Banner

Jazz Middelheim 2015

13-16 augustus 2015, Park Den Brandt

Guy Peters - foto's: Bruno Bollaert - WahWah vzw (13+14 augustus) / Geert Vandepoele (15+16 augustus) - 15 augustus 2015

Verzamelen geblazen in Park Den Brandt, voor de 34e editie van Jazz Middelheim. Een editie die op papier behoorlijk kleurrijk belooft te worden, met een paar eerbetonen (Ray Charles, John Coltrane, Louis Armstrong, Fats Waller), behoorlijk wat stemmen, een prachtkeuze als artist in residence (Jason Moran) én een dag die volledig ingepalmd werd met een Belgische afvaardiging. Met de nationale triomf van 2014 (B.O.A.T., Bruno Vansina Orchestra, Carate Urio Orchestra, MannGold de Cobre, etc) nog vers in het achterhoofd iets om naar uit te kijken.

Donderdag 13 augustus

De Club Stage van vorig jaar, de plaats waar ontdekkingen gedaan konden worden en de boel ei zo na afgebroken werd door een op hol geslagen MannGold De Cobre, wordt ook dit jaar op elke dag ingepalmd door een artiest of band die het er de hele dag voor het zeggen heeft. Op de eerste festivaldag was die eer weggelegd voor Nederlandse Gentenaar Fulco Ottervanger, zanger/toetsenman bij een resem uiteenlopende projecten en in geen tijd uitgegroeid tot een klepper van internationaal kaliber. Hij stond er deze keer in duo met Lander Gyselinck, met zijn kwartet Stadt, en dan nog eens twee keer met het pianotrio De Beren Gieren, waarvan de eerste keer met trompettiste Susana Santos Silva erbij.

Zo vroeg op de dag moesten we helaas verstek geven, al waren we eerder wel al volledig overtuigd door de opname die vorig jaar gemaakt werd op het festival van Ljubljana en die wat later verscheen bij het Portugese Clean Feed-label. We pikten wel de tweede set van De Beren Gieren mee, waarvoor het trio op zichzelf aangewezen was. En dat gebeurde natuurlijk overtuigend. Een beetje plagerig ook, want nieuw materiaal werd achtergehouden voor de albumrelease-concerten van september. In plaats daarvan presenteerde de band vier stukken uit A Raveling, het album waarmee ze in 2013 de belofte van hun debuut ruimschoots overtroffen.

En je voelde meteen dat die composities intussen ook een mooie weg afgelegd hebben. De muzikanten kennen ze van binnen en buiten, permitteren zich vrijheden die je enkel met een combinatie van branie en zelfzekerheid uitgevoerd krijgt. Het podium op en hop, meteen er tegenaan met “Vakantiebestemming”, repetitieve ideeën die grondig vertimmerd worden, invloeden uit klassiek die naadloos binnengesmokkeld worden (dat is meteen ook een handelsmerk) en grooves die even plots als hoekig uit hun krammen schieten (“Koekjes ’s nachts”, wat een geweldige songtitel trouwens).

Ook “Ontdekking van materie” herinnerde je eraan dat dit het trio is dat een tijd geleden al in de weer was met Schuberts Forellenkwintet, terwijl afsluiter “Knalsonate”, met dat onweerstaanbare, dalende riedeltje, de kwaliteiten van De Beren Gieren nog eens netjes op een rij zette: de dingen schijnbaar laten imploderen om vernuftig weer in elkaar te passen, met humor, energie en gretigheid. De Beren Gieren is een band die nog altijd nieuwe mogelijkheden blijft ontdekken, en dat met materiaal dat ze intussen al compleet binnenstebuiten gekeerd hebben. Het doet uitkijken naar wat ze uit hun hoed gaan toveren op hun derde trioplaat.

Maar Ottervanger is ook meer dan een wat gesjeesde jazzpianist. Eerder op de dag stond hij met drummer Lander Gyselinck, samen Beraadgeslagen, ook behoorlijk indrukwekkende stunten uit te halen, zij het van een heel andere orde. Geen klassiek piano/drums-duo, maar een ritme- en klankenlaboratorium, waarbij de liefdes voor hiphop, verfrommelde elektronica, sci-fi bricolage en jazzfunk in de blender gekieperd worden om er vervolgens uit te druipen in vet blubberende gulpen. Soms schijnbaar zonder enig gevoel voor richting, hortend en stotend, met plots opduikende bassen en robotfunk, maar ook met bijzonder strakke, minimale beats waar het tweetal vervolgens behendig rond kronkelde. Het had soms iets van een doorgeslagen Mario Bros geluidskaart.

Hier en daar viel er een foute synthsliert te rapen, veerde Ottervanger eens omhoog om haast als een volleerde Tomorrowland-DJ de massa aan te stoken, maar dat was niet eens nodig, want die bescheiden, maar overtuigde massa at al snel uit de handen van het tweetal, genoot met volle teugen van deze gemuteerde funkjazz en lijnen als “Het rommelt maar aan / doorkuist mijn bestaan” en de explosieve uitvallen die er op volgden. Casiolijnen, space trance en een wringende, repetitieve aanpak die hier en daar zelfs herinnerde aan de ontbeende postrock van wijlen UI, zorgden samen voor een eclectisch zootje dat er verdacht goed inging. Zelfs op basis van deze twee concerten zouden we al durven beweren dat Ottervanger zich ontpopte tot de verrassing, misschien wel dé man, van de dag. Als je wil bewijzen dat het erg goed gaat met de Belgische jazz anno 2015, dan is Ottervanger een van je sterkste troeven.

Op het hoofdpodium werd het spel eerder die dag een pak veiliger gespeeld door, even inademen, Eric Legnini What’d I Say ft. Kellylee Evans & Sandra Nkaké. Legnini hing ooit uit in de meer bedeesde regionen van de pianojazz, maar schakelde in de loop der jaren over naar een warmbloediger aanpak, zocht het bij soul en funk en daarom was hij niet onverwacht aanwezig met een eerbetoon aan grootmeester Ray Charles, naar wiens legendarische compositie uit 1959 (die dan weer niet aan bod kwam) verwezen werd. Hij had daarvoor beroep gedaan op een blazerssectie, een glad funkende ritmesectie en twee zangeressen die voor de vlam in de pan zouden zorgen.

Het werd een set vol opgewekte, bruisende muziek, op maat van een Europees festivalpubliek. Het klonk allemaal wel erg professioneel, maar net daardoor ook een beetje gepolijst. Bij heel wat van de klassieke soul bleef er vaak een sluimerende (of expliciete) rauwheid hangen, een directe emotionele uitweg, en die bleef hier wat achterwege. De composities werden netjes uitgevoerd, laveerden naadloos tussen soul, funk en R&B, met Legnini’s zoemende en rollende Rhodes als rode draad. Het waren echter de vrouwen die zich de kijker in zongen, en dan vooral Sandra Nkaké, die plots alle registers opentrok die het fletse fiasco van Stacey Kent (zie 2014) deed vergeten en vervolgens theatrale oorden opzocht die we niet meer hoorden sinds de comeback van Bettye LaVette.

Voor het slot van het concert kregen de zangeressen nog versterking van derde stem Mariana Tootsie, waardoor het feestjes pas echt kon losbarsten, al was het meest opvallende moment van “I Got A Woman” de oorverdovende solo van bassist Dan Romeo. Die wilde de boel duidelijk aan de kook brengen, maar was even vergeten dat hij omringd werd door een degelijke band die het allemaal erg keurig deed, maar er zelden in sloeg om de muziek naar een hoger niveau te tillen. Het knetterde te weinig. Wat misschien nog het best van al gelukt was door er wat minder manieren en franjes in te steken.

Terwijl sommige regio’s al af te rekenen kregen met plensbuien die met enige zin voor apocalyptische overdrijving aangekondigd werden, was er nog geen vuiltje aan de lucht toen de muzikanten van het Brussels Jazz Orchestra en hun tijdelijke broodheer Darcy James Argue het podium op wandelden. Argue, een van de boeiendste jonge bandleiders en componisten van het moment, maakte behoorlijk wat indruk met zijn eigen ensemble op Gent Jazz 2014, en kwam dat nog eens overdoen. Op papier al behoorlijk prikkelend, want ’s mans gedurfde aanpak sluit doorgaans aan bij een traditie die niet die van het meer klassiek georiënteerde BJO is. Maar de twee partijen hadden elkaar blijkbaar zonder al te veel moeite gevonden en wat volgde was een van de beste (en zeker het meest verrassende) concerten die we al van het BJO zagen.

De traditionele aanpak die gehanteerd werd met volk als Schneider, Joris en Pieranunzi, werd immers ingeruild voor eentje die misschien niet radicaal klonk, maar de werkwijze van het orkest toch behoorlijk overhoop gooide. Weg waren de bekende elegante stapelingen, de swingende, soms oorverdovende pomppartijen, de uitbundige uitwisselingen die de band deden aansluiten bij de tradities van Ellington en Herman. Hier werd meer het terrein opgezocht van Kenton of Axelrod, ging het daadwerkelijke klinken als nieuwe muziek, vol repetitieve elementen, krachtige gitaar, soms zelfs een noir-randje dat zo weg gegrepen leek uit een soundtrack van een kerel als David Shire, vooral als de diepe registers van de vele blazers verkend werden.

De muziek werd gestuurd door een imponerende, maar naadloos uitgevoerde complexiteit, de muzikanten wisselden regelmatig van instrument en al die tijd bleef Argue energiek de maat slaan en sturen, weidde hij tussen de stukken regelmatig uit over de oorsprong of inspiratie van zijn geëngageerde composities. Hier en daar klonken die behoorlijk taai, maar nooit vergezocht, want het bleef al bij al erg gedoseerd, en individuele hoogstandjes werden gecombineerd met collectieve zeggingskracht en soms een imponerende broeierigheid. Die werd enkel een beetje verloren in de lange, door Ellington geïnspireerde suite aan het einde van het concert, die na een tijd wat veel ging lijken op het obligate rondje solo’s. Al kan die indruk ook te wijten zijn aan het weer, want simultaan met die suite kreeg het festivalterrein af te rekenen met zijn eigen regenstorm en de daarbij horende (en storende) decibels.

Als afsluiter dan TaxiWars, het kwartet waarover met man en macht benadrukt wordt dat het niet ‘de jezzbend van Tom Barman’ is. Ook al omdat Robin Verheyen eigenlijk de man is die de muziek voor z’n rekening neemt. Het kwartet maakte in 2014 naar verluidt aardig wat indruk op diverse podia, waaronder Gent Jazz, zonder ook maar een song uitgebracht te hebben. Dat titelloze debuut verscheen eerder dit jaar en viel op met z’n combinatie van warme grooves en spitse energie. Het duurde echter even voor die ook wist te overtuigen op het podium. Het zag er door een knappe belichting allemaal erg indrukwekkend uit, maar het klonk eerder mak door een flauwe geluidsbalans en een verrassend tam volume.

De aanpak van de band is eigenlijk even puur als eenvoudig: een aaneenrijging van korte, op roterende grooves gebaseerde songs die voor Barman een aanleiding zijn om ritmisch verzen te spuwen, met of zonder effecten. Een keuze waarover te twisten valt, maar songs als “Let’s Get Killed” en “Questionsong” hadden net iets te weinig in de aanbieding om ons bij de les te houden, waardoor het er even naar uitzag dat het concert langzaam zou doodbloeden. Dat was te vroeg gepanikeerd, want de band leek zich te herpakken en met “Recent Winds” en albumhoogtepunt “To The Hyphenated Poets” kregen ze terug het vuur aan de lont. Al was dat toch vooral de verdienste van de muzikanten. Je krijgt tenorsaxofonist Verheyen (een enkele keer ook op sopraan) zelden in deze rauwe gedaante te horen en de ritmesectie van Nicolas Thijs (bas) en Antoine Pierre (drums) is zelfs met deze minimale aanpak meer dan overtuigend.

De grooves zijn soms lekker heimelijk en de basaanloop van “Pearlescent” was de échte start van het concert, dat gelukkig op een hoogtepunt eindigde met de songs die het album opstarten en afsluiten: de Morphine-vibe van “Death Ride Through Wet Snow” en het speels buitelende “Colosseum”, dat ook nog eens hernomen werd in de bisronde. Misschien zit daar meteen ook de belangrijkste conclusie vervat. TaxiWars heeft potentieel te over, piekte in z’n hoogtepunten met een aanstekelijke, broeierige combinatie van ritme en energie, en heeft bakken attitude (met dank aan een eeuwig hyperactieve Barman), maar weegt voorlopig nog wat te licht om vijf kwartier te overtuigen als headliner. Uitkijken naar wat album #2 brengt.

Vrijdag 14 augustus 2015

Op de tweede festivaldag is de Club Stage het speelterrein van saxofonist Jeroen Van Herzeele, een van de belangrijkste vertegenwoordigers van een generatie die een jaar of vijfentwintig geleden een frisse wind door de Belgische jazz liet waaien en toen zorgde voor een ommekeer die bijzonder lang nazinderde. Van Herzeele is al die tijd in de weer gebleven met eigen en andermans bands, maar zal ook te boek staan als degene die bij uitstek de geest van Coltrane levend hield in deze contreien, met albums op o.m. W.E.R.F. Records en El Negocito. Samen met Giovanni Barcella, een partner tijdens vele laatavondjams, zorgde hij nog voor de eerste release op dat Gentse label, een kleine openbaring voor wie dacht dat Belgische jazz vooral een wat brave, formele bedoening was.

Zoveel jaren later kunnen de twee nog altijd overtuigend met de deur in huis vallen, want hun freejazzdialoog brandt vurig, met gensters die alle kanten uit schieten. Van Herzeele pakt aanvankelijk uit met veelal korte ideeën en uitbarstingen, soms repetitief brallend, dan weer extatisch scheurend, terwijl Barcella het boeltje vakkundig aanvult, doet rollen en weerspiegelt met spel dat eerder speels dan ontketend aanvoelt. Er wordt eens overgeschakeld op sopraansax, maar ook dat instrument volstaat om het boeltje geduldig aan de kook te brengen. Het is overduidelijk wat te vrij en tegendraads voor een deel van het publiek, maar wie de rit wel helemaal uit zat, die werd getrakteerd op een duoperformance die de zone tussen wringende, jankende impro en een meer gedisciplineerde variant met gemak in evenwicht hield.

Niet zo lang geleden werd op El Negocito ook Alive, het tweede album van het Gratitude Trio, uitgebracht, met elektrisch bassist Alfred Vilayleck en drummer Louis Favre. Het eerste dat opvalt is dat het er live toch wel een pak steviger aan toegaat. Het trio haalt uit met een knoert van een bassound en ook Favre’s sound zit zo prominent in het totaalgeluid dat je het gevoel hebt naar een potige rockband te kijken. De band speelt dan ook strak, energiek en luid, met Favre die op sommige moment over z’n drumstel lijkt te gaan vallen. Vilaylecks “Boubou” zorgt nog even voor een ingetogen moment, maar afsluiter “Snakes”, verwijst naar Coltrane’s A Love Supreme en ontketent vervolgens een onstuitbare groove die de tent ei zo na in brand steekt. De achterblijvers onthalen het (terecht) op een indrukwekkend applaus.

Iets eerder op de dag stond centrale gast Jason Moran voor het eerst op het hoofdpodium, en dan meteen met een merkwaardig gezelschap. De line-up met kornettist (was het dat wel?) Ron Miles en gitariste Mary Halvorson was op papier al een raadselachtige combinatie en veel wijzer over hun gehanteerde strategieën waren we na afloop van het concert nog altijd niet, maar er gebeurde wel iets bijzonders. Aanvankelijk leek het er zelfs even op dat het trio de tent vakkundig leeg zou gaan spelen. Niet dat het een extreem spektakel werd, maar de zoekende, originele manier waarop composities van Paul Motian (“Fiasco”) en Andrew Hill (“No Doubt” ) binnenstebuiten gekeerd werden, kondigden een interactie aan die niet zomaar koos voor de meest voor de hand liggende trajecten.

Moran heeft het dan ook allemaal in de vingers: de traditie, overgekregen door inspiratiebronnen als Fats Waller en Thelonious Monk, maar ook invloeden uit de moderne muziek, populaire cultuur en decennia avant-garde die de man als zijn broekzak kent. Daardoor kon hij een prikkelende balans zoeken tussen het spinachtige spel van Halvorson, die dat opnieuw bewerkte met een paar maffe effecten, het lyrische van Miles, die soms klonk als een minder radicale Nate Wooley, en zijn eigen veelzijdigheid, waar ook experimenten in de pianobuik aan te pas kwamen, met metalig gehamer en geschraap als resultaat. Het ene moment een mysterieus impressionisme, even later plots ontluikend met onderhuidse harmonieën die stapvoets de kop opstaken.

Het was muziek die met een soms imponerende dosering in elkaar gestoken werd, of even leek te blijven trappelen op een vierkante tegel, maar net zo goed frivool en lichtvoetig aan het dansen kon slaan. Lyrisch en verfijnd, maar zonder de makkelijke trucjes die daar doorgaans bij komen kijken. En ook: de twijfelaars die bleven zitten werden uiteindelijk beloond met een handvol composities die iets nauwer aansloten bij de traditie. Een rag van Miles keerde terug naar de vroege roots van de jazz met aanstekelijke melodieën en liet de zon terugkeren in de soms in zichzelf gekeerde muziek. En zo kreeg een set die van start ging als een lesje in camouflagetechnieken alsnog een krachtig, haast majestueus slot. Missie geslaagd voor Moran. One down, two to go.

Het was met enige argwaan dat we uitkeken naar het concert van Archie Shepp, die in 2010 nog een vermoeide en ongeïnspireerde indruk gaf op het hoofdpodium. Afwachten dus, wat de intussen 78-jarige saxofonist ervan zou bakken. En kijk, de man zorgde met zijn Attica Blues Big Band niet enkel voor een knetterende revanche, maar ook voor een van de meest intense en doorleefde performances die deze festivaleditie zal krijgen. En dat was ook nodig, want Attica Blues, het album uit 1972 waar dit concert aan opgehangen werd, was destijds ook al een statement dat met het nodige vuur en een schreeuwende verontwaardiging aan de man gebracht werd. En met (intussen) legendarisch volk als o.m. Clifford Thornton, Marion Brown, Dave Burrell, Leroy Jenkins en Jimmy Garrison. Het album verwees naar de gevangenisrellen die losbarstten na de moord op activist George Jackson en uiteindelijk aan meer dan veertig mensen het leven kostten.

Maar het kaderde natuurlijk ook in de bredere strijd van de burgerrechtenbeweging en binnen de jazz was Shepp ooit de meest gedreven woordvoerder daarvan, zoals nu ook werd bewezen met een monoloog die aan de muziek vooraf ging en meteen de link met vandaag legde: “Not much has changed, perhaps we are all prisoners.” Een deprimerende boodschap, maar daarom nog geen muzikale domper, want wat zich ontvouwde was een bruisend feest van soul, blues en R&B, met Shepp die er lustig op los toeterde en zong en de band gidste langs de belangrijkste stukken van Attica Blues en andere composities, langs rauwe kreten, pompende 70s thema’s en uit z’n voegen barstende soul. De grotendeels Franse band liet horen dat het wel degelijk mogelijk is om anno 2015 dergelijke muziek te spelen in Europa zonder meteen als een flauw afkooksel te klinken.

“Blues For Brother George Jackson” was met z’n epische energie meteen een vroeg hoogtepunt, maar daaraan zou het niet ontbreken in de slim opgebouwde set, die volgestouwd was met emotionele kopstoten (“The Cry Of The People”) memorabele interpretaties (Ellingtons “Come Sunday”) en deugddoende afwisseling. En dan was er natuurlijk ook de (eerste) komst van zangeres Cécile McLorin Salvant, die het publiek meteen voor zich won met “Steam” en dat later nog eens zou overdoen met “Deja Vu”. Je vroeg je af hoe meer dan duizend konten stil konden blijven zitten tijdens “Mama Too Tight”, waarin Shepp de dienst leidde als een volleerde hogepriester. Voor het titelnummer van zijn klassieker werd uiteindelijk alles nog eens uit de kast gehaald. Het was rauw en heet en vet, en een knap orgelpunt voor een set die zelfs voor een gedreven, jonge performer al een uitdaging zou zijn. We noemen hem vanaf nu terug Mr. Soul Power. Dit was uitstekende shit.

En dan, Sax Supreme, een ode van Joe Lovano en Chris Potter aan A Love Supreme, het meesterwerk van John Coltrane dat begin 1965 werd uitgebracht en dus vijftig jaar oud is. Natuurlijk kon je al op voorhand gaan verkondigen dat de twee nooit de magie van het origineel zouden kunnen recreëren (katsjing), maar het was op z’n minst wel interessant om te beluisteren hoe ze dat gingen aanpakken. En dat gebeurde door een integrale uitvoering van de vierdelige suite die ondanks de kloeke uitweidingen vooral getuigde van een immens respect. Op zich zegt het natuurlijk al genoeg als twee van de meest gelauwerde tenorsaxofonisten van de laatste kwarteeuw besluiten om geen al te gekke dingen uit te halen met een van de cruciale documenten van de jazz.

De structuur werd gevolgd, met ook op dezelfde plaatsen de solo’s (bassist Cecil McBee, lange tijd de rechterhand van Alice Coltrane, opende “Resolution”, terwijl drummer Jonathan Blake dat deed voor “Pursuance”) en een behoud van die overbekende thema’s. Het kwartet slaagde er trouwens goed in om de majestueuze sfeer en het sluimerende vuur van het origineel intact te houden. Ook al had Coltrane al een paar jaar afscheid genomen van de klassieke hardbop die hij nog maakte op Giant Steps, toch was A Love Supreme nog geen voorbeeld van de totale vrijheid die hij later nastreefde. Tot op de dag van vandaag blijft het een ongrijpbaar, persoonlijk statement, een spirituele queeste én een muzikale blik naar binnen. Uniek binnen de jazz en Coltrane’s oeuvre. Een plaat ook, waar relatief weinig muzikanten zich aan gewaagd hebben.

Dat Lovano en Potter het toch deden was mooi, al was het vooral ook een fijne aanleiding om te zien hoe de twee zich zouden verhouden. Dat de twee beschikken over een totaal andere klank – die van Lovano ronder en rokeriger, die van Potter scherper, met minder vibrato, en daardoor misschien wat dichter bij Coltrane – maakte het alleen maar interessanter. Het opvallende was dat de duur van A Love Supreme - amper 33 minuten – exact verdubbeld werd. Dat betekent dat er volop gesoleerd werd door alle betrokkenen. Stuk voor stuk deden ze dat met bravoure, en dan vooral Potter, die tijdens een heuse saxofoonwedstrijd in “Pursuance” volledig ontketend van leer trok, en drummer Blake, die toch iets te veel inzette op technische bravoure en bombast. Pianist Lawrence Fields liet dan weer een andere aanpak horen: gestroomlijnd en introverter, in de geest van Tyner, maar al net even indrukwekkend als zijn collega’s.

Het was een lang bravourestuk, even meeslepend als afmattend, maar je kon je moeilijk een betere ode voorstellen dan deze doorleefde en intense interpretatie. Een versie van Billy Eckstine’s “I Want To Talk ABout You” (in de late jaren vijftig al opgenomen door Coltrane en vaak live uitgevoerd) werd daarna iets te lang gerokken, maar dat werd dan weer gecompenseerd door een knappe “Mr. P.C.”, dat wat gezapiger klonk dan het origineel, misschien al omdat geen mens er nog aan wil denken om een van Coltrane’s meest fabuleuze solo’s te gaan recreëren. Het werd dan ook nog eens een prachtperformance van Fields, al stond het concert natuurlijk vooral in het teken van de tenorsax en de geest van Coltrane. Uitstekend slot voor een uitstekende dag.

Zaterdag 15 augustus 2015

Op de derde festivaldag ging het er heel wat lichtvoetiger aan toe. Geen ongrijpbare strategieën, geest van revolutie of spirituele queeste, maar feestelijke eerbetonen aan jazziconen Fats Waller (Jason Moran) en Louis Armstrong (Dr. John). Het werd ook de dag van de liedjes, oud en nieuw, weg van het terrein van de gerekte improvisaties. En ook de dag van de ongein, want deze keer viel er na het interview met Jason Moran door jazzexpert Ashley Kahn geen muziek meer te horen op de Club Stage. Met Die Verdammte Spielerei en het Broken Brass Ensemble werd de muziek teruggebracht naar waar ze oorspronkelijk vandaan komt: de straat (hier de weide). Dat zorgde tijdens het Duvel slurpen voor een uitbundige sfeer die goedgemutst de strijd aanbond met het tegenvallende weer en zorgde voor breed glimlachende koppen alom. Een mooie afwisseling.

Op het hoofdpodium aan het begin ook geen jazz, maar het soort rootsmuziek waarvoor heel wat jazzliefhebbers doorgaans adjectieven als ‘simpel’, ‘banaal’ of ‘boertig’ veil hebben. Geen idee wat het probleem precies is, maar blues is blijkbaar enkel cool en lovenswaardig als het komt van een arme zwarte en akoestisch opgenomen werd voor de jaren vijftig. Dat terwijl ook de elektrische variant die de kaart van het entertainment en het feest trekt best wel aanstekelijk kan zijn. Zoals bij Robin McKelle & The Flytones, een band die gaandeweg steeds meer opgeschoven is naar de blues en soul die zangeres McKelle op het lijf geschreven is. Haar krachtige keel, ergens op de kruising tussen Bonnie Raitt en BJ Scott, was een instrument met een imponerende consistentie, de band die ze mee had speelde al net zo zelfverzekerd.

Het ging wel allemaal volgens het boekje: The Flytones verschenen naar goede bluestraditie eerst op het podium om even van jetje te geven met een instrumental à la Booker T. & The MG’s, met daarin overtuigend spel van gitarist Al Street (ergens tussen Steve Cropper en de Texas blues van de Vaughan-broers) en toetsenist Ben Stivers. Wat volgde was een show die vakkundig opgebouwd werd en uitpakte met een warme, aanstekelijke energie. Het balladewerk was aan de gladde kant, maar de band liet funky solo’s horen, een stuwende energie, stekelig gitaarwerk en werd aangevoerd door een enthousiaste frontvrouw die er alles aan deed om de konten om vier uur in de namiddag de lucht in te krijgen. De vraag of ze het publiek mocht aanspreken in het Frans dan wel het Engels, kreeg het te verwachten, semivijandige antwoord (het blijft Antwerpen), maar halverwege het concert kwam het vuur stilaan aan de lont.

Als een frisse versie van “Don’t Let Me Be Misunderstood” de eerste aanzet was, dan ging alles – het dansen, de energie, het volume - daarna in stijgende lijn, met garagesoul die ei zo na herinnerde aan The Bellrays, en een obligate, maar overtuigende passage langs “Proud Mary” in de versie van Ike & Tina. De finale deed McKelle helemaal over de rooie gaan: ze zong, brulde en krijste, ging door de knieën als een vrouwelijke James Brown en liet het publiek uit haar hand eten. Het showelement werd gaandeweg een beetje too much, maar we konden niet anders dan respect opbrengen voor een band die zo hard werkte voor wat respons. Evergreen “Green Onions” bevestigde het vermoeden dat heel de tijd lag te sluimeren en met het einde, een uit z’n voegen barstende versie van Al Greens “Take Me To The River”, werd teruggekeerd naar het geliefde Memphis. Was dit jazz, laat staan vernieuwend? Bwa nee, maar we hebben ons wel geamuseerd met deze voorspelbare, maar met overtuiging gebrachte blues- en soulparade.

Zangeres Cécile McLorin Salvant was in 2013 al de geheimtip van Gent Jazz en kwam deze keer via de grote deur naar binnen gewiegd. Ze maakte al haar opwachting bij Archie Shepp en zou een dag later nog eens opduiken bij Dr. John, maar het was haar eigen soloconcert waarmee ze de harten van een halve festivalweide voor zich wist te winnen. Met haar (bijna) kale knikker, kleurrijke kleedjes en opvallende oorbellen heeft ze sowieso al een opvallende look, maar die eigenzinnige aanpak weet ze ook door te trekken tot in haar vocale performance. Die voelt vaak aan alsof ze voortdurend op de wip zit tussen drie rollen: die van sensuele verleidster, assertieve feministe en zwoele blues mama. Doordat ze slechts een klein combo mee had gebracht, dat bovendien volledig ten dienste stond van haar aanpak, kreeg ze de kans om meer dan een uur te schitteren.

Lichtvoetige swing, donkere blues, lome ballades en oerjazz zette ze naar haar hand met sprekend, zelfs verbluffend gemak. Ze kon in een vingerknip, een halve lettergreep, omslaan van het ene register naar het andere. Soms een beetje maniëristisch, maar gebracht met zo’n beheersing dat het toch steeds opnieuw respect afdwong. En in tegenstelling tot heel wat andere diva’s die opgeworpen worden als de lichtpunten of redding van de vocale jazz (hey Melody Gardot, hallo Stacey Kent), heeft McLorin Salvant geen gimmicks, dure shows of flauwe afkooksels nodig om een tent mee te krijgen. Integendeel: ze duikt resoluut en diep in de wortels van de jazz, brengt de oerblues van Bessie Smith en Ethel Waters tot leven en doet een veel betere Billie Holiday dan de jonge Madeleine Peyroux. McLorin Salvant is, met andere woorden, de buitenkans waar elke impresario op zit te wachten.

Haar “The Haunted House Blues” was even indringend als theatraal met die schelle uitschieters, en met een combinatie van Bessie Smith, Billie Holiday en Betty Boop zocht ze een stijl op waarmee ze zich moeiteloos onderscheidt van de concurrentie. En ze meteen het nakijken geeft. Dat belette niet dat de set na goed tweederde een beetje vermoeiend, sloom en eenvormig begon te worden, maar “Fine And Mellow” en een verrassende (en perfect in het Frans gearticuleerde versie!) van Barbara’s “Le mal de vivre” waren hoogtepunten die enkel nog voorbijgestoken werden door het bisnummer: een solo gebracht “You Ought To Be Ashamed”. Bijna negentig (!) jaar na Bessie Smiths versie nog altijd een veroordeling en verwensing die door merg en been ging. Geen perfect optreden, maar bij momenten zeer, zeer straf. McLorin Salvant gaat nog een rol van formaat spelen binnen de moderne vocale jazz.

Dan Jason Moran met zijn Fats Waller Dance Party. Meteen werd duidelijk wat een afstand er toch gaapt tussen Moran en de vorige artist in residence, Vijay Iyer. Is die laatste een virtuoos muzikant die zich in de frontlinie van jazz en moderne klassiek begeeft met een overduidelijk kennis van allerhande tradities, dan is Moran degene die de bagage nog een veel nadrukkelijker plaats geeft. Zoals hij in de namiddag, tijdens een interview met Ashley Kahn, al uit de doeken deed, was Fats Waller, de artiest aan wie hij zijn recentste project ophing, een artiest zoals we die nu niet meer kennen binnen de jazz. Een liedjesschrijver, pianist en componist, maar ook een entertainer, iemand die zijn publiek een goeie tijd wilde bezorgen en aan het lachen wilde brengen. Wat hem ook lukte met een zak composities die vaak tot de meest memorabele en herkenbare van de jazz behoren. Nogal een contrast met de droogstoppelmuziek die de jazz daarna vaak geworden is.

Moran weidde ook gul en welbespraakt uit over zijn grote held Thelonious Monk en hedendaagse kleppers als Kamasi Washington en Kendrick Lamar, dus het was uitkijken naar hoe hij de overtuigende mix van album All Rise naar het podium wist te vertalen. Door het inzetten van een hechte band zou het concert vast aan homogeniteit winnen. Of niet? Dat werd eigenlijk nooit echt duidelijk, omdat de vorm je voortdurend leek te ontglippen. De band maakte er daadwerkelijk een dansfeest van, gooide fusion, stride, soul, swing, free en zelfs hiphop in de blender, maar het resultaat leek deze keer wel een beetje focus te missen, vakkundig geholpen door een geluidsmix die aanvankelijk klonk als een brij en nooit helemaal opklaarde.

De prijsbeesten van Waller en All Rise werden al snel bovengehaald: “Yacht Club Swing”, met dat rappe, exotische riedeltje, kreeg meteen gezelschap van “Honeysuckle Rose”, dat baadde in een hiphopsaus, en de onwaarschijnlijke funk/stride-cocktail van “Ain’t Misbehavin’”. Moran wandelde lollig rond met een gigantische, papier maché Waller-kop op z’n schouders en danste er zelf op los, terwijl zangeres Lisa Harris met iets te veel vocaal geweld, hysterie en dansbevelen op de zenuwen ging werken en Ornette Colemans “Lonely Woman” en passant bij het feest betrokken werd. “Two Sleepy People”, met gecroonde zang van trompettist Leron Thomas, was even een rustpunt, maar daarna bepaalden latin vibes en uitbundige ritmes weer de koers, terwijl afgesloten werd met een eindeloos “Jitterbug Waltz”. Zoals beloofd werd het een dansfeest en het ontbrak Moran en co. zeker niet aan energie en inventiviteit, maar het werd eigenlijk vooral een what the fuck?-ervaring die enkele dagen later nog steeds zoekt naar wat coherentie en focus.

Een gebrek aan samenhang, dat zorgde er ook voor dat Dr. Johns album Ske-Da-De-Dat: The Spirit Of Satch in 2014 niet helemaal werd wat het had kunnen zijn. Het was een goede plaat, met vooral grondig vertimmerde versies van heel wat klassiekers/favorieten van Louis Armstrong, maar door de eindeloze gastenlijst klonk het ook versnipperd en van ongelijke kwaliteit. Dat werd door het inzetten van een band en een arrangeur (vaste muzikale director/tromboniste Sarah Morrow) alvast in goede banen geleid. En ook Dr. John gooide meteen kwistig met de klassiekers: het een-tweetje “What A Wonderful” en “Mack The Knife” legde meteen het fundament met een rollende en broeierige N’awlins vibe, aangedikt door een knappe blazerssectie die werd samengesteld door de Nederlandse altsaxofonist Benjamin Herman en met solotrompettist Bart Maris nog een bekend gezicht aan boord had.

Maris gaf trouwens nog maar eens een bewijs van zijn internationale klasse, want ondanks het feit dat hij ’s morgens pas voor het eerst kon spelen met de andere muzikanten, zorgde hij voor een hele reeks mooie momenten. Tijdens “I’ve Got The World On A String” mocht McLorin Salvant voor de derde keer het podium op, en meteen hoorde je het goedkeurende gemompel opstijgen. Haar broodje was gebakken. “Wrap Your Troubles In Dreams” werd vervolgens een slepende tegeldraaier met een hoofdrol voor de omfloerst spelende blazerssectie en drummer Herlin Riley, en werd iets later nog eens overtroffen met een mooi “Sometimes I Feel Like A Motherless Child” en “Nobody Knows The Trouble I’ve Seen”, opnieuw met een imponerende McLorin Salvant.

En Dr. John, die nochtans moeizaam het podium opgestapt kwam, leek zich best te amuseren, stelde het werk van zijn nieuwe trompettist duidelijk op prijs en baande zich gezapig een weg door de gulle set. Die klonk bij momenten te eenvormig, met wat te sterk de nadruk op mid-tempo grooves en ballades, maar kreeg niettemin een paar knappe injecties. “When You’re Smiling (The Whole World Smiles With You)” werd, net als de albumversie, een flukse opkikker, terwijl “When The Saints Go marching In” het feest compleet maakte. Het had ook allemaal wat compacter gemogen – een set van honderd minuten was echt wat veel van het goede -, maar wat zou je zitten klagen als zo’n klasse-act zich amuseert. Die afsluitende favoriet “Such A Night” van klassieker In The Right Place (1973) was bovendien een prachtige kers op de taart.

Zondag 16 augustus 2015

Zondag, de Dag des Heren, en dus werd een versnelling of twee lager geschakeld, met een paar bands die vooral inzetten op innig verstrengelde interactie en decibels die pasten bij koffie en gebak. Maar niet altijd op de Club Stage, die voorbehouden was voor het Pools-Noorse kwartet Obara International. We misten daarvan het slotconcert met complete line-up, maar pikten wel de drie sets mee die eraan vooraf gingen en al een prima indicatie gaven van de bagage en comfortzone van deze kerels. Allereerst pianist Dominik Wania, die de klus alleen klaarde op piano. Hij is dan ook het soort muzikant die het instrument te lijf gaat met een gretigheid en hevigheid die eigenlijk niet te veel begeleiding nodig heeft. Hoewel hij erbij liep als een techno-DJ, was Wania een immens bevlogen solist, die zich behendig een weg baande door gecomponeerd materiaal waarvoor hij zich liet inspireren door Gertrude Stein of leende bij Ravel. Elders werd er uitbundig op los geïmproviseerd, maar die resultaten klonken eigenlijk vergelijkbaar dramatisch, dynamisch en turbulent.

Donderende linkerhand, tumultueuze rechterhand en een intensiteit die zelden sporen van vermoeidheid toonde. Wania is duidelijk een ander soort muzikant dan pakweg Thomas Enhco die hier vorig jaar nog grote sier maakte. Het ziet er ook niet naar uit dat hij met zijn doorwrochte, moeilijke verteerbare spel snel een groot publiek gaat bereiken, maar wie graag iets heeft om de tanden op stuk te bijten en een zwak heeft voor de combinatie van uit hun voegen barstende folksongs en snelheidsrecords, die heeft bij deze een nieuwe uitdaging voorgeschoteld gekregen. Gelukkig was de duoset met drummer Gard Nilssen (eerder dit jaar nog in Antwerpen met Cortex) iets meer ingehouden. Wania speelde ineens een stuk beheerster, zodat Nilssen geduldig zijn materiaal kon laten zingen, ritselen en resoneren, wat leidde tot een subtiele, zelfs volkse trance.

Het klonk hecht, werd ook knap opgebouwd, bevatte verrassend melodieuze momenten en Nilssen deed er een knap strikje rond met pastorale en tribale accenten die gaandeweg aan intensiteit wonnen. Krachtig en kleurrijk zonder in te boeten aan elegantie. Twintig minuten vol klasse en een lekkere digestief na het sologeweld van Wania. Speelde het duo al een verrassend korte set, dan besloot bassist Ole Morten Vågan om er tien minuten te vroeg aan te beginnen, waardoor hij voor een zo goed als lege tent begon aan zijn percussieve ode aan de pas overleden Marokkaanse muzikant Mahmoud Gania. Later volgden ook nog vrije improvisatie, een groovy versie van John Scofields oudje “What Nogales?” en een stuk geïnspireerd door de muziek van John Cage. Het was muziek die te lijden had van het gewoel binnen en (vooral) buiten de tent, maar de bassist overtuigde met veelzijdigheid en klankkleur, met en zonder strijkstok.

Eerder die dag bevestigde Jason Moran niet alleen dat zijn concerten met de kleine line-ups het meest overtuigden, maar dat hij ook de ideale muziek voor een zondagmiddag in huis had. Samen met zijn echtgenote Alicia Hall Moran, een klassiek geschoolde sopraan, en gitarist Bill Frisell, speelde hij een elegante en toegankelijke set die voorzichtige stapjes richting avontuur zette, maar dat zonder te bruuskeren op het vroege uur. En opnieuw kreeg je bewijs dat er op het podium een paar muzikanten stonden die niet enkel verankerd zaten in het heden, maar ook een encyclopedische kennis hebben van de tradities die hen gevormd hebben. Ellington, Gershwin, de klassieke traditie, blues en folkballades werden gecombineerd in een echte set voor fijnproevers.

Ruimte stond daarbij centraal. Net zoals Hall Moran regelmatig even een stap opzij zette of gewoon even wegging, zo hadden ook Moran en Frisell geen grootse gebaren nodig om zachtjes in elkaar te haken. Frisell begeleidde fragiel, soms op fluisterniveau, en zorgde voor een dromerige, ingetogen aanvulling bij het al net zo ingetogen spel van Moran. Het had iets van schimmen die aarzelend, bedeesd rond elkaar wentelden, bang om te zorgen voor een breuk in het evenwicht. Maar soms verschenen er toch wat weerhaakjes, sloeg de muziek zachtjes aan het dansen, ging het de frivole kant op. En dat werd dan weer afgewisseld met indringende mantra’s met een haast ritualistische intensiteit. Ook hun versie van “Sometimes I Feel Like A Motherless Child” was er eentje om in te lijsten, net als die van “Oh Shenandoa”, waarmee ze teruggrepen naar de vroege Amerikaanse traditie in de negentiende eeuw. Bij het stukje Gershwin aan het einde kreeg de bombast wel even de bovenhand, maar al bij al was het ontwaken in klasse met deze drie.

De geduldige aanpak werd verder gezet door het Steve Kuhn Trio, met bassist Steve Swallow en drummer Joey Baron, een stel veteranen dat samen een indrukwekkende reeks geloofsbrieven kan voorleggen, maar op geen enkel moment de behoefte voelde om uit te pakken met grootspraak, volume of eigenwijze toestanden. Dit was oerklassieke jazz, zacht voor het gehoor en de zeden, gebracht door kleppers die dit soort dingen kunnen met de ogen dicht. Zo’n Joey Baron in je groep hebben, dat is zoiets als tomaten in je saus doen. Je kan nog zo hard je best doen om het naar de verdommenis te helpen, maar het blijft Baron, een muzikant die zo melodieus en fijnzinnig is, en dat dus ook zonder voortdurend naar zich toe te trekken, dat er altijd wel iets te beleven valt.

In de lijn van Wisteria, hun album van drie jaar geleden, werd het dan ook een echte brok luistermuziek, waarvoor wat comfortabele zeteltjes van pas gekomen waren. Zo was “Adagio” een stuk dat sierlijk dansend een zomerbries liet binnen waaien in de tent en klonk Swallows elektrische bas nog maar eens zo delicaat als een klassieke gitaar. De zeemzoete ballade “I Thought About You” werd gecombineerd met Mancini’s “Slow Hot Wind” en een catchy baslijn van Swallow, terwijl afsluiten gebeurde met een stel eigen composities - “Trance” en “Oceans In The Sky” – en een uitgebreide solo van Baron. Allemaal erg smaakvol, maar – en misschien zat onze opkomende festivalmoeheid (wij zijn ook maar mensen met jobs en te weinig nachtrust) er voor iets tussen – ook een beetje te kabbelend en gereserveerd. We wilden geen patékesjazz meer, maar iets met pit en iets met wat meer reliëf, maar daarvoor waren we even op de verkeerde plaats. Graag herkansing in een van de betere clubs.

Dan ging het er wel iets krachtiger aan toe (ook al duurde het even) bij het fameuze Italiaanse-Franse trio van Aldo Romano, Henri Texier en Louis Sclavis. De drie creëerden twintig jaar geleden al een van de klassiekers van de moderne Europese jazz met Carnet de Routes, een muzikaal verslag van hun gezamenlijke reizen door Afrika, en kwamen sindsdien op gezette tijden bij elkaar om platen op te nemen of concertrondes te doen. Het leidde lang geleden al tot een unieke, herkenbare sound, waarin de uitzonderlijke instrumentbeheersing van Sclavis (klarinet, basklarinet, sopraansax) mooi gecontrasteerd worden door de warme, soulvolle klank van Texier en het subtiel dansende spel van Romano, waarin vooral de zinderende cimbalen een hoofdrol te vervullen hebben. Dat, en de memorabele thema’s die kwistig rondgestrooid worden.

Geen mens die het trio trouwens ervan zou verdenken om Amerikaanse roots te hebben. Hoewel de drie vanzelfsprekende wortels hebben in de (vrije) jazz van de jaren zestig en zeventig, is de aanpak door en door hedendaags, wordt er nu en dan aangeleund bij de werelden van kamermuziek en heb je een verstrengeling van diverse Mediterrane invloeden, die op hun beurt ook nog eens samengebracht worden met uitlopers van die Afrikaanse avonturen. Het ene moment volks en direct, even erna weer mysterieus, een beetje badinerend of wat contemplatief. De manier waarop de muzikanten speelden met thema’s en improvisaties gebeurde zonder duidelijke tekenen van visuele of verbale communicatie (het publiek werd trouwens ook nooit aangesproken). Die periode hebben ze achter zich gelaten, waardoor ze intussen op instinct aanvullen en afwisselen, rondhangen in repetitieve zones met kloppende baslijnen, of net durven omslaan op onverwachte momenten.

Vooral Texier haalde een paar keer fors uit, door zijn snaren hardhandig aan te pakken, waardoor het haast ging lijken op een compacte portie grooverock. En even later leek het weer te gaan om een raadselachtigheid met wortels in het Midden-Oosten. Terwijl Sclavis een kreet liet ontsnappen en jachtige free energie najoeg, bleef Romano koppig met geluid schilderen, tot ineens werd overgeschakeld naar een marsritme dat het geheel een Tatisfeertje gaf. Een sterke performance, die net op het juiste ogenblik een adrenaline-injectie kreeg, toen Texier na een basklarinetsolo plots het vuur aan de lont stak met een ratelende baspassage. Opnieuw echte luistermuziek, maar met meer prikkeling en kleur dan het voorgaande concert. Terug wakker voor even.

En het was wel degelijk een geval van opkomende festivalvermoeidheid, want we begrepen eigenlijk niet zo veel van de eindeloze stroom laaiend enthousiaste reacties die we hoorden tijdens en na het concert van het Bill Frisell Trio. Toegegeven, het ging wel degelijk om een hecht trio, een echte band, die er ook bij stond als Neil Young & Crazy Horse: met de gezichten naar elkaar gericht, dicht bij elkaar, breed lachend, alert voor elk mogelijk signaal. En de muziek vloeide vanzelfsprekend uit de vingers, de ene evergreen werd aan de andere gebreid, waardoor de set aanvoelde als een lange medley, maar toch miste dit ook de pit, spanning en verbeelding die we eerder wel al hoorden bij Frisell. Twintig jaar geleden was hij de man die ons - met een droomkwartet met daarin ook Ron Miles, Eyvind Kang en Curtis Fowlkes - definitief op het pad van de moderne jazz zette. Dat gebeurde met mysterieuze muziek vol weerhaakjes en verborgen hoekjes die de verbeelding aanzwengelde. Dit was echter een onberispelijke nostalgietrip die technisch imponeerde, maar weinig stimuleerde.

Net als de duoset van Allen Toussaint en Marc Ribot enkele jaren geleden, was het een concert dat je kon beschouwen als een ononderbroken muziekquiz, een wedstrijdje Raad het plaatje. Frisell putte daarvoor uit zijn recentste album Guitar In The Space Age, waarop hij terugkeerde naar de gitaarsongs die zijn jeugd kleurden. Samen met elektrisch bassist Tony Sherr en meesterdrummer Kenny Wollesen, een van Zorns meest trouwe adjudanten, baande hij zich een weg door songs die vooral uit de jaren vijftig en zestig kwamen, uit de hoeken van pop, jazz, country, soundtracks en meer. Maar bijna altijd met een forse dosis twang, waardoor het soms iets had van een live-begeleiding bij een imaginaire western. Jazzklassieker “Laura”, “Moon River”, Bacharachs “What The World Needs Now”, etc. Even leek zelfs een bluesversie van “Wayfaring Stranger” te passeren.

Smaakvol en gemanierd dat dus wel, maar het duurde erg lang voor er wat kracht en korrel in kwam, en toen dat toch gebeurde, was het eigenlijk van korte duur. Idem voor het einde: zo’n combinatie van “Telstar” en het thema van “Bonanza” is best geinig en voor gitaristen is het ongetwijfeld erg fijn om na te gaan wat die Frisell nu precies uitvoert met dat instrument en die effecten, maar meer nog dan een gepast festivalslot, was dit eigenlijk vooral een gezapige rondje oldies zappen met nonkel Bill. Geinig, dat wel, maar bezwaarlijk levendig te noemen. We moeten er niet aan denken wat een vaag (!) vergelijkbare band als Dans Dans hier aan toe had kunnen voegen op die Club Stage.

Dat neemt echter niet weg dat Jazz Middelheim er opnieuw een goede editie op heeft zitten. Met minder verrassingen dan die van 2014 en een sterke nadruk op het verleden (of m.a.w. ook heel wat echte jazz), met kleurrijke eerbetonen en artiesten die nadrukkelijk graaiden in hun tradities, maar ook met een boeiende artist in residence (benieuwd wie dit gaat mogen opvolgen), en (opnieuw!) een paar Belgen die het mooie weer maakten (zo’n Fulco Ottervanger & co., die ga je niet hier kunnen houden). Nu al benieuwd naar 2016. Als nu nog iemand wat zon wil regelen, bedankt.

E-mailadres Afdrukken
 
Jazz Middelheim 2015

Uit ons archief
Banner

TEST