Banner

Doek Festival

3 mei 2013, Bimhuis (Amsterdam)

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 04 mei 2013

Sinds haar oprichting in 2001 is het collectief dOeK (de Oefening, de Kunst) uitgegroeid tot een vaste waarde in het Nederlandse muzieklandschap. Het meest zichtbaar is dat via het jaarlijks terugkerende festival, dat voor zijn elfde editie uitgegroeid is tot een vijfdaags evenement met ‘gewone’ concerten, live filmbegeleiding, een tentoonstelling, fietsparcours en meer. Op de derde dag werden we in de Amsterdamse jazz- en improvisatietempel getrakteerd op een mooie inkijk in de eindeloos fascinerende wereld van de geïmproviseerde muziek.

Het programma zou -- zo werd vooraf verteld -- gevuld worden met muziek van kernleden van dOeK (in de loop van het festival zijn ze allemaal te horen), stichtende leden en inspiratiebronnen. In het Monitor Trio werden die drie meteen verenigd, want Cor Fuhler was een van de stichters, Michael Moore sloot zich later aan bij de bende en cellist Tristan Honsinger, net als Moore eigenlijk een Amerikaan én een vaste waarde binnen de ICP-kliek, mag gelden als voorloper. Als die laatste afkorting valt, dan duiken meteen de verdenkingen van muzikale anarchie en cerebrale hoempapa op, maar dat was allerminst het geval. Net als op Air Street (het in 2002 verschenen, recentste album van dit trio) regeerde muziek die het organiseren van geluid op iets minder baldadige wijze laat horen.

Er kwam bladmuziek aan te pas, maar de grens tussen compositie en improvisatie was een zeer vage zone waarin het makkelijk verdwalen was. De meerderheid van de composities bevatten elementen die voor houvast zorgden (regelmatig staccato figuren van Honsinger of ontglippende melodieën), maar ze vielen moeilijk vast te pinnen, ondanks die marcherende motieven, de soms hachelijke timing en de prachtige klank van Moore op klarinet en altsax. Honsingers stijl leek dan weer wat grover, soms leek hij z’n cello in twee te gaan zagen, terwijl Fuhler in de weer was met eBow, roterende onderdelen en stokjes, en zo ofwel zorgde voor percussieve stoorzenders ofwel voor plotse harmonieën.

Het Monitor Trio zocht en vond een mooi evenwicht tussen elegante kamermuziek en improvisatie die te weerbarstig was om één label opgekleefd te krijgen. Nu eens abstract en nukkig drentelend in z’n eigen wereld en dan weer sierlijk schuifelend, met een lyrische inslag. Een opener die het publiek meteen dwong tot intense concentratie en op zijn beurt meer dan drie kwartier speelde met fluistervolumes, binnen- en omwegen en structurele schizofrenie. Gelukkig hield Honsinger vaak de maat aan met een driftig tikkende rechtervoet en was z’n gesnuif en hilarische wartaal als vanouds goed voor een rondje schuddebuiken.

Het volgende duo mocht dan weer gerekend worden tot de inspiratiebronnen. De intussen 82-jarige Theo Loevendie was een kernfiguur in de pioniersdagen van de geïmproviseerde muziek in Nederland, maar zou zich uiteindelijk ook tot ver buiten de jazzregionen begeven, met composities voor kamerorkesten en zelfs opera. Bassist Arjen Gorter, die als tiener al aan de zijde van o.m. Willem Breuker stond, was ooit een van zijn muzikale medestanders en ging voor het eerst in lange tijd (Loevendie sprak van dertig jaar) met zijn voormalige leermeester spelen. De rietblazer deed het daarbij niet op z’n klarinet, maar een sopraansaxofoon, een instrument dat hij nog steeds goed beheerste.

Loevendie kondigde aan dat ze in de weer zouden gaan met vier oudere composities die in een langer geheel aan elkaar gelinkt zouden worden. Het ging om eigen werk “De Librije”, “Bayram” en “Finch Eye” (een letterlijke vertaling van Simon Vinkenoogs achternaam) en Jimmy Van Heusens klassieker “Darn That Dream”. In een eerste duet werden de eerste twee composities knap samengesmeed, waarbij het eerste deel vooral een lyrische kant van het duo liet horen (al ging Gorter ook daar al bijzonder soepel en soms potig te werk) en het tweede deel een meer speelse en ritmische. Loevendie’s spel was trefzeker en z’n stijl leek een geworteldheid in de jazztraditie te koppelen aan een vrije aanpak die je vaak ook bij een figuur als Steve Lacy hoorde.

Met “Darn That Dream” werd een staaltje van elegantie uit de kast gehaald, maar het mooiste bleef bewaard tot het einde, want in “Finch Eye” speelde Loevendie een meer broeierige stijl uit tegen de wandelende baslijnen van Gorter. De muziek kreeg hier en koortsig randje, wat exotisch, spiritueel zelfs, waardoor je het zo kwijt zou kunnen op een release van het Impulse!-label in de late jaren zestig of vroege jaren zeventig. Ook toen Loevendie aan de piano ging zitten, verwaterde het stuk niet en werd er gewerkt naar een knap einde. Een revelatie om deze veteraan nog zo geïnspireerd bezig te zien.

En dan een bijzonder kwintet als afsluiter. Het trio John Dikeman, Raoul van der Weide en Klaus Kugel bracht met Across The Sky (Not Two, 2012) al een prachtalbum uit. Eentje met een overkoepelende visie, een geduld dat haaks op de briesende hak- en kapjazz van Cactus truck staat en, vooral door het schier eindeloze arsenaal van speeltjes en ideeën van van der Weide, een excentrieke sound die regelmatig aansloot bij een abstractere vrije improvisatie. Met gasten Peter Jacquemyn en Roy Campbell – een paar dagen eerder nog collega-brandstichters voor Cactus Truck – zou het bijzonder kunnen worden. En dat werd het ook, al was er van die geduldige aanloop van het trio weinig te merken: amper een paar seconden ver en er werd al in het rond geschopt en intens gepiekt.

Meest opvallend: van der Weide koos voor de cello, al was dat strategisch wel een superidee, omdat je sowieso de verleiding van een geharrewar met twee bassisten kon uitsluiten en het klankenpalet aanzienlijk werd uitgebreid. Hij zou zoals gewoonlijk een zeer creatieve bijdrage leveren die veel verder ging dan het ritmisch beuken met een strijkstok of delicaat plukken, maar er ook een tafeltje voor allerhande prullarie bij betrekken, alsook een crackle box, een primitief elektronisch speeltje waarvan je de geluiden (doorgaans van de gierende/bliepende sci-fi-soort) door bewegingen kan manipuleren. Maar soms draaide het ook om pure interactie met Jacquemyn, die zoals gewoonlijk z’n hele lijf in de strijd wierp, kloek plukte en bromde met de strijkstok.

Kugel, die het op het album van het trio en die van Undivided vooral moet hebben van een gestaag ontwikkelende, ritualistische speelstijl, ging hier harder en vrijer, maar opnieuw ontwaarde je weer die overkoepelende spanningsboog, kreeg de performance de verhalende kracht van een epos, eerder dan die van een korte explosie. Dikeman was op zijn beurt dan weer doordrongen van het Heilige Vuur: er zat elektriciteit in z’n lijf, dat spastisch heen en weer schudde, en z’n saxofoons waren wapens. Geen gefleem, geen gezeur, maar rauwe ontzetting en emotie die zonder tussenstops oversloeg van het achterhoofd naar dat mondstuk. Tourette’s op een sax. Dikeman viel het mondstuk gulzig aan als een bijtende minnaar op zoek naar bloed.

Het gevaar met intuïtie is dat je regelmatig een stoorzender kan zijn binnen zo’n collectieve structuur, maar zijn alles-of-niets-houding en speelstijl vormden de vlam die de rest kon volgen. Opmerkelijk was ook de interactie met Campbell. Die leek hier wat minder overdonderd door de herrie dan tijdens het concert met Cactus Truck en pakte op trompet een paar keer uit met behoorlijk krachtige uitschieters en was er meer dan eens verantwoordelijk voor dat de muziek een donkere en zelfs majestueuze air kreeg, al was de keelzang van Jacquemyn ook goed voor een trance-achtig moment waardoor de tijd even ging stilstaan, de muziek een meditatieve bijklank kreeg en vervolgens weer kon pieken. En dat gebeurde steeds hard, heftig en furieus. Die krappe veertig minuten vlogen zo voorbij.

E-mailadres Afdrukken