Banner

Dikeman / Parker / Drake

8 september 2015, S.M.A.K. Gent

Guy Peters - foto's: Mario Pollé - 09 september 2015

Zeventien maanden geleden speelden John Dikeman, William Parker en Hamid Drake de pannen van het dak in wijlen La Resistenza. Een knap concert dat een vervolg kreeg tijdens een tweede tour de langs Gent passeerde. Terwijl de cd’s met opnames van vorig jaar nog geassembleerd werden, besloten de drie om de lat nog wat hoger te leggen.

Maar eerst gitaarveteraan Dirk Serries, die zich een tijd geleden bekeerde tot de vrije improvisatie, intussen een hoofdader van z’n werk die al net zo’n productiviteit oplevert als zijn meer klassieke gitaarminimalisme. Met een kersvers album met John Dikeman en Steve Noble onder de arm, en een paar nieuwe die er binnenkort aankomen, vond de man het gepaste moment om in Gent zijn eerste geïmproviseerde soloconcert te spelen. Of toch gedeeltelijk, want voor de tweede helft van zijn korte set werd hij bijgestaan door Jan Daelman (o.a. Keenroh) op fluit.

Het was een heel andere gedaante die we te horen kregen, met grillig en wringend gekrabbel en getrek, veel meer in een post-Bailey traditie dan spul dat ook maar iets met jazz te maken heeft. Dit was een onrustige stream-of-consciousness-sessie waarbij ’s mans bekende monnikengeduld de grote afwezige was. Je werd meteen in een wereld zonder houvast gedropt. Maar helemaal breken met het verleden gebeurde eigenlijk niet: plotsklaps werd overgeschakeld op een zoemende drone, die vervolgens aangewend werd om ook de strijkstok boven te halen.

De ascese was een stuk dichterbij, maar kreeg een andere context, de drone leek samen te vlechten met improvisatie, maar ook een pastorale insteek. Viel de drone weg, dan was dat het signaal voor Jan Daelman om er een conversatie van te maken. Hijgend en sputterend, blazend op het uiteinde van een fluit, iets later meer ingetogen en melodieus op een traditioneel gespeelde dwarsfluit. Merkwaardige combinatie, maar het gekapte en kribbelende gefluister van Serries was een intrigerend contrast met het schizofrene geluid van Daelman, dat de verwarring van een droomsequens koppelde aan een einde dat haast...ja, frivool klonk. En dan zat het er ineens ook op, nog voor de gewenning kon intreden. Uitkijken naar het vervolg.

Iets dat bij John Dikeman elke keer weer opvalt, is zijn gretigheid. Die kerel wil gewoon spelen, of het nu gebeurt in een DIY-kot met de kornuiten van Cactus Truck, of in een jazzclub met een stel grootheden. Onlangs trok hij met Cactus Truck nog voor een paar weken door Rusland, wat opnieuw resulteerde in een handvol redelijk surreële taferelen (denk bvb. in de richting van ‘freejazz + winkelcentrum + fontein’, of zoek het eens op via Google). Dikeman is een man van de ‘verwacht niks, geef alles’-school, wat het dan ook zo boeiend maakt om hem te zien in combinatie met een paar muzikale leeuwentemmers die niet terugdeinzen voor wat hysterisch geharrewar..

Net als vorig jaar hield Dikeman zich niet in, begon hij meteen aan een gedreven en intense improvisatietocht, al duurde het misschien langer voor hij het extreme register ging opzoeken. Het vloeide er snel uit, met een vlammende, vliegende serenade. En het samenspel ging meteen rollen en zou eigenlijk ook blijven rollen. Zelfs wanneer Dikeman in het verweer ging tegen het soulvol in elkaar hakende spel van William Parker en Hamid Drake, dan nog bleef die muziek vooruitgaan met een immense stuwing. En het was geen tien minuten bezig en we hadden al het woord ‘episch’ genoteerd, want zo klonk het ook, het was de wil om te overstijgen en de muziek nam een prachtvlucht.

De kwaliteiten van de ritmsesectie kwamen daarbij nog beter uit de verf dan vorig jaar. Niet omdat Dikeman deze keer moest afhaken, maar omdat Parker en Drake het touw nog nadrukkelijker naar zich toetrokken. Een eerste bas- en drumpassage legde meteen die machtige synergie bloot, een organisch spektakel dat Dikeman na een tijd doormidden spleet door te gaan postvatten naast Parker. Een solo van Drake putte dan weer uit zijn hele arsenaal, en weer viel op hoe moeiteloos dat allemaal ging, hoe die man het ritme door z’n lichaam heeft stromen. Er zaten in het concert meerdere momenten met een verslavende, sensuele groove. Soms lag die er dik op, en dan zou je willen dat ze er een heel concert aan zouden ophangen, maar net zo vaak werd die via een omweg geïntroduceerd, en dan zag je de koppen na een tijd collectief meewiegen of – hier en daar – driftig heen en weer zwieren. Dit was geen denkoefening voor kinkrabbers, maar een feest voor de oren en het lichaam.

Even kreeg de muziek een Afrikaanse toets, en misschien was dat een voorbode van de wending die eraan stond te komen, want een catchy basfiguur kreeg hier niet de loodzware omkadering die het gehad zou hebben bij, pakweg, het David S. Ware Quartet, maar een uitbundige, lijfelijke en volkse aanpak. Een tweede duopassage van de ritmesectie, waarvoor Parker overgeschakelde op een houten fluit (en later een van zijn exotische double reeds), luidde een lange passage in die zich even afkeerde van de meer klassieke, woelige freejazz. Hier belandden we plots op het terrein van het ritme, het tribale en het theatrale. Het werd een conversatie tussen ritme en fluit, maar ook ritme en stem, sax en uitgestoten kreten.

Zeker toen Drake overschakelde op frame drum en zang (altijd goed voor een bijzonder moment), was de hypnose compleet, werd er diep in een ritualistische wereld gedoken, aangesloten bij iets dan aanvoelde als een eeuwenoude traditie. Een enorm verschil met de vlammende aanloop van het concert, maar de manier waarop het trio, en de ritmesectie in het bijzonder, had toegewerkt naar die passage, was meesterlijk. Voor Dikeman zat er soms niet meer op dan even toekijken en laten begaan, maar dat deerde ook niet. Hij voelde niet langer de behoefte om alles vol te spelen, en dat siert hem ook. Hij weet intussen perfect zijn moment te kiezen en als hij dan terugsloeg met opzwepende kreten, dan was dat ook op het juiste moment, en goed voor een wending naar het centrum waarom volkse elementen en freejazz energie elkaar op de tast vonden.

Het was even samen stampen en steigeren en galopperen, een vitale en energieke dans van vrije muziek, maar afsluiten gebeurde dan weer met een minder ontvlambare, smeulende bluespassage die een losse groove stilletjes uit elkaar liet vallen. Samen met de bisronde, een korte en open passage waarin Parker en Drake terugkeerden naar het ritualistische element, was het een prachtig einde voor een concert dat vooral opviel door een magistrale samenhang en een consistent aangehouden focus. De duur van het vorige concert werd gehalveerd, maar dat deerde niet.

Die fenomenale ritmesectie bouwde al een bijzondere verhouding op met een paar saxofonisten, en die met Dikeman mag wat ons betreft al toegevoegd worden aan het rijtje. Dit was een topconcert dat nog maar eens aantoonde dat er geen beperkingen zijn als alle stukjes op hun plaats vallen. En zo gebeurde het, dat er in een halfleeg S.M.A.K. dat meer leek op een bouwwerf dan op een museum, en waar het nog geurde naar vers pleisterwerk, ladders half bedekt werden met dekens en hier en daar een paar staande lampen en bloempotten opgesteld waren, iets in de lucht hing dat we - bij gebrek aan een uitgebreidere woordenschat - enkel kunnen omschrijven als magie.

E-mailadres Afdrukken