Banner

Gent Jazz 2013: Eric Legnini ‘Sing Twice’ + Bobby Womack + Bryan Ferry feat. The Bryan Ferry Ochestra

15 juli 2013, Bijlokesite

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 16 juli 2013

Een dag later valt snel op wat het nadeel is van zo’n overrompelend succes als de Zorndag: de klad zit er een beetje in, de gretigheid laat het wat afweten en alles wordt een beetje vaal, zeker als duidelijk wordt dat het publiek vooral zin heeft om languit in de terrasstoelen te gaan hangen, terwijl de tent net leeggemaakt is voor de concerten van iconen Bobby Womack en Bryan Ferry. En terwijl we verwachtten dat de eerste zou klaarspelen waartoe de tweede niet in staat zou zijn, bleek het uiteindelijk net omgekeerd af te lopen.

Het is soms een hondenstiel, die van jazzmuzikant. Er stonden enkel stoelen buiten de tent, de Duvel was perfect gekoeld en de zon scheen volop, dus de keuze was voor 90% van het publiek snel gemaakt. De pot op met die jazz en luieren en palaveren. Eric Legnini en co. mochten bijgevolg aftrappen voor een paar dozijn geïnteresseerden. Het was geen zicht, maar de band maakte duidelijk dat het allemaal zo erg niet was en slaagde er na verloop van tijd wel in om een deel van het binnengedruppelde publiek naar de tent te lokken. De jazz die er te horen was, was dan ook van een toegankelijke soort, met een been in de popmuziek en expliciet lonkend naar o.m. Afrikaanse tradities, iets dat het altijd goed doet op dit soort dagen.

Toetsenist Legnini heeft, ook al waren we hem even uit het oog verloren, best een mooi parcours afgelegd en was regelmatig te horen aan vrij grote namen uit het buitenland, waaronder veel zangers. Dat was meteen ook de reden waarom hij voor zijn huidige project ook werkte met een paar vocalisten. Met Hugh Coltman zat het in een met pathos volgestouwde popjazzkoers, met zangeres Mamani Keita gebeurde dat in ritmischer materiaal. Helaas sloeg de vonk niet helemaal over. Nochtans zaten de romige Rhodesklanken mooi ingebed in soepele jazz en was er behoorlijk wat afwisseling qua bezetting (al stonden de blazers er soms echt wel voor spek en bonen bij). Het kon echter niet voorkomen dat de aandacht voortijdig begon te verslappen door een gebrek aan spanning en een merkwaardig overdadig klinkende reeks composities.

Bobby Womack, die ging de boel redden. Toch? Vorig jaar moest hij verstek geven nadat hij met The Bravest Man In The Universe een van de meest bejubelde soulalbums van de laatste jaren had gemaakt. Tijd voor een spetterende revanche dus. Wie op diezelfde inventiviteit van het album had gerekend, die was er nu echter aan voor de moeite, want Womack had een door en door Amerikaanse revueband op sleeptouw genomen, wat betekende: loeihard gehamer van een patserige drummer en percussionist, en stel backingvocalistes dat werkelijk àlles uit de kast haalt om maar indruk te maken met dat hysterische gek(w)eel, en een blazerssectie die voortdurend het zootje volplamuurt met excessief geraas waar geen plaats meer in was voor een seconde nuance.

Nochtans maakte Womack, een man die in z’n leven vermoedelijk meer tegenslagen heeft overwonnen dan u en ik en onze vriendenkringen bij elkaar geteld, een vieve indruk. Hij kwam het podium op in leren pak en kenmerkende zonnebril en was vrij goed bij stem. Opmerkelijk: na de brallende inleiding gaf hij meteen z’n grootste hit “Across 110th Street” weg. Dat getuigt van lef of insinueerde misschien wel dat hij vooral de kaart van het nieuwe materiaal zou trekken. Uiteindelijk zou het vooral een mengelmoes worden van ouder materiaal, waarbij er weinig echte rustpunten zouden zijn. “Nobody Knows You When You’re Down And Out” en “Daylight”, begaven het haast onder hun gewicht. De zangeressen tierden er op los, de vieze synthklanken drongen overal in door en de blazers gaven van jetje, jetje, jetje.

Gelukkig kreeg de muziek nu en dan ademruimte. “The Bravest man In The Universe” was zo’n zeldzaam moment om te bekomen, net als “I Wish He Didn’t Trust Me So Much”. Gladde soul, nog eens aangezet door al die complimentjes en flauwe trivia. Maar Womack gaf zich wel en deed denken aan Al Green (een welgemike falsetto uithaal hier en daar), Solomon Burke (het recente “Deep River”) en natuurlijk ook zijn leermeester Sam Cooke, met “A Change Is Gonna Come” en een knap “Jesus Be A Fence Around Me”. Een concert met heel wat sterke momenten, al werden ze op een paar uitzonderingen na bijna de vernieling ingespeeld door een band die raasde en beukte en schetterde als een wielerploeg op een nieuwe voorraad drugs.

Gladjanus Bryan Ferry verbaasde heel wat volk met zijn album The Jazz Age (2012), waarmee hij nummers uit zijn solo- en Roxy Music-carrière door de mangel van de jaren twintig haalde. En dan hebben we het dus niet over een plaat die past in de swinghausse van een decennium geleden, maar echte old school Dixie, van de soort die gemaakt werd door Louis Armstrong & The Hot 5, met kletterende banjo, vrolijk schetterende trompet en riedelende klarinetten. De band nam het eerste luik voor z’n rekening, maar vanaf “Do The Strand” waren we meteen over de streep getrokken. Met een podiumverlichting die deed aan The Cotton Club en korte, onweerstaanbaar catchy songs die meteen voor een brede grijns zorgden, was de toon gezet.

Een vroeg “Avalon” werd op enthousiaste aaaahhhs onthaald, maar leek in niets op de flemende vaselineballad uit de jaren tachtig. De band, met verschillende klarinettisten, waarvan er eentje zelfs dubbelde op een bassax, zag eruit als een stoffig zootje uit een retrofestival, maar deed dat overtuigend met een aanstekelijke lichtvoetigheid en ratelende charme. Vroeg hoogtepunt: “Just Like You”. Dan verschenen plots twee backing vocalisten op het podium, met Ferry die zonder aarzelen “Love is The Drug” inzette en in die kenmerkende pose rond de micro ging hangen in “Day For Night”. Een razend knappe versie van “Back To Black” (Amy Winehouse) rondde het eerste luik in stijl af, én met een prachtige trombonesolo.

Daarna ging het, een kort jazzintermezzo buiten beschouwing gelaten, de conventionele pop/rock-toer op, al bleven de muzikanten wel allemaal rondhangen en werden ze vergezeld van een rockband. Ze zorgden ervoor dat “N.Y.C.” en “Casanova” sexy en messcherp klonken en maakten van de kitsch van “Oh Yeah (There’s A Band Playing On The Radio”) een regelrechte guilty pleasure. En Ferry, die streek de handen door het haar, glimlachte minzaam en liet zien dat hij ruim veertig jaar na de begindagen van Roxy Music nog altijd the slickest guy on the block is. Voor de rest ook heel wat covers, zoals “Knocking On Heaven’s Door” en “A Hard Rain’s A-Gonna Fall” (Dylan), eentje van Van Morrison (“Crazy Love”), “Smoke Gets in Your Eyes” en het onvermijdelijke, maar heimelijk door iedereen meegezongen (we pleiten schuldig) “Jealous Guy”.

Kortom: Ferry fleemde zich als vanouds onder je huid en liet horen dat hij er nog steeds staat. Z’n bereik is wat nauwer en naar het einde ontbrak de energie wat, maar dat compenseerde hij met pure stijl. Het jazzluik zat verrassend goed en authentiek in elkaar (geen overdadig gedoe zoals bij Womack), hij kon rekenen op twee fantastische zangeressen (die ook een aardig stukje dansten) en een uitstekende backing band, met als enige valse noot een gitarist die net iets te vaak naar Richie Sambora gekeken had. Na een knappe bisronde met souklassiekers “Hold On (I’m Coming)” (Sam & Dave) en “Move On Up” (Curtis Mayfield) was de conclusie ook snel duidelijk: zodra Ferry terugkeert staan we er opnieuw.

E-mailadres Afdrukken
 
Gent Jazz 2013: Eric Legnini ‘Sing Twice’ + Bobby Womack + Bryan Ferry feat. The Bryan Ferry Ochestra

Uit ons archief
Banner

TEST