Banner

Follow The Sound 40 Years

14 augustus 2013, Zuiderpershuis

Guy Peters - foto's: Joris Vanden Broeck - 15 augustus 2013

Amper zes dagen voor het zou plaatsvinden, werd het persbericht over 40 jaar Follow The Sound de wereld ingestuurd. Het festival kreeg na de laatste subsidieronde te horen dat er geen geld meer weggelegd was voor dit soort muziek, al kon het op het laatste moment nog een kleine projectondersteuning en steun van de Stad Antwerpen uit de brand slepen. Die werd gebruikt voor deze ‘kamikazeconcertdag’, toepasselijk georganiseerd aan de vooravond van Jazz Middelheim en goed voor een evenement waarbij de meeste opvattingen over muziek op losse schroeven gezet worden. Al lijkt het onwaarschijnlijk dat de commissie muziek er oren naar had.

Het was met de nodige bitterheid en harde vegen uit de pan naar de betrokken commissie dat artistiek leider Rob Leurentop de vroegste bezoekers verwelkomde. Meerdere keren zou hij het 'wereldvreemde' advies van de bevoegde instantie hekelen (gelukkig even spitant als wrang). Zo'n gebrek aan subsidie doet alleszins pijn voor een festival dat in 1973 opgericht werd door een werkgroep die zich afscheidde van het toen op Amerika gerichte Jazz Middelheim en sindsdien een platform biedt aan avontuurlijke uitspattingen. Sinds 2005 gebeurt dat onder de naam Follow The Sound en groeide het festival uit tot een vergaarbak van allerhande nieuwe muziek, met improvisatie doorgaans als rode draad.

Het programma dat in zeven haasten en met de hulp van enkele betrokken muzikanten samengesteld werd, bood eigenlijk best een mooie dwarsdoorsnede van wat er zoal te beleven valt in die voor velen onbekende wereld, met zowel het gebruik van elektronica als het opduiken van de ‘ouderwetse’ no nonsense improvisatie. De affiche oogde ook internationaal. Hier geen navelstaarderig gedoe of Amerikaanse parade, maar muzikanten (weliswaar geen vrouwen) uit acht verschillende landen. En vijf concerten met een geheel eigen sfeer en geluid.

Met recente albumtitels als Some Kubricks Of Blood (2009) en Out To Lynch (2012) wordt het snel duidelijk waar het Kalle Kalima & K-18 om te doen is: filmmuziek. De K-18 is trouwens de Finse term voor ons label ‘kinderen niet toegelaten’. Die filmmuziek moet dan wel niet ingevuld worden als een soundtrack, evenmin met uitvoeringen van bvb. Badalamenti-composities. Kalima & co. maakten muziek die geïnspireerd werd door de films van de befaamde cineasten, en gingen er creatief mee aan de slag. Maar ook zonder die duidelijke verwijzingen (er viel geen “Twin Peaks Theme” te bespeuren, dat zou te voorspelbaar zijn) waren de composities mysterieus en grillig, voortdurend in de weer tussen ontregeling en collectieve punch.

Titels als “Bob”, “Laura Palmer”, “Agent Cooper” en “Frank Booth” spraken voor zich. Het was ook mooi dat de vier er geen muzikale freak show van maakten. OK, er werd wel gerotzooid met kleerhangers en wasknijpers, er werd een emmer in stukken gestampt en Mikko Innnanen ging even een rondje wandelen met z’n baritonsax, maar je kreeg ook een band te horen met een originele sound. Kalima zocht het terrein op tussen Frisell en Frith, nu eens in de weer met volumepedaal en vaag pastorale insteek, en dan weer abstracter, terwijl vooral de aanwezigheid van Veli Kujala (op een zelfgebouwde ‘kwarttoonaccordeon’) voor het unieke geluid zorgde.

Kujala gaf de muziek regelmatig een drone-achtig karakter en samen met de slidegitaar van Kalima kreeg het een ongemakkelijke, zelfs onheilspellende sfeer. Zo was er ook een compositie waar voortdurend gespeeld werd met densiteit die haast intens uit z’n voegen barstte. In “Agent Cooper” werd een haast serene aanzet, die iets had van het recente werk van onze eigen Ruben Machtelinckx, dan weer gecontrasteerd met baritongeprot en -gebrom. Het optreden begon naar het einde een beetje van z’n spankracht te verliezen, maar die eigenzinnige aanpak tussen kamermuziek, vrije improvisatie en nieuwe muziek zorgde in combinatie met de nodige zelfrelativering voor een prima opener.

André Goudbeek, die er in 1973 al bij was, bracht eerst een oprecht eresaluut aan Mike Zinzen, de zopas overleden pionier van de Vlaamse jazz. Wie verwachtte dat hij daarna een rustig setje zou blazen kreeg meteen lik op stuk, want samen met bassist Peter Jacquemyn en drummer Mark Sanders werd er aardig van leer getrokken in een opener van goed twintig minuten die bij momenten behoorlijk explosief klonk. Dat kan ook moeilijk anders als je zo’n krachtpatser als Jacquemyn in de rangen hebt, een muzikant die trekt aan de snaren alsof het slappe elastiekjes zijn, die ze met de strijkstok bewerkt tot ze lijken af te knappen. Samen met Sanders krijg je dan een grappig Mini & Maxi-effect, maar de korte gestalte van de ingetogen Brit bedriegt, want hij is een van de meest complete drummers van de geïmproviseerde muziek.

Hij is ook, net als z’n landgenoot Steve Noble, bedreven in de meest uiteenlopende varianten van de vrije muziek. Zoekt hij het aan de zijde van de fenomenale rietblazer John Butcher vooral in het spelen met texturen en een onderzoek naar akoestische mogelijkheden, dan weet hij die controle over klankkleur ook in te zetten in woeliger spel. Hij is voortdurend in de weer met stokken, blokken, schaaltjes en cimbaaltjes, verkent het complete drumstel, inclusief de zijkanten van de toms, maar het gebeurt allemaal zo organisch, het vloeit allemaal zo lekker, dat het een soort van trance-effect krijgt. Een mooi contrast ook met het altsaxgejammer van Goudbeek, die een aanpak van korte flarden leek te hanteren, iets dat het samenspel voortdurend een stekelige nervositeit verleende.

De show werd echter gestolen door de ritmesectie, die erg goed op elkaar ingespeeld leek en samen een heftig stukje ritmisch in elkaar haken lieten horen. Het tweede lange stuk vertrok vanuit rustiger regionen, met de gestreken bas en keelzang van Jaquemyn. Gaandeweg nam de energie weer toe en kreeg de muziek een meer fysieke impact, maar gratuit en inhoudsloos werd het nooit. Solosecties vloeiden naadloos in elkaar over en als er werd gepiekt, dan gebeurde dat met een smeulende intensiteit. Een uitstekend concert, misschien wel het hoogtepunt van de dag.

Tijdens de FTS-editie van 2011 zorgde Joachim Badenhorst met C. Spencer Yeh en Toma Gouband voor een van de meest opmerkelijke concerten. Je krijgt dan ook niet zo vaak concerten te zien waarin wordt gemusiceerd en geïmponeerd met stenen en een struik. Deze keer stond de rietblazer er opnieuw met een trio, met daarin de Franse gitarist Noël Akchoté en de Amerikaanse tubaspeler Dan Peck, die ook te horen is op het recent verschenen album van het Nate Woolety Sextet en morgen op Jazz Middelheim staat in het kwintet van Anthony Braxton. Badenhorst kent hij ook van Tony Malaby’s Novela. Dat was dus een combinatie die vermoedelijk zou werken, ook al was het even onduidelijk welke rol Peck precies zou spelen.

Aanvankelijk ging de tubaspeler zeer subtiel te werk, met amper hoorbaar geruis, een klankpalet dat hij later met volume- en effectpedaal zou uitbreiden tot diep geronk en een pulserende misthoorn die het geheel in een trance zou brengen. Badenhorst was intussen bezig om het register van zijn klarinet en basklarinet uit de doeken te doen. De aanpak was hier ook eerder gefragmenteerd, gebracht in blokken, slingerend tussen gekwetst gepiep, ronkend geblaat en schrille uithalen. Later zou het er nog een stuk ongebruikelijker aan toe gaan, met een waterleidingsdarm in de klarinet, die even later bespeeld werd zonder mondstuk. Of hoe het instrument even centraal staat als het geluid dat ermee voortgebracht wordt.

Akchoté leek intussen wat verzonken in z’n eigen droomwereld. Hij bespeelde z’n Gibson SG voorzichtig, soms met de abstractie van Ducret, maar dan zonder diens volumepedaal, en dan weer flirtend met drone-terrein. Het was een intrigerend samengaan van klankkleuren en ideeën, al kwamen die niet altijd even coherent uit de verf en was de link met de blazers soms diffuus. Lyriek en melodieën werden soms gesuggereerd in een paar meer traditioneel klinkende passages, maar het zou misschien goed geweest zijn om die elementen wat meer te laten bloeien. Kreeg het concert met Spencer Yeh en Toma Gouband geleidelijk een cumulatieve sterkte, dan bleef die nu een beetje achterwege, waardoor het moeilijker was om er als luisteraar grip op te krijgen.

Met Mikrokolektyw (trompettist Artur Majewski en drummer Kuba Suchar) had de organisatie een duo uit de frontrangen van de Poolse improvisatie in huis gehaald. De twee waren niet zo lang geleden de eerste niet-Amerikaanse act die een album uitbracht op het Delmark-label, dat vooral de avant-garde jazz van Chicago op de kaart zette. Het meest voor de hand liggende referentiepunt komt ook van die stad: het Chicago Underground Duo van Rob Mazurek en Chad Taylor. Net als die twee verenigen Majewski en Suchar de vrije improvisatie met elektronica die soms fungeert als een vage achtergrond of brommende ondergrond, maar regelmatig ook het voortouw neemt en het verdere verloop bepaalt.

Aanvankelijk is Suchars drumstel weggestopt onder een deken en wordt gestart met een zoemende drone, die al snel vergezeld word van klanken à la Ikue Mori: gedruppel, geknetter, vervormde field recordings. Het heeft door de effecten op de trompet iets vaag etherisch en repetitiefs, maar ook iets ritualistisch. Majewski is een imposante verschijning, en het is mooi om te zien hoe hij steeds vooruit en achteruit loopt richting micro, maar het is drummer Suchar die misschien het meest bepalend is voor het geluid van het duo, met vaak schijnbaar rudimentaire patronen die door hun grotdroge ritmiek of het gebruik van cyclische patronen op schaaltjes, een onweerstaanbare groove krijgen.

Door het gebruik van bricolage-elektronica en een percussief aangewende megafoon dreigt het stel de gimmicktoer op te gaan, maar dat wordt voortijdig de kop ingedrukt. De trancemomenten domineren, de afwisseling van drumpatronen is knap en Majewksi klinkt ondanks enkele ongenoegens over het geluid erg goed, al kan het niet voorkomen dat het duo voor het einde van z’n zestig minuten durende set door z’n ideeën lijkt te zitten en het laatste kwartier wat in rondjes draait.

Dat is ook een beetje het geval in het uur van Mats Gustafsson en Thurston Moore. Op het recent verschenen Play Some Fucking Stooges blijft het allemaal compact: een goeie twintig minuten geïmproviseerde noise die voorbij is voor je je vragen gaat stellen over wat er gaande is. De aanpak van de Zweed is tijdens het concert grotendeels vergelijkbaar – beginnen op bariton, spelen met knopjes in het middenluik, eindigen op bariton -, maar wordt uitgebreid. Zo worden de secties allemaal wat gerekt en komt er zelfs een (zeldzame) sopraansax aan te pas, een instrument waarop Gustafsson het veel minder in de extreme regionen zoekt.

In tegenstelling tot de als vanouds heen en weer wiegende saxofonist, blijft Moore op een stoel zitten, doorgaans in de weer met een schroevendraaier (?) die als een vijl wordt gebruikt om te wrijven en schrapen over de snaren, terwijl de whammy bar voor rinkelende en jankende effecten zorgt. Als Gustafsson in stoombootmodus is, dan is het vooral de contrastwerking die telt, maar wanneer de hij overschakelt op het hoge register, dan lopen de twee dichter naast elkaar, met schrille, haast hysterische uitschieters. Ook de machinegeweeruithalen van Moore werken erg goed. Toch blijft de explosie uit: is het volume te laag of miste de set de compacte razernij? Of moet je überhaupt een explosie verwachten?

Feit is ook dat Gustafsson als knopjesdraaier niet hetzelfde bereid kan of wil aanspreken. Het draait dan om dreigend gebrom dat het vooral van volume en versmachtende impact moet hebben. Die is er wel, maar grijpt je niet helemaal bij de lurven, waardoor het middenstuk ook te lang aansleept. Het leunt sterk aan bij de minimalistsiche traditie en bereikt enkel een zeer lawaaierige piek als sopraansax en gitaar even samen de waanzin opzoeken. Na een tweede passage achter de knopjes keert Gustafsson terug naar de baritonsax, terwijl Moore rinkelend met drumstokken het stuk uitgeleide doet.

Vijf concerten, vijf uiteenlopende strategieën en meer dan voldoende bewijs dat deze muziek z’n eigen festival verdient. Ondanks de late bekendmaking was er toch wat volk aanwezig (al zal de komst van Moore daar een belangrijke rol in gespeeld hebben), wat bewijst dat de publieke interesse mits wat promotionele ondersteuning zeker nog aangewakkerd kan worden. Het was bovendien wat ironisch dat het Zuiderpershuis zich - veel meer dan de onpersoonlijke cultuurtempel De Singel – erg goed leende voor dit festival (mooiere setting, fijnere sfeer), wat het dan ook een beetje wrang maakt dat er dit najaar geen Follow The Sound evenement zal zijn. Hopelijk krijgt het verhaal op de een of andere manier toch nog een tweede (of derde) leven.

E-mailadres Afdrukken