Banner

Gent Jazz 2015

(gp), (mb), (kvp), (jvs), (bw) - foto's: Geert Vandepoele - 12 juli 2015

Een editie van uitersten. Is de openingsdag op papier vermoedelijk goed voor een van de meest dwarse affiches die het festival ooit kende, dan is 2015 ook het jaar dat Lady Gaga en de genummerde zitplaatsen hun intrede maakten. De tent leek nog groter geworden (nu ook inclusief balkon), de omkadering nog luxueuzer en de catering nog uitgebreider (wereldkeuken: check!, koffiebar: check!, hippe broodjes: check!, Almdudler: check!). Je zou bijna vergeten dat er ook nog concerten te beleven vallen.

Het zal in de tweede week vermoedelijk niet zo’n gedoe opleveren, maar dat het terrein net achter de tent uitgebouwd was tot een groot openluchtcafé, compleet met planken vloer en leuntafeltjes, zal samen met de genummerde plaatsen, een systeem dat weinig steek hield tijdens de eerste twee dagen, vermoedelijk de meest verwenste beslissing van deze editie geweest zijn. Het onophoudelijke geroezemoes, de luidruchtige pret en explosieve lachsalvo’s drongen soms door tot ver in de tent. Behoorlijk gênant bij de soms introverte muziek en lage volumes. Misschien toch iets waar voor de volgende editie rekening mee gehouden kan worden. Maar we waren er dus voor de muziek:

Vrijdag 10 juli

In 2014 ging de prijs van Jong Jazztalent Gent naar Jan Daelman (fluit) en Thijs Troch (piano) van Keenroh, waarmee ze zich meteen verzekerden van een plaatsje op het hoofdpodium in 2015. Eind vorig jaar verscheen al een verrassend debuutalbum, gevuld met een resem compacte instant improvisaties die meteen aantoonden dat hokjesdenken niet aan de orde is. En intussen brouwt er nog vanalles in Keenrohland, met een trits nevenprojecten die voor de nodige uitdagingen zullen zorgen. Voor hun concert op Gent Jazz werd het duo uitgezet tot een kloek nonet - Keenroh XL -, met daarin drie rietblazers, euphonium (Michel Massot, meesterlijk invallend voor Niels Van Heertum), trompet (Bart Maris), elektrische bas (Laurens Smet) en drums (de alomtegenwoordige Teun Verbruggen). Voor de composities werd beroep gedaan op goed volk/leermeesters als Kris Defoort, Jozef Dumoulin, Ben Sluijs en Bo Van Der Werf.

alt

Je kon horen dat meerdere bronnen voor materiaal zorgden, maar dat zorgde net voor een fijn contrast tussen een aantal meer open en sobere stukken, die spontaan hun weg leken te zoeken, en een paar meer doorgecomponeerde bijdrages die meer in de diepte gingen. De ene keer gebeurde dat loom groovend, sober met hier en daar een zwalpende vertraging, en iets later met tricky timing en knappe lagenwerking, waardoor het regelmatig leek alsof er nog meer dan negen muzikanten op het podium stonden. Fanfareachtige passages, waarin handsignalen de orde bewaakten, werden gecombineerd met uitgepuurde drama’s (Trochs ‘Doel 4’ was een mooie).

Maar dan was er ineens ook Ben Sluijs’ “Miles Behind”, dat van start ging met het Keenroh duo en een trage aanloop, maar plots een injectie van orkestrale zwier kreeg, gezwind rotzooide in de jazztraditie, langs het universum van Bernard Herrmann scheerde en even zelfs herinnerde aan het Star Trek-thema. Een saxsolo kon vrijelijk verkennen, ondersteund door een levendig knallende blazersgroep en een hechte ritmesectie, die meer deden dan functioneel meejammen. “Merci aan Gent Jazz en Duvel”, waren de laatste woorden voor de band uitpakte met een bruisend slot, volgestouwd met denderende schwung, galopperende ritmes en een uitbundigheid die meteen een brede glimlach op je kop timmerde. Mission accomplished.

*

Voor wie luieren, bijpraten en rustig dineren geen opties waren, bood de Garden Stage, deze keer weggestopt in een gezellige tuin iets verderop, meer muziek. De eerste drie sets werden daar gespeeld door het kwartet van pianist David Virelles, een Cubaan die al te horen was aan de zijde van o.m. Steve Coleman, Chris Potter en Tomasz Stańko. Zijn bij ECM verschenen Mbókò was goed voor een eindeloze lijst lofbetuigingen en laat horen hoe de man er in slaagt om zijn subtiel ritmische en ritualistische jazz aan te vullen met geluiden uit zijn eigen traditie. Drummer Eric McPherson speelde met een aangehouden lichtheid, bassist Thomas Morgan bewaakte dat het nergens te zwaar werd en percussionist Román Díaz (een enkele keer op zang) zorgde ervoor dat het wat meer op het terrein tussen figuren als Rubén Gonzáles en Danilo Perez ging postvatten. Hypnotisch wentelend en soms met een donker randje. Het werd al even avond in de tuin.

*

De Canadese pianiste Kris Davis houdt de organisatie van Gent Jazz intussen al een paar jaar in de ban, en terecht. De naar New York uitgeweken artieste is een van de boeiendste vertegenwoordigers van de avant-garde jazz in die stad en maakte de voorbije jaren indruk met een handvol releases met wisselende bezettingen, maar ook met solomateriaal. Met het Kris Davis Infrasound Octet is ze intussen toe aan haar meest stoutmoedige project: een bezetting met daarin maar liefst vier basklarinettisten (waaronder Joachim Badenhorst), orgel, gitaar en drums. Orgelist Gary Versace, die op het album speelde, werd nu vervangen door Antoine Rayon, en Jim Black door Tom Rainey. Dat betekent misschien wat minder geweld, maar vermoedelijk ook meer poëzie, want Rainey is een van de meest intuïtieve speelpartners van Davis en een muzikant die z’n instrument kan laten zingen als geen ander.

alt

Zoals verwacht werd het een behoorlijk vreemde ervaring om deze muziek uitgevoerd te horen op het kolossale podium (en, helaas, een pover gevulde tent). Niet dat de band zich daar aan stoorde, want vanaf “Always Leave Them (Wanting More)” werd in een eigenzinnige wereld gedoken. Eerst met ritselende en botsende droommuziek met bliepend en zoemend orgel en energiek geborstel van Rainey, daarna ook met een onheilspellend brommende blazerssectie. Muziek met merkwaardige stekels en op de loer liggende verrassingen, voortdurend doorkruist door grommende en huilende klarinetten en met invloeden uit de moderne gecomponeerde muziek én bonkige rock. “Save Your Breath”, de minimale titeltrack van Davis’ recentste album, zorgde voor wat stroop rond de mond, “The Ghost of Your Previous Fuckup” was vervolgens de gemene rechtse met blatende en gierende klarinetten.

Davis moest het zelf regelmatig ontgelden bij al dat geweld, maar kon ook een keer indruk maken in een duoconversatie met Rainey, liet meer ademruimte vallen in “Union Forever” en trad even naar voor als dirigent voor de aanzet van “Jumping Over Your Shadow”, dat een laatste kronkelende trance op poten zette. Na het concert sprak MC Mark Lefever van een “klankmassage voor geest en lichaam”. Vermoedelijk voor dat eerste. Het was erg straf, zelfs een beetje surreëel, om deze muziek van dit podium te horen gulpen, maar de beperkte aandacht was dan ook navenant. Het is muziek die eigenlijk in de clubs thuishoort, maar je kan het de organisatie moeilijk kwalijk nemen dat ze het publiek ook al eens wil trakteren op spul waarvoor een extra inspanning geleverd moet worden.

*

Al was dat eigenlijk de leuze van de dag, want het nemen van risico’s en over de muurtjes gluren was de rode draad van het dagprogramma. En weinig artiesten zijn in die experimentele flank van de jazz zo bepalend gewezen als de muzikanten die zich exact een halve eeuw geleden vanuit Chicago verzamelden als de AACM (Association for the Advancement Of Creative Musicians), waarvan een paar kopstukken op het podium belandden. Eerder dit jaar bracht Jack DeJohnette met Roscoe Mitchell, Muhal Richard Abrams, Henry Threadgill en Larry Gray het uitstekende Made In Chicago uit, een opname uit 2013 die liet horen dat er eigenlijk nog altijd geen sleet zat op de ideeën en het samenspel van de kleppers. Het was dus uitkijken naar dit potentieel legendarische concert.

alt

Alhoewel. Legendarisch werd het nooit. Kreeg je op Made In Chicago een bonte combinatie van minimalisme, trance, kamermuziek en grillige impro die in dynamische rondjes rond de jazz cirkelde, dan was dit een performance met een veel nauwere (en taaiere) focus. Dat de band het moest stellen zonder Henry Threadgill, had natuurlijk ook z’n impact, want de combinatie met Mitchell zorgt steeds voor variatie en klankkleur. Die Mitchell zorgde nu zelf voor een opgemerkte bijdrage met erg grillige solo’s die minutenlang haast autistisch bleven variëren op roterende motieven. In combinatie met de eigenzinnige aanpak van het kwartet, waarin ruimte nog altijd een centrale rol blijft spelen, leidde het tot een set die geen duimbreed toegaf en stug z’n zin deed, eentje van de soort die wat naïeve luisteraars zou doen vragen wanneer het nu eigenlijk ging beginnen.

De aanloop was lang, te lang zelfs, maar na die schuifelende start kregen het soms naar de klassiek neigende ivoorgedwarrel van Abrams en de dwingende baspuls van Gray plots een sterkere focus en werd even voorzichtig langs een groove gedraaid. Nochtans was dat niet echt de verdienste van DeJohnette, die een stuk minder inventief klonk dat op het recente album en een teleurstellende solo neerzette. Als er een muzikant was individueel het meest overtuigde, dan was het eigenlijk Gray, die het boeltje efficiënt begeleidde en de lijm was die deze hermetische performance bij elkaar hield. Een kolos van vijftig minuten, een korter stuk van een minuut of tien dat de grenzen tussen jazz, klassiek en impro deed vervagen, en dan nog de obligate, wat overbodige bisronde, die gespeeld werd voor een tent die intussen amper voor een kwart gevuld was en overstemd werd door glazengerinkel en “eddegijdiebroodjesalgeproeft?”. Eerder fascinerend dan memorabel.

*

Dan het (vermoedelijk) meest verdeling zaaiende concert van de dag: Bill Laswell presents The Master Musicians Of Jajouka (feat. Bachir Attar) with Material. Voor de ene een triomf van de exotische rock-‘n-rolltrance, voor de ander een door overstuurde bas gedomineerde ramp die alle subtiliteit overboord gooide. Met zo’n kerel als Bill Laswell aan boord weet je natuurlijk op voorhand dat je niet getrakteerd zal worden op een jazzke. Een paar jaar na een fantastisch concert met John Zorn en Milford Graves op Jazz Middelheim stond hij er met een project van een heel ander kaliber, nl. met de Marokkaanse Master Musicians Of Jajouka, bewaarders van een eeuwenoude traditie van sufi-muziek. Het is een trots geslacht dat in de jaren zestig ontdekt werd door een generatie rockers die naar andere continenten lokte, op handen gedragen werd door een paar vertegenwoordigers van de Beat Generation die tijdelijk verkasten naar Noord-Afrika (Paul Bowles, William Burroughs,…) en eens in de zoveel jaar opduikt aan de zijde van rock- en/of jazzmuzikanten. En vorig jaar naar verluidt nog goed voor een totale trance in de Vooruit.

alt

Het vijfkoppige gezelschap met z’n traditionele instrumenten kwam eerst het podium op, maar kreeg al snel gezelschap van monsterdrummer Hamid Drake (de vleesgeworden groove), percussionist Aiyb Dieng, trompettist Graham Haynes, saxofonist Peter Apfelbaum en pokerface Laswell, die meteen zorgde voor de dubby grooves waar hij vermaard voor is. Laswell & co. hadden hun eigen geluidsman meegebracht en die had duidelijk de instructies gekregen om de groove op de voorgrond te zetten, waardoor er voor het eerst vette bassen, vaak bewerkt met die typisch ambient-achtige effecten, door de speakers van het festival rolden. Best wel potig, maar natuurlijk vooral mikkend op de onderbuik. En het werkte, want samen met de volksmuziek van de Master Musicians leidde het snel tot een hypnotiserende massa van geluid, die doorkruist werd door scheurende sax en de onder effecten bedolven trompet van Haynes (die steeds meer op wijlen Bill Dixon lijkt).

Het draaide hier vooral om de trance en het collectief, iets waar jazzliefhebbers het wel eens moeilijk mee hebben. En dan ben je met zo’n Hamid Drake natuurlijk aan het juiste adres, zeker toen Laswells bas plots het bekende thema van Ornette Colemans “Theme From A Symphony” uit Dancing In Your Head introduceerde. Geen toeval, want de Master Musicians waren er in 1977 ook al bij en zouden nog een paar keer opduiken bij Coleman, o.m. ook voor de soundtrack van The Naked Lunch. Leider Bachir Attar speelde onlangs zelfs op diens begrafenis. Het werkte alleszins aanstekelijk, want het bescheiden opgedaagde publiek leek zich alsmaar meer richting podium te begeven om daar te dansen, misschien in de tevergeefse hoop dat het feestje zou doorgaan tot het ochtendgloren.

*

Maar dan zou je het concert van de dag gemist hebben, dat plaatsvond op de Garden Stage. Het trio Reijseger / Fraanje / Sylla heeft met twee albums en een paar concertreeksen al een knoert van een reputatie bij elkaar gespeeld. Die komt er natuurlijk niet zomaar, want het zijn stuk voor stuk uitstekende muzikanten met uitgesproken persoonlijkheden, die daarvoor ook al samenwerkten, o.m. voor een paar soundtracks voor Werner Herzorg. Het was even bang afwachten of die combinatie van kamermuziek, jazz/impro en Afrikaanse invloeden ook op het kleine podium zou werken. Een onterechte vrees. De mooi afgeschermde locatie bleek zelfs een ideale locatie voor het intieme spel van het trio en al snel kregen ze het publiek in de ban met een set die humor, schoonheid en emotie uitwasemde in gelijke delen.

alt

Harmen Fraanje speelde zoals gewoonlijk sober en secuur aan de piano, met hier en daar een bedwelmende uitweiding, zanger/multi-instrumentalist Mola Sylla deed het met duimpiano, een Afrikaans snaarinstrument en rinkelende percussie, en Reijseger toonde zich opnieuw een meesterlijk virtuoos op de cello, die hij zowel met vingers en stok bespeelt en regelmatig op schot legt als een (bas-)gitaar. Hier en daar was er ook wat samenzang (“Bakou”) of een aanstekelijk folkmotiefje, maar het mooist is de muziek als het trio een filmische stijl opzoekt die vol gestoken wordt met repetitieve figuren, de fladderende cello van Reijsger en Sylla, die diep in emotionele reserves tast, zoals in “Badola”, een eerste krop-in-de-keel-moment. Maar de band bespeelde het publiek meesterlijk, met een combinatie van opzwepende dynamiek, komieke momenten (Reijseger die scattend de klankkast van de cello bespeelde) en een verhalende aanpak, met een intense performance van Sylla.

Het trio pikte songs uit het recente Count Till Zen en voorganger Down Deep, waarvan twee songs behoorden tot de absolute hoogtepunten. “Elena”, drijvend op een eenvoudig cellomotief en Reijsegers fragiele zang, ging recht naar het hart en werd enkel nog overklast door het “Amerigo”, met iele cello-effecten, het in gedachten verzonken spel van Fraanje en de ratelende en rammelende percussie van de rondwandelende Sylla die, net als je het niet meer verwachtte, vlak naast de pianobuik uitbarstte in een ontzette schreeuw die door merg en been ging. Na al het voorgaande was dit best wel een verademing: licht, lyrisch, met een meesterlijke samenhang. De gedroomde afsluiter van een boeiende dag.



E-mailadres Afdrukken
 
Gent Jazz 2015

Uit ons archief
Banner

TEST