Banner

Follow The Sound

26 + 27 oktober 2012, De Singel

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 28 oktober 2012

Door het wegvallen van de zieke Lawrence “Butch” Morris, die normaal de centrale figuur van deze editie zou worden, kwam Follow The Sound een beetje gehandicapt aan de meet, maar het programma bevatte als vanouds weer een sterk evenwicht van ervaren kleppers en aanstormend talent, met als gemeenschappelijke obsessie de vrije muziek. Leidde dat op vrijdag tot een (over)volle dag met heel wat knappe muziek, dan zorgde de verwarrende slotdag niet voor de verhoopte feestelijke finale.

Vrijdag 26 oktober

De samenwerking van pianist en improvisatie-icoon Fred Van Hove met de twee generaties jongere vibrafoniste Els Vandeweyer is intussen uitgegroeid tot een van de meest opmerkelijke verbonden van de laatste paar jaar. Het leidde al tot een paar veelbesproken concerten met Martin Blume en Paul Lovens en tot een wat ongelijke, maar opmerkelijke passage op Jazz Middelheim 2011 (met Evan Parker, Ken Vandermark, André Goudbeek e.a.). Voor het startconcert van de tweede festivaldag werd er zowaar nog een vibrafonist bijgehaald. De in Chicago gebaseerde Jason Adasiewicz is de voorbije jaren aardig op weg om een van de meest veelbesproken vibrafonisten uit de avant-garde te worden. Hij was in België al te zien met Rob Mazureks Exploding Star Orchestra, twee bands rond drummer Mike Reed en een project van Eric Boeren, maar dit was voor hem ook de eerste keer in zo’n bezetting.

De bezoekers werden alleszins meteen op de proef gesteld, want het trioconcert was niet van het soort improvisatie dat toegevingen doet en er makkelijk in gaat. Vorige jaar bewees Van Hove naast Ikue Mori en Maja Ratkje nog mee te kunnen met het hedendaagse geweld, en ook hier gaf hij nergens de indruk het voorplan zomaar te willen afstaan aan de jongelingen. Soms was het een golvend festijn van sustainklanken, maar zowel Adasiewicz als Vandeweyer durfden ook het laken naar zich toetrekken zodra er een iets te comfortabele positie om de hoek loerde. Het was dan ook een komen en gaan van interventies, een heen-en-weer-gekets van ideeën, waarbij Van Hove soms gepasseerd werd, maar nu en dan ook indrukwekkend op een lijn gespeeld werd.

Een eerste stuk was goed om af te tasten en de lijnen uit te zetten, maar de veertig minuten durende, tweede improvisatie werd de hoofdbrok. Het startte bij repetitief dromerige figuren, waarbij de rollen van Adasiewicz en Vandeweyer regelmatig omgedraaid werden of simultaan gespeeld werd. Ze waren beide in de weer met strijkstokken en Vandeweyer met allerhande extra prullaria, maar Van Hove dook zelf ook in een tweede piano terwijl hij een diep pompende baslijn aanhield op de eerste. De spankracht dreigde een paar keer te verdwijnen, maar elke keer zorgde een wending ervoor dat het trio zijn tweede adem hervond. Hier en daar doken flarden Bobby Hutcherson op, al lieten de twee jongelingen vooral horen op zoek te gaan naar, of in de weer te zijn met, een hoogst individuele aanpak. Van Hove, duidelijk enthousiast, zorgde zelf voor het raamwerk.

Rietblazer Joe McPhee droeg zijn soloset op tenorsax op aan John Tchicai, David S. Ware, Borah Bergman en Jean-François Canape, vier muzikanten die de voorbije maand overleden. De korte set (amper veertig minuten) die volgde op die aankondiging leek wel doordrongen van een emotionele intensiteit, maar dat is in het geval van McPhee eigenlijk nooit anders. De autodidact heeft er altijd een aanpak op na gehouden die zowel verwant is aan de robuust zingende freejazz van Albert Ayler als een meer lyrische, zelfs kwetsbare aanpak. Het is dan ook bij uitstek een muzikant die met een minimum aan middelen een maximale impact kan bereiken.

Het ging van start met subtiel kleppengeklik en luchtstromen die oversloegen in ontglippend gegier, zowel via circulaire ademhaling als geïsoleerde ademstoten. Het was de blues, hertaald naar de woordenschat van de vrije improvisatie. Hoewel de man ook vaak de pockettrompet hanteert, beperkte hij zich deze keer dus tot de tenorsax, waarop hij regelmatig uitpakte met zijn fluwelen sound en ontspannen spontaniteit. Je kreeg soms de indruk alsof je naar een muzikant keek die in gedachten verzonken onder een of andere brug zat te repeteren. En toch zat er ook een focus en controle in die even imponerend was.

De zes stukken bleven redelijk compact en blonken uit in dosering. Er doken motieven op waar vervolgens mee gespeeld werd, je hoorde tongue slapping-techniek, blues en miniserenades, maar dat alles in perfect afgewogen proporties. Uitmijter was “Knox”, het stuk waarmee zijn klassieke soloplaat Tenor (1976) van start ging: een prachtig slot van een muzikant die nog steeds op het scherp van de snee speelt en zorgde voor de meeslepende schoonheid die we intussen van hem zijn gaan verwachten. Prachtig.

Altsaxofoniste Christine Abdelnour gaf in een recent interview met Gonzo (circus) nog mee dat ze klank vooral ziet als ‘kneedbaar materiaal’. Het is een constante in een intussen al behoorlijk rijk gevulde carrière die bol staat van de samenwerkingen met andere klankenverkenners en de relatie tussen instrument, techniek, omgeving en het resultaat van het combineren van die factoren steeds op andere manieren belicht. Het duo Split Second met Ryan Kernoa is een bijzonder geslaagde uitwerking van de aanpak waarbij de muziek tot op zijn basisniveau -- frequentie, timbre, etc. -– ontrafeld wordt. Hoewel de muziek steeds vrij geïmproviseerd wordt, is dit geen spel van abrupte of nerveus gekletter, maar een vloeiende beweging waarbij evolutie subtiel gebeurt.

Aanvankelijk was het niet meer dan gepiep dat uit de hoorn van Abdelnour kwam. En het werd nog eens gecounterd door het aarzelende snarengeaai van Kernoa, die eenzelfde geduld en minimalisme hanteerde. Door een micro vlakbij haar rechterhand te plaatsen kon Abdelnour ook een abstracte, maar percussieve dimensie toevoegen, terwijl Kernoa even richting rock verschoof: meer volume, minder omweg. Abdelnour haalde een plastic fles uit de hoorn, drukte het uiteinde tegen haar dijen voor dempeffecten en werkte even zelfs naar een lawaaierige muur van geluid die machtig bleef aanzwellen.

Opmerkelijk was ook het gebruik van een lange buis, die in de altsax gestoken werd en voor een uitbreiding van de mogelijkheden zorgde. Kernoa ging intussen aan de slag met feedback en zorgde er net als zijn collega voor dat er een voortdurende beweging plaatsvond. Het was een performance van intense concentratie, vaak ronduit mooi, ondanks die afstandelijkheid, en een dialoog die zo organisch klonk dat hij onopgemerkt verwerd tot een schijnbare monoloog.

Dans Dans zorgde voor de link met de rockwereld. Sinds de release van de uitstekende debuut-lp begin dit jaar, is de band op regelmatige tijdstippen op de podia te vinden en stilaan een vaste waarde geworden binnen de wereld van rock én improvisatie (dat mag ook wel, aangezien de aanloop naar het eerste album jaren geleden al startte). De band werkt dan wel met composities, maar die vormen doorgaans niet meer dan een skelet om grote partijen geïmproviseerde muziek aan op te hangen. Soms volgt die de regels van de jazz, maar het gaat net zo vaak ver erbuiten, aanleunend bij psychedelisch gitaarkabaal, repetitieve grooves en kromme soundtracks.

De set in De Singel, waarvoor de band werd bijgestaan door de live tekeningen van Wim Lots (die ook de hoes voor Dans Dans ontwierp) was een bevestiging van hun status als een van de beste Belgische live acts van het moment. De grooves van Steven Cassiers en Frederic Jacques zaten losjes zonder slordig te worden en creëerden een fundament waarop gitarist Bert Dockx vijf kwartier kon loos gaan als een maniak. Van de vanuit de heupen afgevuurde blues van “El Is A Sound Of Joy”, dat opgevuld werd met een paar vlammende solo’s, tot een verleidelijk heupwiegend “The Sicilian Clan” (Morricone), waarin hij geschifte dingen liet horen met een whammy bar, en een compleet verwrongen versie van Monks “Misterioso”: de boel werd in de fik gezet.

We zagen de gitarist dit jaar al regelmatig in de weer, maar zelden op zo’n inventieve manier, schipperend tussen psychedelische waanzin, de gebroken glas-noise van Sonny Sharrock en met cassettespelereffecten die het geheel al helemaal de ruimte in katapulteerden. De versie van “Freedom Suite” was de beste die we al hoorden, terwijl de intensiteit amper zakte voor een jankend “River Man”. “Waterpoort” vond een mooie middenweg tussen twang en furie en was een sterk eindpunt. Toen Dans Dans zijn set afrondde, liep het al richting twee uur, al werd er niet geklaagd: de verbetenheid waarmee gespeeld werd, hield iedereen op het puntje van zijn stoel. Dans Dans bewees dat het met zijn avontuurlijke aanpak zeker een plaats verdiende op dit festival.

Zaterdag 27 oktober

Kampte de tweede festivaldag eigenlijk maar met één probleem, een overvol programma, waardoor je amper tijd kreeg om tussen de concerten naar adem te happen (meteen ook de reden waarom we na het intensieve concert van Van Hove, Vandeweyer en Adasiewicz een pauze inlasten), dan was het probleem van de slotdag bijna het omgekeerde: niemand leek goed te weten wat de bedoeling was. We konden pas op tijd zijn voor het avondprogramma, in de waan dat er nog tot ca. 23u sessies te horen vielen met o.m. Agusti Fernandez, Joe McPhee, Joachim Badenhorst (die zijn soloplaat voorstelde), Robin Verheyen, Els Vandeweyer en Jason Adasiewicz.

Toen we terplekke aankwamen, bleek echter dat de plannen in de loop van de dag veranderd waren, en dat de sessies, die gevuld werden met allerhande bezettingen, intussen aan hun einde waren gekomen. Het collectieve slotstuk, waarin alle bovenstaande muzikanten behalve Adasiewicz meespeelden (terwijl net ervoor nog een tweede vibrafoon werd binnengerold), was nochtans geslaagd. De manier waarop een drone-achtig element van Fernandez de blazers rond elkaar deed strengelen, smaakte naar meer. Je zou misschien niet mogen verwachten dat slechts een handvol muzikanten zeven uur gaat vullen met improvisaties allerhande, maar dan zou dat ook niet zo mogen aangekondigd worden. Het gebrek aan duidelijkheid deed bezoekers en muzikanten rondlopen als een kip zonder kop. Ook de aanloop naar de apotheose werd er later door verknald.

Een element waarmee Follow The Sound zich wel positief in de kijker speelt, dat zijn de workshops. Voor deze editie werd pianist/componist Kris Defoort ingeschakeld, die met een tiental jonge muzikanten, waaronder een aantal uit de Artesis Hogeschool, een workshop opzette rond instant composing. Twee maal werden de resultaten daarvan gedeeld. Die leken net iets minder compact en afgelijnd dan de stukken die Jorrit Dijkstra en John Hollenbeck tijdens de editie van 2011 speelden met de jongeren. Dat had als voordeel dat de muziek een grotere openheid en onvoorspelbaarheid had, maar anderzijds ook het nadeel dat het voor een stuk schijn was.

Met piano, gitaar, bas, drums, cello, viool, eufonium, altsax en zang heb je heel wat mogelijkheden ter beschikking en zo’n voorstelling wil natuurlijk ook egalitair zijn, wat betekende: een reeks solo-, duo- en triomomenten op een collectieve ondergrond die niet direct een overkoepelend verhaal leek te hebben. Nochtans waren er wel heel wat knappe momenten en regelmatig zaten de hamerende interventies van een expressief gesticulerende Seppe Gebruers (o.m. Ifa Y Xango) daar voor iets tussen. Hij gaf het geheel dat tikkeltje broodnodige, excentrieke rebellie. Er werd gespeeld met repetitieve elementen en allerhande speeltjes (melodica, megafoon, loops, elektronica, een cimbaal op het eufonium), er waren momenten van folkachtige introspectie, van poëzie, humor en uiteindelijk zelfs een brullende finale. Kortom: het voelde meer aan als een samenraapsel van ideeën dan een geheel dat de aandacht vasthield, maar dan ging het wel over ideeën die zeker bruikbaar waren en mits meer tijd nog sterkere resultaten hadden opgeleverd.

En dan was het aftellen naar het concert van Othin Spake. Dat zou plaatsvinden om 23u en die tijd werd ook gerespecteerd. Er was een bar aanwezig (fijn initiatief), maar meer dan een uur wachten op de finale van een dag én het festival in een half verlaten mastodont van een gebouw zorgt natuurlijk wel voor een mineursfeer, terwijl je net vuurwerk zou moeten krijgen. Othin Spake deed voor een beperkt publiek dan wel weer waar hij goed in is: een duistere geluidenwereld op poten zetten waarin elektronica, stuiterende beats en gitaar samen zorgen voor een soms ongemakkelijke geluidsmuur die het daglicht schuwt. Othin Spake klinkt donker, grootstedelijk en soms ondoordringbaar en dat was met extra man Tim Vanhamel (net als Jozef Dumoulin en Teun Verbruggen in de weer met knopjes) niet anders.

De beheersing van de chaos gebeurde echter wel heel knap. Deze band weet hoe te zorgen voor dynamiek en de open aanpak resulteerde meer dan eens in overrompelende momenten. Het was geinig om Pawlowski nog eens bezig te zien binnen deze context, rustig op en af schuifelend, soms zelfs een dansje plaatsend, en intussen maar slenteren van galmende noir tot slepende doommetal en terug. De bijdrage van Vanhamel was onduidelijker, al droeg hij bij aan de soms industriële densiteit en verwrongen zangpartijen naar het einde. De grootste verrassing kwam echter van het duo dat aan de zijkant van het podium zorgde voor de knapste visuals in tijden. Deze keer geen oplichtende MacBooks of live tekeningen, maar inventieve analoge effecten met o.m. waterpotten, pellicule, papier en licht.

Net als Dans Dans een dag eerder zorgde de band niet voor het soort improvisatie dat je verwacht van het klassieke, akoestische experiment, maar Othin Spake hoort evengoed thuis op een festival als Follow The Sound, dat altijd komaf wilde maken met gemakkelijke oplossingen en met twee voeten in de actualiteit staat. Dit is 2012. De wereld is druk, overweldigend en verontrustend. En dat is net hoe de afsluiter klonk.

Ondanks het verlies van de subsidies gaat Follow The Sound er naar verluidt mee door in 2013.

E-mailadres Afdrukken
 
Joe McPhee (Geert Vandepoele)