Banner

Shellac

28 mei 2012, Trix

Guy Peters - 01 juni 2012

Meebrullen met The Boss in Landgraaf, headbangen met Metallica in Werchter, uit de bol gaan tijdens Sinxen in Kortrijk. Aan mogelijkheden ter ontspanning geen gebrek op deze Pinkstermaandag. Rockers met nostalgie naar de jaren negentig trokken dan weer naar Antwerpen, waar het legendarische trio Shellac z’n opwachting maakte en liet horen dat zijn universum nog een van de zekerheden in het leven is.

We konden nog een stuk meepikken van de set van Sleepy Sun, maar de indruk die we daar kregen was er vooral een van miscasting. De band hangt rond in het straatje van neopsychedelische bands als Dead Meadow en Oneida, met soms potige stonerjams, maar net zozeer een overduidelijke knik naar de Britse tegenhanger van een jaar of twintig terug. Denk daarbij vooral aan Spacemen 3 en Verve (voor ze symfonisch gingen, en vooral door de zangpartijen). Geen ramp, maar onvoldoende om ons een set lang in die sauna te houden.

Bij Shellac weet je natuurlijk waar je je aan kan verwachten en de klassieke bestanddelen van een concert waren er allemaal: de absurde, wat provocerende humor, het vragenrondje met bassist Bob Weston terwijl Steve Albini de gitaar stemt, songs over Canada en eekhoorns, en vooral: uitgebeende, spijkerharde en soms met een verrassende strakheid afgerammelde rock-‘n-roll waarbij snel duidelijk wordt dat er nog zoiets bestaat als een democratie binnen een power trio.

Albini en Weston zijn dan wel de gangmakers en woordvoerders, het is net zo vaak drummer Todd Trainer die bepalend is voor die onmiskenbare sound. Zijn vreemde timing, minimalistische aanpak en loeiharde snaredrumslagen zijn uit de duizenden te herkennen, net als de gortdroge bassound van Weston en de kervende Travis Bean-gitaar van Albini. Die had deze keer wel z’n eigen speakers thuis gelaten en ingeruild voor een klassieke Marshall-toren, waardoor de sound iets van de vroegere scherpte miste.

En elke keer je ze te zien krijgt, valt weer op hoe merkwaardig die songs in elkaar steken: er zijn er talloze met lange intro’s die soms haaks op de rest van de song staan, er zijn er een handvol met valse stops, en er zijn er die zowel punk, noise als mathrock zijn, hier en daar zelfs bluesinvloeden verraden, en toch enkel schatplichtig lijken aan zichzelf. Het mag dan allemaal wat beschaafder en gepolijster zijn dan het werk van pakweg Big Black, maar Shellac blijft in z’n meest explosieve momenten bijzonder efficiënt geweld.

Albini, nog steeds met autogordel rond de lendenen, liet soms de verbeten, snauwende vocalen van de studioversies achterwege voor een meer gezapige, halfgesproken manier van zingen, maar op de juiste momenten -- die vreemde wendingen, die onverwachte messteken nadat je net in trance beland was -- staat hij er toch weer, met dat jennende vingertje en nerveuze gespring. Het werd naar goede gewoonte een reis door de volledige discografie, terwijl er ook al materiaal gespeeld werd uit de volgende plaat (net als twee jaar geleden Dude Incredible genoemd), die geen breuk met het voorgaande belooft.

De tachtig minuten waren zo voorbij, maar wat wil je ook met een set die vol zat met een paar minder bekende, maar bronstige knallers en een handvol prijsbeesten als “My Black Ass”, “Prayer To God” (die “Fucking kill him, but first, make him cry like a woman, no particular woman” blijft een klassiek staaltje van confronterend nihilisme), “In A Minute” en een daverend “Steady As She Goes” zullen nooit hun kracht verliezen, al waren de échte hoogtepunten weggelegd voor een gerekt “The End Of Radio” (hoe simpel kan je een song maken?) en afsluiter “Crow”, de song die misschien nog het best van al samenvat waar Shellac voor staat.

Kortom: geen verrassingen of nieuwe inzichten, maar wel een zoveelste bevestiging van Shellacs unieke plaats binnen de wereld van de gitaarrock. Dit is tijdloze cool, maar het wordt stilaan wel tijd voor een opvolger voor Excellent Italian Greyhound (intussen al van 2007).

E-mailadres Afdrukken