Banner

BRAND! NL Jazzfestival

12 + 13 februari 2016, Kc Nona & Cultuurcentrum Mechelen

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 14 februari 2016

Een jaar nadat BRAND! haasje-over speelde met het Oostendse STORM!, slaan het Mechelse Nona en het nabijgelegen Cultuurcentrum opnieuw de handen in elkaar voor een boeiende tweedaagse. Die stond deze keer in het teken van (de samenwerking met) Nederland, en leverde opnieuw heel wat fraai luistervoer op.

De officiële redenen voor die focus op Nederland waren enerzijds de festiviteiten rond 200 jaar Verenigde Nederlanden en 20 jaar Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland. Natuurlijk weet een beetje liefhebber ook dat de Nederlandse scene nog altijd veel goeie stuff in de aanbieding heeft, en die mag hier best wat vaker gehoord worden. Daarvoor werd zowel ingezet op aanstormend geweld als meer beslagen veteranen, op songs en improvisatie, en ook op combinaties van Nederlandse en Belgische karakters.

Vrijdag 12 februari

Voor het openingsconcert werd meteen uitgeweken naar de kolossale Sint-Romboutskathedraal, waar jongelingen Kaja Draksler en Lennart Heyndels meteen tekenden voor een opmerkelijke start. Draksler verliet een paar jaar geleden Slovenië voor Amsterdam, waar ze zich de voorbije jaren ontpopte tot een van de boeiendste nieuwe stemmen. Intussen is ze een pianiste die schijnbaar moeiteloos de afstand tussen vrije improvisatie en moderne gecomponeerde muziek dichtrijdt. Heyndels is een generatiegenoot en al evenmin honkvast, want ook hij houdt er een even uitgebreid als internationaal netwerk op na. Ze zouden nu samen aan het improviseren slaan, met Draksler op het massieve orgel dat er geplaatst werd in 1958.

Wie een overrompelende geweldsessie verwachtte zoals John Zorn die een jaar of vijf geleden bracht in een Protestantse kerk in Antwerpen, werd meteen gerustgesteld. Alhoewel, dat er een buslading toeristen binnenstroomde op het moment dat artistiek leider Bart Vanvoorden net z’n openingsspeech afrondde, deed even het ergste vermoeden, maar het bleef bij wat zacht geruis. En maar goed ook, want Draksler en Heyndels kozen voor een ingetogen aanzet met iele strijkstok- en orgelklanken, waarbij het meteen al onduidelijk was waar de ene ophield en de andere begon.

Draksler vermeldde in het verleden al meermaals haar liefde voor figuren als Messiaen, en het concert ging dan ook snel aanvoelen als een spel in de regionen van de moderne gecomponeerde muziek, waarbij het ene moment gewerkt werd met dreigende golven en pulserende drones, maar iets later weer de weg van het minimalisme bewandeld werd. De instrumenten gleden subtiel rond elkaar, nu en dan aangevuld met een scheut elektronica of percussieve klanken. Heyndels wisselde af tussen pizzicatospel en de strijkstok, Draksler schetste op de achtergrond, maar ging gaandeweg ook steeds vaker in de weer met grotere intervallen en dreigende bastonen.

Improvisatie of niet, het stuk bewoog zich voort met een opvallende focus en eindigde zelfs met een vaag ritualistische teneur, toen Draksler een metalen klok aansloeg en het duo de muziek zacht liet uitdoven. Iets te voorbarig applaus zorgde ervoor dat het concert afgerond werd voor het de kaap van een half uur bereikt had, maar het was wel meteen een knappe start voor een festival dat niet keek op een stijlsprong meer of minder.

Het duoconcert van freejazzpioniers Fred Van Hove (piano) en de naar Mechelen uitgeweken Nederlander André Goudbeek (altsax) was meteen heel wat anders. In een sterk verduisterde Nona, een theater dat gemaakt is voor dit soort van concerten. De combinatie van die instrumenten leidde in het verleden al vaak tot uitzonderlijke resultaten, denk maar aan Steve Lacy & Mal Waldron of Anthony Braxton & Marilyn Crispell. Het is een delicate combinatie, maar op het podium stonden dan ook veteranen met decennia ervaring op de teller. En ze zorgden voor een coherente, bij momenten zelfs bezwerende performance.

Daarbij zag je Van Hoves handen als vanouds over dat ivoor zweven. Mettertijd is zijn aanpak heel wat minder percussief geworden en lijkt het haast alsof die handen de toetsen strelen. Vaak blijft hij daarbij in compacte zones, vrij van bruuske sprongen, waardoor de muziek beweeglijk is, maar tegelijkertijd een vrij nauwe focus heeft. Er was wel degelijk interactie tussen de twee, maar elk bleef ook in zijn eigen habitat, met Van Hove die een onophoudelijke golf leek te produceren, waar Goudbeek op reageerde met een schier eindeloze aaneenrijging van korte cellen, geluidsstromen met een jankend timbre en frequent gebruik van tongue slapping en staccato gesputter dat soms klonk als geënerveerd ganzengegaggel.

Terwijl Han Bennink -- die in de jaren zeventig met Van Hove en Peter Brötzmann een van de meest beruchte bands van de Europese improvisatie vormde -- van achter de coulissen toekeek, bleven Van Hove en Goudbeek haast ononderbroken in de weer. Eén enkele keer ging je je afvragen waarom er niet wat meer ruimte gemaakt werd voor solomomenten en alles vol gespeeld moest worden, maar dan belandden ze weer in zo’n knappe cadans waardoor je weer meegetrokken werd. Het concert zat behoorlijk vol en zou niet zwakker geweest zijn als het een kwartier korter was geweest, maar dat is natuurlijk zoiets als klagen over een lekkere, maar copieuze maaltijd. De veteranen werden terecht getrakteerd op enthousiast applaus.

Een van de terugkerende onderwerpen waar talloze sterke verhalen uit de vrije improvisatie op gestoeld zijn, is die van de eerste keer. In geen enkel ander genre kan je zo veel unieke concerten meemaken. Het trio Wilbert De Joode (bas), Eric Boeren (kornet) en Teun Verbruggen (drums/percussie) stond voor het eerst samen op het podium en het leek erop dat ze zelf totaal niet verwacht hadden hoe goed dat klikte. De Joode liet alleszins niet na om uitvoerig het eenmalige karakter van het concert te benadrukken, net als het uitzonderlijke resultaat ervan. De set bestond uit een drietal bewegingen die inzetten op merkwaardige klanken en texturen, maar eigenlijk ook best toegankelijk was. Er waren jazzy loopjes waarbij bas en drums hecht in elkaar haakten, er waren knappe expressieve momenten, en Boeren varieerde regelmatig op compacte flarden die binnenstebuiten gekeerd werden.

Daarvoor bediende hij zich van verschillende modellen en (vooral) een uitgebreide resem hulpstukken. Dat gaf de muziek iets speels, ook al werd regelmatig rondgehangen in een stijl die niet zo ver verwijderd was van de kamermuziek waar vooral De Joode regelmatig in te horen is. Maar het ging net zozeer over funky grooves en verrassend stevige uitvallen van Verbruggen, die ook voortdurend in de weer was met allerhande hulpstukken (kettingen, schaaltjes, een megafoon). Daardoor kreeg het geheel regelmatig een wentelende, rollende beweging en ging De Joode al net zo percussief tekeer.

Elk stuk had zo z’n eigen karakter, bewoog tussen semi-autistische effecten en stuwende passages, maar het mooiste werd bewaard tot het einde, toen een minimale en abstracte combinatie leidde tot een drone van De Joode én Boeren, die knap gecontrasteerd werd met het rusteloze tiktakken van Verbruggen. Een hypnotiserend einde van een ontmoeting die aanvoelde als een muzikale vriendenreünie. Speels, vrij, avontuurlijk, abstract en toch met een aantrekkingskracht die ook minder getrainde oren kon aantrekken. Heel knap.

En dan, cultureel erfgoed. Het ICP Orchestra is een naam tot ver buiten de landsgrenzen en is ook sinds Mengelberg noodgedwongen afwezig blijft door de oorlog die in zijn hoofd woedt nog altijd een van de unieke grotere bezettingen van de jazz en improvisatie. Een nieuw album komt er binnenkort aan, maar het concert dook ook regelmatig het verleden in, met die kenmerkende combinatie van humor en anarchie, swing en abstractie, jazz en kamermuziek. Het ICP is het summum van de ‘typisch Nederlandse’ improvisatie, maakt muziek vol rebelse afbraak- en sabotagetechnieken, eigenaardige wendingen en een voortdurende verschuiving van de rollen en deelnemende fracties. En ze voorzagen de introductie van Lies Steppe meteen ook van een plagerige soundtrack.

Spetterende tutti worden afgewisseld met individuele schittermomenten of onderlinge robbertjes vechten, waarbij pianist Guus Janssen en drummer/topanarchist Han Bennink hun hele hebben en houden in de strijd gooien om de verwarring nog aan te dikken. Het concert leek aanvankelijk de samenhang te missen van de prachtperformance die we een tijd geleden in Brugge zagen, maar zelfs met een soms wat slordig aanvoelende aanpak bleef het duimen en vingers aflikken bij zo’n vertoon van wendbaarheid en creativiteit. Honsingers nieuwe(re) “Restless In Pieces” werd gecombineerd met Mengelbergs “Ktafel” en “Blue Chopsticks” van de ondergewaardeerde Herbie Nichols, die een gigant is in de wereld van ICP.

Opmerkelijk was vooral ook het op Charles Ives geïnspireerde drieluik dat Ab Baars schreef voor de band en dat wat teneur en stijl betreft wat deed denken aan de muziek die hij speelt met zijn Trio of met partner Ig Henneman. Nauwer aansluitend bij de wereld van kamermuziek, een beetje kaler en strenger ook. Maar natuurlijk volgen ze zoiets dan weer op met een uitbundige versie van Monks “Criss Cross”. Dat is eentje die ze beheersen tot in de puntjes, maar door het te combineren met eigenzinnige reacties, zoals in Thomas Heberers “One Thing All At Once”, dat op maat geschreven was van de klarinetten van Baars, Tobias Delius en Michael Moore, belandde je weer in een ander universum. En afsluiten gebeurde met “Hypochristmutreefuzz”, eentje die Mengelberg een halve eeuw geleden al schreef en die belandde op het laatste album van Eric Dolphy. Misschien niet het beste concert dat we al zagen van ICP, maar niettemin een passage die ons en veel anderen nog lang zal heugen.

Zaterdag 13 februari

Op dag twee van BRAND! NL werd de diversiteit van de jazz en improvisatie enkel nog duidelijker. Deze keer lag de nadruk iets meer op composities, al werd dat vier keer op een heel andere manier ingevuld. Het jonge Kapok omschrijft zichzelf als “the unusual jazztrio”, en dat vooral door een vrij zeldzame combinatie van instrumenten. Morris Kliphuis is alleszins een van de weinige actieve hoornexperts die we kennen binnen de jazz (de andere is Vincent Chancey) en samen met gitarist Timon Koomen en drummer Remco Menting leidt het tot een stijl en sound die duidelijk in de smaak valt, want de band viel recent al regelmatig in de prijzen met zijn speelse en frisse sound.

Daarin staat het spel van Kliphuis centraal. En terecht, want die haalt op het zogezegd stugge instrument dingen uit die je niet zou verwachten, waardoor je soms net zo staat te kijken van die virtuositeit als bij het luisteren naar J.J. Johnson en Kai Winding, die van de trombone ook zoveel meer dan een orkestscheur maakten. Drummer Menting leek zelf ook op een cajón te zitten, die hij bespeelde met de handen maar ook aansloeg met een basdrumpedaal. Er zat ook regelmatig een Afrikaanse toets in zijn spel, waardoor de muziek van Kapok een knappe combinatie vond van elegantie en voorzichtig exotische dansbaarheid.

Klinkt die hoorn doorgaans eerder statig en mysterieus, dan werd die aangevuld met funky slaggitaar, doken er hier en daar krachtige rockrefreinen op (heel even leek het zelfs op Hendrix’ “Foxy Lady”) en kringelden de instrumenten charmant rond elkaar. Kapok is daarmee zeker geen taaie, experimentele koek, maar ook te eigenzinnig, te fraai, om afgedaan te worden als een vluchtig snoepje. Nee, dit is een erg fijne band met een knappe sound en een heel eigen charme die in deze contreien best wat meer aandacht mag krijgen.

Dan ging de muziek van het Jasper Blom Quartet & Bert Joris, die tekenden voor het meest ‘klassieke’ concert, er eigenlijk heel wat moeilijker in. Nochtans heeft dat Quartet met een aantal albums al aardig wat krediet opgebouwd binnen de Nederlandse jazz en ontpopte Blom zich tot een bevlogen bandleider met een brede bagage en interesse in uiteenlopende genres die hun sporen kunnen nalaten in de muziek van zijn band. Met de Vlaamse trompettist en componist Bert Joris erbij werd een hommage gebracht aan de Polyfonie van de Lage Landen, al was dat niet in elke compositie echt duidelijk. Al verwezen songtitels wel steevast naar historische figuren of afbeeldingen, zoals die van wandtapijten uit de 15e en 16e eeuw.

De band speelde technisch sterk, met vooral drummer Martijn Vink die het hele boeltje driftig bij elkaar timmerde en gitarist Jesse Van Ruller die regelmatig inzette op een maximale elasticiteit van de vingers, maar om de een of andere reden sloeg het niet aan. Joris is een uitmuntend solist (op trompet en bugel) en vond duidelijk z’n plaats in deze band, Bloms legato klank doet in z’n meest krachtige en bevlogen momenten soms denken aan die van Coltrane, maar het elegante stukje “Guillaume Dufay” buiten beschouwing gelaten, duurde het tot afsluiter “The Least Of Your Worries” tot we volledig mee waren. En zelfs dan voelde het aan als muzikale wiskunde. Erg vernuftig in elkaar gestoken, maar ook een beetje gekunsteld en zonder de impact van het concert dat volgde.

Het trio Ernst Reijseger, Harmen Fraanje & Mola Sylla heeft op een paar jaar tijd een knoert van een live reputatie bij elkaar gespeeld. Terwijl albums als Down Deep en Count Till Zen uitpakken met een onweerstaanbare stijl en een resem prachtcomposities, is dit een band die je absoluut live aan het werk gezien moet hebben. Dan pas merk je immers hoe hecht het samenspel is, hoe de songs gekneed kunnen worden, hoe warm de interactie is, hoe sterk de présence van Sylla. Die startte het concert trouwens vanachter de opgestelde schermen, maar daar heeft hij dan ook de stem voor: een krachtige misthoorn die hij kan laten galmen, aanwendt om theatraal te blaffen of vol emotie te steken. In combinatie met Fraanje’s elegantie en Reijsegers virtuositeit leidt het elke keer tot een regelrechte emotionele uppercut.

Het is ook muziek die soms ontmanteld wordt tot op het niveau van bouwstenen: ijle klanken, ritmes, resonerende noten, expressieve stemmen, die dan in elkaar gepast wordt met een verfijning en nuance die steeds opnieuw leidt tot muziek die ontroerend is, maar niet klef of flauw. Zo’n “Amerigo”, hypnotiserend en helemaal opgebouwd rond herhalingen, is al een knap luisterspel op zich, maar laat Sylla invallen met die verscheurende kreet en het stuk schiet ineens een paar niveaus hoger. En natuurlijk waren er ook volop van die speelse momenten, waarvoor Reijseger de vijfsnarige cello bespeelde, bepotelde, betimmerde als een bas (of zelfs percussie-instrument) of klemmen gebruikte.

Maar er wordt ook geluisterd, er is voortdurend oogcontact, er zijn blijken van waardering, kleine uitingen van verrassing en verwondering. Het zijn muzikanten die naar elkaar luisteren, elkaar aanmoedigen en aanvullen, en dat straalt af op hun muziek, die een warme menselijkheid krijgt. Zo waren het intussen klassiek geworden “Elena”, met de woordenloze melancholie van Reijseger in dialoog met de dromerige woorden van Sylla, en het van een lange aanloop voorziene “Badola” hoogtepunten die naar de keel grepen. Dat ze het allemaal zo makkelijk, zo vanzelfsprekend, laten klinken, maakt het allemaal dubbel zo mooi. Prachtconcert van een trio met goud in de vingers (en keel).

En dan terug naar de Kerk van het cultuurcentrum, waar DJ Herr Seele iets deed tussen een comedy set en een spreekbeurt over zijn favoriete jazz: die van de jaren twintig, toen orkesten iets hadden van fanfares. En fanfares, die heb je nodig om te gaan vechten. Het was alleszins een originele aanloop naar het concert van zijn oude maten van The Ex, die voor de gelegenheid bijgestaan werden door oude bekenden Ab Baars (tenorsax) en Wolter Wierbos (trombone). Al moest je aanvankelijk wel moeite doen om het allemaal te kunnen horen, want het begin van het concert was niet vrij van wat geluidsproblemen. Ongetwijfeld had dat te maken met de moeilijke akoestiek van de ruimte, maar met 37 jaar op de teller laat je je natuurlijk niet door zoiets vermurwen.

Nochtans leek het concert aanvankelijk ook niet helemaal naar wens van de Amsterdammers te verlopen. Die speelden met energie en baanden zich een weg door prima versies van “Every Sixth Is Cracked” en “Top of My Lungs”, waarvoor drumster Kat zoals gewoonlijk naar voren stapte. Maar met de muziek van The Ex is het zoals met een hardnekkig virus: wacht een moment af en uiteindelijk ga je toch voor de bijl. Het was even zoeken, maar uiteindelijk vond de band opnieuw het heilige vuur waarmee we hen een maand geleden nog een Amsterdamse keet in brand zagen steken. “That’s Not A Virus” was met z’n rollende ritmepatroon het definitieve keerpunt, waarna de band definitief bleef draaien en wentelen en schuren en bonken.

En net als je dacht dat het niet meer beter kon, deden ze er met het onheilsverhaal van “I Can Foresee” nog een schep bovenop. De sound was intussen helemaal in orde, de band warm gelopen, de intensiteit piekte in het rood, Baars en Wierbos vonden hun plek, en in de finale leidde het weer tot een machtige apotheose van gitaarfurie, die een vervolg kreeg met een massieve versie van “Double Order”, waarin de attack van drie gitaren en drums aanvoelde als vertrappeld worden door een horde buffels. Net als bij het ICP Orchestra was dit vermoedelijk niet de beste The Ex die we al zagen, maar waar ze uiteindelijk belandden was wél The Ex waar we op hoopten. Dat had gerust nog wat langer mogen doorgaan, maar dat is voor een volgende keer.

Het was alleszins een uitmuntend einde voor een festival dat uitblonk in variatie en de lat meteen hoog legde voor een volgende editie. Die zou eraan komen in 2017. We beginnen met aftellen, want geloof ons: Mechelen was zelden zo cool als tijdens het voorbije weekend.

E-mailadres Afdrukken
Tags: BRAND! NL