Banner

John Cale

18 februari 2013, Vooruit

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 19 februari 2013

Zeventig (70!) is John Cale intussen, maar op basis van dit concert moet hij zowat de kwiekste rocker van 1942 zijn (Lou Reed en Brian Wilson recent nog aan het werk gezien?). Ondanks wat kleine oprispingen van onzentwege liet het icoon een gedreven indruk na en zorgde hij met z’n goed geoliede band voor een no nonsense-concert dat resoluut de kaart van vandaag trok. Zelfs toen de oudjes bovengehaald werden.

Maar eerst Bert Dockx, die als Flying Horseman opnieuw een mooie opening slot op z’n cv kan noteren. Na o.m. Mark Lanegan en Howe Gelb is hij intussen toe aan een van de grote iconen van de rock-‘n-roll. Niet dat hij geïntimideerd was, want hij klonk zelfverzekerd en goed bij stem, durfde risico’s nemen met een paar verrassende uitvoeringen en overkwam zelfs een paar technische probleempjes. Terwijl Neil Youngs “On The Beach” de in blauw licht badende zaal inpakte, kwam Dockx het podium op, om na een lange aanloop “Bitter Storm” aan te snijden. Werd die song nog gebracht in een vrij getrouwe uitvoering, dan ging het er heel anders aan toe met een bijna onherkenbaar hertimmerd “Climb Up The Wall”, dat gebracht werd met zo’n introspectieve ongedurigheid dat er een snaar aan moest geloven voor hij goed en wel aan z’n piek begonnen was.

Hoogtepunt was echter “Road”, in z’n albumversie al voorzien van een nijdige verbetenheid, maar nu al helemaal doordrongen van amper gecontroleerde dreiging -- nog meer ingetogen in de aanloop en helemaal ontzet tijdens een gitaareruptie die aanvoelde als een epileptische aanval, waarbij die “This time I’m not coming home” niet klonk als een mededeling of belofte, maar een onherroepelijke bloedeed. Nieuwe song “City” onderging een gedaantewisseling in vergelijking met de bandversie die we een tijd geleden hoorden, maar bleef intrigeren, ondanks een technisch mankementje dat bijna beslag legde op het einde. Een knappe versie van Joy Divisions “Shadowplay” rondde een set af die eigenlijk best taai was, maar op verrassend veel bijval kon rekenen. Als Dockx zich al weet te handhaven voor artiesten van dit kaliber (en hun publiek), dan zegt dat genoeg.

Ook in de pauze tussen de concerten liet de dj horen dat hij z’n werk gedaan had, want hij draaide niet enkel een song van een band die de The Velvet Underground-fakkel brandend hield in de jaren tachtig (The Dream Syndicate), maar dan ook nog eentje wiens naam direct verwees naar het collectief van La Monte Young, waar ene John Cale ook deel van uitmaakte. Hoewel de Welshman bij een groot publiek niet helemaal de status van een Lou Reed verworven heeft, was zijn bijdrage bepalend voor het geluid van de eerste twee VU-platen en werkte hij aan een discografie die voor een groot stuk nog fier overeind staat. Het recente wapenfeit Shifty Adventures In Nookie Wood was ondanks de wat ongelijke kwaliteit van de songs toch bewijs dat de man niet klaar is om op z’n lauweren te rusten en slappe Greatest Hits-sets te spelen.

Net zoals de voorbije jaren al het geval was, is Cale in de weer met moderne productietechnieken en geluiden, wat z’n muziek een door en door hedendaags karakter geeft. Hier en daar heb je het gevoel dat het er wat té dik op ligt, zoals dat ook het geval was bij Bowie anno Outside/Earthling, maar ons hoor je niet klagen als dat tot gevolg heeft dat de songs zoals gisteren onder handen genomen werden. Vanaf het openende tweeluik “Hedda Gabler”/ “Captain Hook”, beide uit het punktijdperk, zat het goed. Je zag geen op routine terend gezelschap, maar een band die op het scherp van de snede speelde, met een ultrasolide ritmesectie en een veelzijdige gitarist die de lessen van Guitar Hero ter harte nam en voortdurend wentelde in classic rock met een hoek af.

Op die manier leek hij wel de muzikale nakomeling van vroegere muzikale Cale-partners als Phil Manzanera en Chris Spedding, al deden enkelen van de tegen de hardrock aanleunende songs ook meer dan eens denken aan de al even potige liveplaat Rock & Roll Animal van Lou Reed met gitaristen Steve Hunter en Dick Wagner. De nieuwe songs verging het niet altijd even goed. De technorock van “Cry” zal vermoedelijk sneller dan verwacht belegen zijn, terwijl we ons ook niet van de indruk konden ontdoen dat “December Rains” en “Living With You” te weinig om het lijf hebben om binnen enkele jaren (?) nog altijd deel uit te maken van een setlist. Later in de set zouden “Face To The Sky”, het onweerstaanbaar catchy “I Wanna Talk 2 U” en “The Hanging” wél overtuigen. Vooral die laatste imponeerde met zijn combinatie van stompende kracht, gemuteerde funk en elektronica.

Daarvoor werd er ook al indruk gemaakt met een retestrakke versie van “Guts”, een indringend “You Know More Than I Know” en vooral de primitieve groove van het dubbelluik “Helen Of Troy”/“Pablo Picasso”, dat orde op zaken stelde met forse, voortdenderende impact. Eerste bis “Nookie Wood” zette weer volop in op maffe geluidjes en zelfs de voze autotune van het album. Heel even konden we enkel sprakeloos toekijken hoe Cale het publiek uitnodigde om boertig mee te klappen en het refrein te scanderen, maar dat werd dan weer met de mantel der liefde bedenkt dankzij een zinderende versie van, jawel, “Venus In Furs”, compleet met snerpende viooldrone, die toch goed was voor kippenvel.

Kortom: het nieuwe materiaal wist niet altijd te overtuigen, maar werd met een verrassende urgentie gebracht, terwijl een paar kleine klassiekers verbouwd werden tot imposante beukers. Geen “Fear”, “(I Keep A) Close Watch” of “Gun” dus, maar laten we vooral niet zagen. Dit is waardig ouder worden. En laten we hopen dat die “I’ll see you soon” verwijst naar een spoedig weerzien.

E-mailadres Afdrukken
 
John Cale

Advertentie
Advertentie
Banner

TEST