Banner

Marc Ribot - Really The Blues, 31 maart 2012, De Singel

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 01 april 2012

Wie Ribot vooral kent van bij potten- en pannenpoëet Tom Waits of de zowat veertig (!) platen die hij sinds 1989 opnam met John Zorn, die werd vermoedelijk getrakteerd op een verrassing van jewelste, want met Really The Blues dook de gitarist opnieuw diep in z’n roots; die van de soul en groovy jazz, maar vooral de onversneden blues. Dat hij het genre in de vingers heeft, lijdt geen twijfel, al werd nooit de extase bereikt die zijn beste werk kenmerkt.

De roots is eigenlijk een constante gebleven in Ribots grillige discografie, zie daarvoor nog zijn samenwerkingen met Joe Henry, Robert Plant en Alison Krauss of het geweldige partnerschap met Allen Toussaint (op plaat, maar vorig jaar vooral ook voer voor fijnproevers op Jazz Middelheim). Voor Ribot zijn entree maakte bij een breder publiek (hij debuteerde laat, op 31-jarige leeftijd op Tom Waits’ Rain Dogs) was hij al jarenlang sessiemuzikant bij bekende en minder bekende artiesten. Zo viel hij te horen op Solomon Burke’s genreklassieker Soul Alive! (uitgebracht in 1987, maar een zestal jaar eerder opgenomen) en werkte hij o.m. nog samen met legendarische jazzorgelist ‘Brother’ Jack McDuff. Misschien dat die ervaring hem ook nu deed teruggrijpen naar een bezetting met orgel.

Op dat instrument had hij de hulp ingeroepen van Cooper-Moore, een cultfiguur die als multi-instrumentalist en instrumentenbouwer vooral in de marge opereert met eigenzinnige bric-à-brac en soulvolle free jazz (zijn werk met Triptych Myth, Digital Primitives en Assif Tsahar willen we van harte aanbevelen), maar die hier een opvallend functionele rol op zich nam, met spel dat herhaaldelijk leek te refereren aan de rollende grooves van McDuff, maar ook de ronkende blues van Booker T Jones. De ritmesectie bestond uit bassist Brad Jones en drummer JT Lewis, beide muzikanten die, net als Ribot, zowel binnen het commerciële circuit als de avant-garde ervaring opgebouwd hebben. Sprekend voorbeeld voor Lewis: Henry Threadgill én Vanessa Williams - faut le faire. Deze keer zouden ze het experiment echter vooral naar de achtergrond schuiven.

Op de wat aarzelende aanzet na, waarbij Ribot even uitpakte met z’n kenmerkende gebroken stijl en een volumepedaal en die een avondje skronk beloofde, was dit een concert dat zich grotendeels hield aan de wetten van de blues. Vooraf werd aangekondigd dat Ribot zich vooral liet inspireren door Chicago blues en souljazz, maar de balans sloeg overduidelijk over naar dat eerste, ook al moet Chicago met een korrel zout genomen worden. Wat er in die stad plaatsvond, was immers niet mogelijk zonder de invloeden die de belangrijkste muzikanten als Muddy Waters, Junior Wells en Willie Dixon uit hun respectievelijke achtergrond meebrachten, waardoor de stadsblues vooral een amalgaam van insteken was.

Daardoor kon Ribot ook probleemloos overschakelen op “It Serves You Right To Suffer” van John Lee Hooker (die eerder vereenzelvigd werd met Delta blues en zijn thuisbasis Detroit). Een groot zanger is Ribot nooit geweest en zal hij evenmin worden, maar de bitsige verbetenheid waarmee hij speelde, was naar goede gewoonte vrij indrukwekkend, ook al werden de klassieke bluesschema’s gerespecteerd. Cooper-Moore kreeg hier en daar vrij spel en durfde al eens uitpakken met eigenzinnige uitvallen, maar opereerde duidelijk binnen afgetekende grenzen, met hier en daar knikjes aardse soul en zelfs heel even de West Coast jump blues. Nergens werd die evenwichtsoefening tussen harde stadblues en sensuele soul beter belichaamd dan in het werk van Chicago-legende Magic Sam, die ook een paar keer passeerde.

Zijn “Love Me With A Feeling” was een smachtend hoogtepunt, terwijl een instrumentale bis, waarvoor Cooper-Moore eindelijk achter de piano kroop, een vurig hoogtepunt was. En dat vuur was eigenlijk te lang afwezig. Ribot speelde naar goede gewoonte begeesterd over het instrument gebogen, maar de band leek soms wel met de handrem op te spelen. Bovendien ging het er soms verrassend flets aan toe, waarbij vooral drummer JT Lewis (die, toegegeven, te kampen had met een soms wanstaltige drumsound), niet altijd goed leek te weten van welk hout pijlen te maken. Het was geen setje vrije improvisatie, dus een gebrek aan verrassing hoeft geen bezwaar te zijn, maar wat hij liet horen was vaak erg ongeïnspireerd. Een eerste bisnummer, dat Ribot schreef voor een soundtrack, werd zo in een erg nonchalant en gemakzuchtig arrangement gestoken, waardoor het suikergehalte snel in het rood ging.

Al bij al was dit een degelijke performance van een van de meest opmerkelijke gitaristen van deze tijd, maar met concerten met Allen Toussaint of zijn meer experimentele trio Ceramic Dog in het achterhoofd, was dit toch een project dat leed aan zelfopgelegde beperkingen. Ribot is op z’n best als hij de kantjes eraf kan lopen, iets waar hij en (vooral) z’n band niet echt aan toe kwamen in een concert dat nochtans meer dan honderd minuten duurde. Of misschien moet je de pluchen zeteltjes van de cultuurtempel gewoonweg vervangen door krakkemikkige klapstoeltjes om die blues wat beter te voelen.

E-mailadres Afdrukken
 
Marc Ribot - Really The Blues, 31 maart 2012, De Singel

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST