelden als we het goed hebben een première. De drie hebben de voorbije jaren elk een stempel gedrukt op de Belgische improvisatie, zij het vaak met projecten die onder de radar blijven en/of eenvoudige labeling behendig ontwijken. Het werd alleszins een interessante clash van stijlen en persoonlijkheden, die garant stond voor een paar fascinerende contrasten. Zoals bvb. tussen de technisch onderlegde, virtuoze speelstijl van Gebruers, die voortdurend op het raakvlak tussen vrije improvisatie en nieuwe muziek lijkt rond te hangen, en de meer rudimentaire aanpak van Coomans, die het niet zozeer van techniek maar van instinct moet hebben. En naast hen nog Van Heertum, met een euphonium, niet meteen bekend als het meest wendbare instrument, maar in zijn handen vaak goed voor verrassingen en heruitvinding.

De lage golven van euphonium zorgden in combinatie met het grillige pianospel en het grove schuren van de cello meteen voor een excentrieke sound, die nog aangedikt werd door ongebruikelijke speeltechnieken. Vooral de pianist speelde aanvankelijk met een indrukwekkende variatie, tussen manisch wrijven, fragiel detailspel en korte, abrupte uitvallen. Een tweede stuk bouwde daar op verder, met wentelende bewegingen die verwant waren aan de Feldman-school, maar daarna eerder een evenwicht zochten tussen het minimalisme van een Polwechsel en meer theatrale uitspattingen. Voor het slotstuk hanteerden ze meer conventionele technieken, en het werd ook het meest gestroomlijnde en coherente hoofdstuk van hun verhaal.

Doorheen de carrière van Van Hove, en zeker in de jaren tachtig en negentig, is het spelen met diverse, soms zeer ongewone bezettingen altijd een constante geweest. Een klassiek voorbeeld daarvan was het pianokwartet met Walter Hus, Christian Leroy en de in 2014 overleden Eddy Loozen. Het slotconcert van de eerste avond was een eresaluut aan die laatste door zijn drie collega’s. Twee vleugelpiano’s werden daarvoor lepeltjesgewijs in elkaar gepast. Van Hove startte solo met een requiem voor Loozen, waarbij hij aanvankelijk koos voor diep resonerende klankstromen die uit de diepste uithoeken van de pianobuik kwamen. Een kolkende golf van geluid die gaandeweg verdunde en breekbaar werd. Vervolgens kwamen zijn collega’s het podium op om plaats te nemen aan de piano aan de overkant.

Heel even leek het om een symbolische daad te gaan, want terwijl Van Hove in de weer was met dromerige omzwervingen, zetten de twee zonder pardon in op krachtig spel dat hun collega meteen in een hoekje drukte. Hus pakte uit met krachtige herhalingen in het lage register, terwijl Leroy naast hem vingervlug ratelde. Het leek even te gaan uitdraaien op een robbertje vechten. Het werd echter aangepakt met wat humor, zowel van Hus als van een saboterende Van Hove. Het pad van de vrije exploratie werd daarbij ook verlaten, want de performance kreeg haast iets van een neurotisch spelletje waarin elders weggeplukte thema’s en motiefjes met een manische koppigheid uitgevoerd werden. Dat klonk een stuk toegankelijker dan de voorgaande concerten, al had je het gevoel dat het feestvarken soms wat buitenspel gezet werd. Die leek dat ook door te hebben, mepte een laatste keer op de toetsen en trapte het af, om zijn collega’s te laten afronden. Twee totaal verschillende concerten met Van Hove, al moest het beste nog komen op dag 2.

Zaterdag 4 februari

Helaas moesten we het namiddagprogramma missen: een duoconcert van meesterbassisten Wilbert De Joode en Peter Jacquemyn en een trioconcert van tromboniste Sarah Gail Brand met pianist Steve Beresford en drummer Mark Sanders.

’s Avonds meteen full house voor een nieuwe première: het trio Van Hove, Ernst Reijseger (cello) en nogmaals Niels Van Heertum. Grappige anekdote tussendoor: toen Van Hove in 2008 volk uitkoos voor het Follow the Sound festival, gaf hij in Kwadratuur mee dat hij Reijseger en Louis Sclavis destijds uitgekozen had om ze terug op het rechte pad te brengen, nadat ze volgens hem een beetje te veel op maat van het publiek speelden. Dat moet gelukt zijn, want ook op deze avond klikte het wel tussen de twee. Samen met hun jonge collega brachten ze een concert dat van start ging met een behaaglijke, wat verraderlijke lichtheid. Snel liet Van Heertum de euphonium de gekste dingen gieren, terwijl Reijseger subtiel virtuoos zat te wezen met en zonder strijkstok, hier en daar dingen liet horen die niet zouden misstaan op enkele van zijn soundtracks voor Herzog.

Ook de pianist speelde hier ingetogen en verrassend lyrisch, maar wist z’n momenten wel te kiezen in een set die niet zonder z’n excentrieke momenten was –- Reijseger nam de cello als vanouds op schoot, stak een haarklem (?) tussen de snaren en rammelde de gekste ritmes uit de klankkast, terwijl Van Heertum zich ontpopte tot de enige echte opvolger van Michel Massot met een onwaarschijnlijke reeks geluiden –- maar waarin ook werd geluisterd tot in de laatste, tumultueuze beweging. De korte extra was dan iets totaal anders, met veel lang aangehouden tonen, gave rust en een minimalistische dromerigheid. Een verrassend en mooi contrast met het voorgaande. Later op de avond zou nog zo’n moment volgen.

Festen had geen directe link met Van Hove en is een jonge band die behoort tot de hedendaagse golf van Scandinavische improvisatoren die in grote getale West-Europese podia overspoelen. Wel een paar bekende gezichten: pianiste Lisa Ullén en basisste Elsa Bergman passeerden vorig jaar nog met Anna Högbergs Attack (hun album werd door Free Jazz Collective trouwens nog verkozen tot een van dé platen van 2016) en drummer Eric Carlsson speelde regelmatig met Martin Küchen en bij Mats Gustafsson in Swedish Azz. En terwijl hij vooral bij die eerste opvalt door zijn beheersing, was hij deze avond ongetwijfeld de meest uitbundige persoonlijkheid op het podium. Zijn enthousiasme, smoelwerk en humor spatten van het podium, maar met deze akoestiek was hij soms ook erg dominant.

Door zijn volume en ongebreidelde energie was het voor z’n kompanen vechten om zich te laten horen. Vooral Ullén moest het daarbij ontgelden, terwijl bepaalde basfrequenties van de enthousiast meeplukkende Bergman ook vervlogen. De band koos doorgaans voor een high energy-aanpak, waarbij ook het erg drukke klarinetspel van Isak Hedtjärn opviel. Meest interessant binnen dit concert leek Ullén, een pianiste die een toucher heeft dat wel eens deed denken aan dat van de Belgische meester, maar zoals gezegd kwam het niet altijd goed uit de verf. Festen speelde vermoedelijk het concert waar de meest uiteenlopende meningen de ronde over deden. In deze context kwam de band niet helemaal tot z’n recht (dus graag nog een herkansing), al kon je je niet van de indruk ontdoen dat het concert sowieso een kwartiertje te lang aansleepte.

Dat werd meteen rechtgezet door het onbetwiste hoogtepunt uit de zeven concerten die we zagen: het trio Van Hove, Evan Parker (tenorsax) en Hamid Drake (drums). Misschien niet zo’n verrassing, omdat Parker en Drake beschouwd worden als absolute grootmeesters op hun instrument, maar je weet natuurlijk nooit op voorhand of zo’n combinatie gaat werken. Zo was het de vraag of de combo Van Hove/Drake goed zou uitpakken. Het antwoord volgde snel, want bij de beste concerten hoor je niet alleen dat er iets bijzonders gaande is, maar je voelt dat ook. Het leek ook alsof Van Hove plots helemaal ontbolsterde, de ideale combinatie voorgeschoteld kreeg van comfort en uitdaging. Je zag dan ook dat er goed geluisterd werd. Drake speelde voortdurend in op het spel van z’n kompanen, lette er op nergens te overdonderen en pakte uit met een immense dynamiek, even speels als precies.

Van Hove’s stijl, het ene moment dromerig dwarrelend, het andere stug wringend, kon binnen die context maximaal renderen. Parker leek zoals gewoonlijk helemaal in zichzelf gekeerd, maar toonde zich opnieuw de meester van de controle en gulheid. De motiefjes bleven maar uit die sax vloeien en sputteren, met een enorme rijkheid en gelaagdheid. Bijzonder moment ook, toen Drake het drummen inruilde voor de frame drum en een innig mooi gesprek met Van Hove begon, dat haast drentelde met de schuchtere verliefdheid van een jong stel. En dan was er weer die opwaartse beweging, een bijna kolkende stroom van geluid die ervoor zorgde dat het geheel ei zo na begon te leviteren. Ook hier was een korte, ingetogen bis de kers op de taart. Een meesterlijk concert.

Als afsluiter stond het WIM Ensemble aangekondigd, met een aantal muzikanten die in de loop der jaren in de kring rond Fred Van Hove terug te vonden waren, maar er zou ook iets bijzonders aan gekoppeld worden. Aftrap werd gegeven door het trio Luc Mishalle (sopraansax), bassist Peter Jacquemyn en drummer Mike Goyvaerts, die daadkrachtig van start gingen, met dramatische saxuithalen en het zoals gewoonlijk erg expressieve spel van de bassist, waarnaast de drummer een eerder sobere aanpak hanteerde. Ze kregen echter snel gezelschap van een resem nog aanwezige muzikanten, waardoor er plots een 18-koppige band op het podium stond.

Met maar liefst zes percussionisten, drie pianisten, een vibrafoniste, twee cellisten en een klein legertje blazers had het kunnen uitdraaien op een chaotische free-for-all met muzikanten die elkaar voor de voeten liepen, maar daar werd door een dirigerende Mishalle een stokje voor gestoken. Die speelde deelfracties tegen elkaar uit, moedigde individuele muzikanten aan om het woord te nemen en verzocht ze daarna ook om te vertrekken: best grappig. Een fijn initiatief, al voorkwam die aanpak natuurlijk ook dat de muziek organisch kon groeien, uitzetten en afronden. Naarmate de groep uitdunde, leverde het echter steeds fraaier wordende muziek op, met een glansrol voor Sarah Gail Brand, die een prachtig kort duet speelde met Jacquemyn.

Het was een gepast slot voor een mooie tweedaagse. Dat de opkomst meeviel, was een opsteker van jewelste; dat het heel wat fraaie muziek opleverde misschien nog meer. De grote afwezigen waren misschien wel de jongeren. Terwijl mainstream jazz z’n adem herwonnen heeft door een nieuwe vloed aan talenten die via crossovers voor een verjonging zorgt, blijft deze experimentele vleugel bestaan in de marge, terwijl er net hier zoveel mogelijkheden zijn voor ruimdenkende barricadebestormers met een eigen verhaal. Je kan je niet van de indruk ontdoen dat het deels een probleem van onwetendheid is: wat geen aandacht krijgt, kan niet groeien, niet bloeien. Dat slechts een deprimerend klein aantal concertorganisatoren oren had naar een evenement rond Fred Van Hove, is eigenlijk stuitend en toont nog maar eens aan dat ons chauvinisme ook z’n grenzen heeft. Ironisch toch, wat trots over onze vrije geesten zou net heel wat kunnen betekenen. Op weg naar hopelijk -- zeker in deze tijden van steeds boertiger populisme -- een gezonder evenwicht.

E-mailadres Afdrukken