Banner

C-mine jazz

13 april 2012, C-mine Genk

Guy Peters - 15 april 2012

Was de vorige editie (november 2010) nog het evenement dat het festivalseizoen met vertraging definitief afsloot, dan was deze eerste keer met nieuwbakken programmator Michel Bisceglia aan het roer nu de officiële seizoensopener. Met een affiche die de kaart van de verfijning en de verbreding trok, werd geprobeerd om het festival een nieuwe EPO-injectie te geven. Leek het er aanvankelijk op dat het, misschien door gebrek aan acts met ballen, een degelijke, maar veeleer vlakke editie ging worden, dan viel het tijdens Dag 2 alsnog in z’n plooien met een paar spetterende momenten.

En het zal altijd een buitenbeentje blijven, dat C-mine jazz. Net als enkele andere grote jazzfestivals (Gent, Middelheim, Brugge, etc) lijkt het er soms vol te zitten met VIP’s die wel betere dingen te doen hebben dan zwijgen (ja, ’t is veel gevraagd, we weten dat!) en luisteren, maar met hun prachtige locatie, gemoedelijke sfeer, naar festivalmaatstaven nog schappelijke drankprijzen (eat that, Gent/Middelheim) en de onweerstaanbaar charmante, in onvervalst Genks gebrachte aankondigingen van Bisceglia zijn er meer dan voldoende troeven om de occasionele storende lullo’s te doen vergeten. En dan zwijgen we nog van gratis bewaakte parking en toiletten. Het grootste verschil was dat de kleine zaal van vorige editie nu verdeeld werd in de Frontier Room en Discovery Room, waardoor er meer concerten op minder tijd konden plaatsvinden. Dat zorgde er echter voor dat er keuzes gemaakt moesten worden, want u mag veel van ons verwachten, maar dwangmatig concerthoppen, daar doen we niet aan mee.

De muziek dan. Het Muze Jazz Orchestra (MJO) verzamelt een paar bekende en minder bekende knallers uit de Limburgse jazz die een half uurtje in de weer gingen met composities van Frank Zappa, en dan vooral het klassieke werk uit platen als Hot Rats, Overnite Sensation en One Size Fits All. Tracks als “Zomby Woof” en “Pajama People” stammen uit platen die de volledige rock-‘n-rollsyntax op losse schroeven zetten, niet in het minst door stevig leentjebuur te gaan spelen bij jazz. De combinatie van baldadigheid en spitsvondigheid zat het orkest als gegoten, getuige de heftig funkende passages, vocale ongein en halsbrekende wendingen die het moesten hebben van een smetteloze timing. Klonk het nu eens wat sleazy als een seventies soundtrack, dan kon er even later driftig met de konten geschud worden, al zat het hoogtepunt in de staart, met een uitstekende uitvoering van evergreen “Peaches En Regalia”. Grappig, swingend en zelfzeker: MJO was de ideale festivalopener.

We begrepen werkelijk geen bal van wat fusionicoon Miroslav Vitous zat uit te vreten op z’n bas (en iets zegt ons dat hij het zelf ook niet helemaal wist), dus toch maar snel naar de Discovery Room voor het Bruno Vansina Project feat. Steve Nelson. Als de eerste reactie Steve wie? is, dan wordt het tijd om bijlessen te nemen, want de Amerikaanse vibrafonist behoort op zijn instrument tot de absolute wereldtop, iets dat hij vooral bewijst als lid van het Dave Holland Quintet. Vansina had dus een grote naam weten te strikken, maar op geen enkel moment zou die de indruk geven meer te zijn dan zijn Vlaamse speelpartners. Dat waren dan ook geen kleine jongens, want met Teun Verbruggen (drums) en Jos Machtel (bas) had hij enkele Belgische toppers in huis. De jonge gitarist Bert Cools voegde een eigentijdse toets aan het geluid toe door uit te pakken met allerhande geluidseffecten (die heel af en toe helaas ook deden denken aan foute synths) en uitwaaierende gitaarpartijen.

Het kwintet mocht van start gaat voor een schrijnend kleine opkomst van 15 geïnteresseerden, maar kreeg gaandeweg meer volk om zijn eigenzinnige muziek mee te delen. Voelde het soms aan als een werk in uitvoering, dan kreeg je van meet af aan wel een heel aparte stijl gepresenteerd, waarbij het kwikzilveren spel van Vansina (binnen Flat Earth Society nochtans de baritonsaxman) meteen opviel. Het was jazz die een ongrijpbare middenweg vond tussen de postboptaal en een moderner verhaal, nooit echt ‘free’, maar evenmin vasthoudend aan duidelijke structuren. In het merendeel van de composities, met “Walter’s Verjaardagsshow” (don’t ask) en “Natrium” op kop, leidde dat tot knappe resultaten, al was het een beetje jammer dat het met “Crazeology” aan het einde van de set net iets minder spannend uitgewerkt werd. Het was alleszins meer dan voldoende om drie kwartier te boeien en te doen uitkijken naar Stratocluster, het album dat eraan staat te komen bij het Brugse W.E.R.F.-label.

En kijk, na een korte pauze mocht Machtel nog eens opdagen in Frank Vaganée Trio. Dat is een mooie gelegenheid om de saxofonist, vermoedelijk de enige Belg die dit jaar nog meer complimentjes mocht ontvangen dan Tom Boonen, eens in een andere omgeving te zien dan ‘zijn’ BJO. Leidt hij het daar allemaal in goede en (vooral) strakke banen, dan is dit trio zijn uitlaatklep om wat losser om te gaan met structuren. Eigen composities als “Triolette” verwijzen vooral sterk naar de klassieke saxtrio’s van de jaren vijftig en de nachtelijke jamsessies die georganiseerd werden om hongerige ego’s en jazzverslaafden een extra hit te bezorgen. Vaganée’s taal is dan ook sterk geworteld in het boplexicon, iets dat hij met evenveel gezag aankan als zijn bigbandexploten.

Met Machtel en drummer Toni Vitacolonna bewoog hij zich dan ook moeiteloos door een universum van bluesy insteken, ballades en standards (een mooie versie van Ellingtons “Take The ‘A’ Train”), met hier en daar een exotische toets. Het was dan ook jammer dat het concert regelmatig verstoord werd door zwetsende toeschouwers die gelukkig snel weer de lounge gingen opzoeken. Het was zelfs een dubbele gemiste kans, want het was niet enkel een concert dat de oren deed spitsen, maar ook een mooie bonus kreeg door de medewerking van het duo Cyclop Max (Philip Paquet en Gilliom Werner Claessens), die de muziek live voorzagen van illustraties die o.m. via een tagtool direct op een scherm bekeken konden worden.

In 2010 bood het festival de luisteraars de kans om kennis te maken met een van de meest bejubelde jonge bands van dat moment, het Portico Quartet. Deze keer werd een nieuw talent in huis gehaald. Trompettist Matt Halsall (de posterboys van de jazz moeten het altijd stellen zonder ‘Band’, ‘Group’ of ‘Quartet’) werd onlangs door de illustere Gilles Peterson de lucht in geprezen, al wil dat gezien Petersons veelvuldige ontdekkingen van monstertalenten (waarvan er een aantal achteraf eendagsvliegen blijken), ook wel eens niks betekenen. Het jonge sextet dat op het podium verscheen speelde echter wars van pretentie en pakte uit met een stijl en sound die het vooral moest hebben van de collectieve waarde. Halsall beschikt over een mooie, zachte en rokerige klank, maar ook een zeer beperkt arsenaal aan mogelijkheden. Tijdens zijn drie kwartier putte hij, de rechterschouder steevast omhooggetrokken, uit zijn onlangs verschenen On The Go, dat op basis van dit concert een verteerbare versie biedt van exotische getinte platen als Sketches Of Spain (Miles Davis) en Olé (Coltrane).

Die laatste vergelijking kwam er ongetwijfeld door de mantra-achtige aanpak van enkele composities, die nog eens versterkt werd door het knappe harpspel van Rachael Gladwin, en het sobere sopraansaxwerk van Britse jazzveteraan Nat Birchall. Maar krediet mag gaan naar de volledige band, want die zorgde als eenheid voor een bijzonder sfeervol, melancholisch concert, eentje van het soort waarmee je nieuwsgierigen een toegang kan bieden tot jazz. Het door harp gedomineerde “Samantha” was een onbetwistbaar hoogtepunt, al was dit vooral een charmant concert zonder noemenswaardige inzinkingen dat de luisteraar meenam op een trip door een laatavondlandschappen in zuiderse contreien. Vernieuwend is Halsall dus zeker niet (en we hebben zelf een hoop veelzijdiger stilisten in huis), maar hij heeft wel aandacht voor het bredere plaatje.

Onze afsluiter was het Pascal Schumacher Quartet, dat we een herkansing wilden geven na het wat tegenvallende concert in de AB vorig jaar. De nadruk lag opnieuw op Bang On A Can, met albumhoogtepunten “Water Like Stone” en “Bang On A Can”, die opnieuw aan mekaar gekoppeld werden. De band slaagde er in om zijn kamerjazz met popinvloeden overtuigend te brengen, al gebeurde dat deze keer het best als de teugels wat meer gevierd werden, zoals in een uitgerekt “Metamorphosis”. Ook het in tristesse wentelende “Seven Foutains” werd gebracht met een innemende expressiviteit, al stonden/zaten de bandleden er zo stoïcijns bij dat het leek alsof ze er zelf niet echt in geloofden. Opnieuw bereikte het kwartet niet de verwachtingen die een prima plaat als Bang On A Can schept, al was dit wel een degelijk concert en voor ons een geschikte afsluiter. Monty Alexander, Lizz Wright en het Frank Deruytter Q-Tet feat. Peter Erskine hebben we moeten missen en misschien had het iets kunnen veranderen, maar Dag 1 was eigenlijk een oerdegelijke, maar weinig verrassende of spannende dag. Gelukkig werd dat rechtgezet op Dag 2.

Deel 2 volgt snel…

E-mailadres Afdrukken
 
C-mine jazz

Uit ons archief
Banner

TEST