Banner

Ragini Trio + BB&C

18 februari 2014, Handelsbeurs

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 19 februari 2014

Het minste dat je kon zeggen van deze combinatie, is dat je gedwongen werd om een andere luisterhouding aan te nemen. Voor sommigen was dat duidelijk wat veel gevraagd (en dat viel wel te begrijpen), maar wie doorzette kreeg een mooie avond gepresenteerd met radicaal verschillende vormen van avontuur.

Het Ragini Trio is intussen bezig aan een tournee die kadert in de JazzLab Series en dat viel eraan te horen. Het trio Nathan Daems (sopraan- en tenorsax), Marco Bardoscia (contrabas) en Lander Gyselinck (drums) speelde vloeiend, zelfzeker en met een grijns die je vooral te zien krijgt bij muzikanten die beseffen dat ze het allemaal onder controle hebben. Ondersteund door de onzichtbare vierde man, ‘het bakske’ dat een tampura-drone voortbracht, doken de drie vanuit de jazz in de Indische traditie. Die beweging is niet nieuw binnen de jazz -- John Coltrane deed het al in de jaren zestig (en Alice nog intensiever in de jaren zeventig) en in eigen land doet Manuel iets vergelijkbaars met zijn rajazz --, maar werd hier wel behoorlijk straf uitgevoerd. Daems & co. gaan immers verder dan het oppervlakkig integreren van wat exotisch klinkende melodieën en toonladders. Vooral bij Daems valt dat op, door het gebruiken van een articulatie, een verbuigen van de noten, die de melodieën meteen die glibberige, frivole kwaliteit van de Indische muziek gaven.

Die melodieën kregen daardoor die wat jammerende klank, zowel op sopraan als op tenor, waardoor je prompt een paar duizend kilometer verder neergeplant werd. Het zorgde er ook voor dat de ritmesectie regelmatig een groove kon neerleggen die ondanks dat voortdurende in beweging blijven best wel een aardig trance-effect voortbracht. Bardoscia’s rol viel ook wel wat te vergelijken met die van Manolo Cabras bij Hermia, met potige baslijnen, hier en daar een paar vingervlugge solomomenten, maar vooral franjeloos spel met veel soul. Gyselinck ontpopte zich dan weer tot een drummer met een intuïtieve stijl die als weinig anderen rond een ritme weet te dansen en uitpakt met een behoorlijk imponerende klankkleur en vrije verpakte strakheid.

De composities werden stuk voor stuk aardig gerekt, maar je kreeg nergens het gevoel dat het trio aan navelstaren deed. Solo’s wisselden elkaar vloeiend af, er werd prompt ingepikt op aangereikte ideeën en stokjes werden mooi doorgegeven. De muziek bleef organisch en sensueel klinken, nu eens met een verleidelijke draaiing in de heupen, en iets later weer opgejut en feestelijk, verwant aan tradities uit de Balkan, het Midden-Oosten of Noord-Afrika. De muziek klonk dan ook niet specifiek als een ode aan de Indische muziek, maar kreeg een exotisch randje dat er verbazend goed inging. Je zag de hoofden her en der op en neer gaan en hier en daar werden zelfs bilspieren losgegooid op de stoelen. Dat kon moeilijk anders: het samenspel was zelden minder dan warm en aanstekelijk en de band wist binnen die afgelijnde parameters vijftig minuten lang op hoog niveau te spelen. De enthousiaste reactie van het publiek sprak boekdelen.

Dat BB&C hier en daar voor wat moeilijke reacties ging zorgen, was te voorspellen. Het duurde dan ook niet lang voor de eerste luisteraars afdropen. Geen abnormale reactie, want hoewel je in het geval van Tim Berne, Jim Black en Nels Cline te maken hebt met kleppers die binnen de avontuurlijke jazz en vrije improvisatie de nodige geloofsbrieven kunnen voorleggen, blijven het ook experimenterende artiesten voor wie terugvallen op zekerheden en makkelijk haalbare kaarten geen optie is. Hoewel de muzikanten elkaar al jarenlang kennen, speelden ze samen nog maar een paar concerten. Snel werd echter duidelijk dat het gebrek aan oefening als trio ingevuld werd met muzikaal meesterschap en een intuïtie die het drietal langs onvoorspelbare routes voerde.

Tim Berne is nooit zo bekend geworden als die andere New Yorkse altsaxofonist die furore begon te maken vanaf begin jaren tachtig (John Zorn), maar zijn status binnen de moderne jazz is wel enorm en in sterke mate te danken aan de consequente visie van zijn oeuvre. Of het nu gaat om bands en albums die resoluut in de vrije improvisatie te situeren zijn, of werken waarvoor hij duidelijker als componist naar voren trad: Berne blijft herkenbaar door z’n ongrijpbaarheid en unieke stijl, zelfs op de recent verschenen albums op ECM, die een iets gestroomlijnder gedaante tonen. Solo’s hebben vaak een hypnotiserend karakter, maar leggen toch wegen af die onnavolgbaar lijken, soms uitblinken in Scandinavische puurheid, maar net zo goed kronkelen onder het gewicht van aparte speeltechnieken of eigenzinnige architectuur. Daardoor lijkt het soms alsof hij zo erg in zijn eigen wereld verzonken is dat wat hij doet volledig losstaat van wat zijn collega’s doen.

Cline kon daarbij vaak optreden als de wild card, naar believen spelend met ritmische of compleet ontregelde inkleuring en die meteen herkenbare effecten. Het was een voortdurend verschuivend geheel van gierende, krakende en stotterende effecten, die nu eens een geheel eigen leven leken te leidden, maar soms ook in een handomslag verstrengeld werden rond de piekende uithalen van Berne. Door het gebruik van golvende effecten voerde Cline het trio even naar een minimalistische zone met een soundscape-sfeer, maar even later kwamen er weer potige, gerafelde grooves aan te pas met een onmiskenbare New York-stempel en leek het alsof je in een underground club zat waar Arto Lindsay en Elliott Sharp grote sier maken met dissonante skronk.

Al die tijd toonde Black wat een veelzijdig muzikant hij is, met zowel het vermogen om impressionistisch in de weer te zijn met genuanceerd spel op de cimbalen, maar nog vaker een potig gedonder met een soms intense furie, alsof hij de zone tussen Ronald Shannon Jackson en Calvin Weston wilde afbakenen: vrij, soms bijna funky, maar vaak met een ingebouwde metronoom. Met de elektronica erbij, die nu eens zorgde voor logge bassen en dan weer voor ontregelde bleeps, kreeg het geheel al helemaal een aura van grootstadmuziek: donker, jachtig, bezwerend en soms behoorlijk wild. In de loop van het koortsige uur bleef de spanning niet altijd even tastbaar en er waren een paar momenten waarop de ideeën plots dreigden te gaan verdampen, maar elke keer opnieuw kreeg je een terugkeer naar een eigenzinnig universum waarin de pieken soms met verbluffend gemak tot stand kwamen. Niet perfect, maar daar valt met zo’n aanpak soms niet aan te ontkomen. En trouwens: wie wil dát nu nog, perfectie?

Het Ragini Trio heeft nog zes concerten te gaan. Klik HIER voor meer info.

E-mailadres Afdrukken