Banner

PUKKELPOP: Rolling Blackouts Coastal Fever

''Onze songs moeten een beetje over zichzelf struikelen''

Evert Peirens - 08 augustus 2018

Australië zendt zijn zonen uit. Momenteel overwinteren de aussies van Rolling Blackouts Coastal Fever in onze contreien voor een passage op Pukkelpop. Komt goed uit: zo hoeven we niet down under te reizen voor een kennismaking. Enola schoof aan tafel bij Fran Keaney (zang en akoestische gitaar) en Joe White (zang en elektrische gitaar) om te keuvelen over osmose, voorouders en, euh, Kendrick Lamar.

enola: Rolling Blackouts Coastal Fever, hoe zit dat eigenlijk met die naam?
Joe White: “Wel, eerst was het gewoon Rolling Blackouts, naar een nummer dat Tom (Russo, de derde zanger-gitarist, ep) ooit schreef toen hij met koorts in Cambodja zat en een zware storm daar stroompannes veroorzaakte. Toen bleek dat er nog wat bands waren met de naam Rolling Blackouts, hebben we dus de twee woorden die naar Toms situatie verwijzen toegevoegd om een onderscheid te maken. Veel meer betekenis zit daar eigenlijk niet achter. En gemakshalve gebruiken we Rolling Blackouts C.F..

enola: Sommige pers ziet jullie als de opvolgers van die andere Australische band, the Go-Betweens. Hoe voelt dat om in zo’n grote schoenen geduwd te worden?
Fran Keaney: “Niet mee akkoord. (lacht)”
White: “De gelijkenissen zijn er misschien, maar die zijn puur toeval. We gebruiken ook gitaren om melodieën te creëren. Ook de vocalen kwamen er meer door in andere bands te spelen en door het besef dat we niet de beste zangers zijn, dat we niet te ambitieus konden zijn. Zoals we het nu doen, met drie zangers, heeft het wel iets weg van Forster-McClellan (het creatieve duo achter the Go-Betweens, ep). Er is natuurlijk wel invloed.”
Keaney: “Het idee dat we de schoenen vullen van the Go-Betweens is niet iets waar we akkoord mee gaan, want het blijft toch een van de grootste bands ooit. Maar de vergelijkingen zijn in alle geval wel flatterend. Een deel ervan is osmose door het luisteren naar Australische acts. Die hebben een bepaalde uitgesproken aanpak wat gitaarmelodieën betreft, een beetje skronky, een beetje melancholisch, iets in de onderstroom. Er zijn dus nog bands die net als wij in die traditie werken. Het is wel zo dat vooral Toms stem toevallig veel weg heeft van die van Robert Forster. In het begin dachten we: verdorie, die gast klinkt als Tom, wanneer we naar the Go-Betweens luisterden. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat Robert Forster van Tom leent of zo. (lacht) Nu, er zijn nog meer bands waar we gelijkenissen mee vertonen. Paul Kelly is een Australische singer-songwriter die we allemaal enorm bewonderen. The Triffids, Sleepy Jackson … Die elementen zitten allemaal een beetje in onze muziek.”

enola: Jullie zijn van Melbourne, net als Courtney Barnett, die de dag voor jullie passage in AB eind mei speelde. Komen jullie elkaar wel eens tegen in het circuit?
Keaney: “Toen niet, we kwamen die dag uit Berlijn afgezakt. Maar die van Loose Tooth, Courtney’s voorprogramma op haar tournee toen, zijn goeie vrienden van ons en hen zijn we wel tegengekomen op een festival in Atlanta, eerder dit jaar. In Amsterdam konden we hun eerste optreden buiten Australië meepikken. Da’s wel leuk, natuurlijk.”

enola: En in Melbourne zelf, hoe gaat het daar voor jullie?
White: “Goh, dat kan je echt alleen inschatten aan de hand van hoeveel mensen er naar je shows komen. Radiostation Triple J draait ons wel prominent en die steun is leuk als duwtje in de rug. Zo vinden meer mensen de weg naar onze concerten. Maar als je lang op tournee bent in het buitenland, dan is dat moeilijk in te schatten.”
Keaney: “We hebben wel al uitverkochte shows gespeeld in Melbourne en Sydney, maar we laten nu ook geen stadions vollopen. Ik denk dat we qua publiek ongeveer op het niveau van de rest van de wereld zitten wat dat betreft, een publiek van vier- tot vijfhonderd mensen. Onze grootste zaalshow tot nu toe was in Londen trouwens: minstens duizend! Misschien volgen er nog grotere massa’s, wie weet.”

enola: Jullie langspeeldebuut Hope Downs is inmiddels al even op de markt. Wat is jullie oordeel over de plaat?
White: “We zijn er best tevreden mee, ik denk wel dat het de plaat is die we wilden maken. We hadden wel geen exact beeld voor ogen wat voor album we zouden maken. Eerder een verzameling losse songs die uiteindelijk samen kwamen in een gebald idee dat we vorm gaven tijdens het opnameproces. Vooral wat het geluid betreft, ben ik opgetogen met de opname. Er staan goeie gitaren op. Ik kan daar wel van genieten en we zijn er in geslaagd dat mooi op te nemen.”
Keaney: “Ik ben ook blij met de thematiek op het album, hoe het idee van Hope Downs tot zijn recht komt. Hope Downs is een mijn in West-Australië, eigenlijk niet meer dan een enorm gat in de grond. Dat sluit aan bij het idee van een weidse open leegte en vele songs op het album gaan over de omgang met zo’n enorme ruimte voor je, alsof je op de rand van iets onmeetbaar staat. “Mainland”, bijvoorbeeld. Die song is geschreven door Tom toen hij met zijn vriendin op reis was naar het kleine eiland van zijn voorouders in Italië. Als je terugkeert naar je oorsprong, kan je zo’n bevreemdend gevoel van geestelijk thuiskomen beleven. Hij vertelde daarover hoe geschiedenis tastbaar werd en hoeveel geluk hij wel niet had dat zomaar te mogen meemaken, terwijl er niet ver daar vandaan vluchtelingen toestroomden. Dan komen al die diepmenselijke gevoelens waarvoor je nooit een verklaring hebt naar boven: fortuinlijkheid of dom geluk en de redding die liefde schenkt. Daar gaat het album vaak over, het appreciëren van de kleine schoonheid in de grootsheid van tijd en ruimte.”

enola: Er is een bepaalde jaren tachtig-vibe aan jullie muziek. Hoe kwam dat tot stand?
Keaney: “Dat komt meer door die osmose van invloeden en een gevolg van onze werkwijze. Zo verkrijgen we die jengelende, weidse popsongs. Je kan als luisteraar bewust op zoek gaan naar die invloeden en ja, die zijn er wel, maar da’s alleszins geen bewuste keuze.”
White: “Het komt gewoon voort uit samen spelen, enkele akkoorden herhalen tot er melodieën ontstaan. Misschien is dat hoe bands van toen het ook deden. Dat is misschien een link.”
Keaney: “Onze benadering is meer lo-fi: we nemen live op en leggen daar later nog gitaarpartijen en zang over, zoals veel bands dat deden in de late seventies, vroege eighties. We probeerden het wel op de “moderne” manier met verschillende sporen, maar voor deze band werkt dat niet echt. Onze songs moeten een beetje over zichzelf struikelen, er moet wat interactie in zitten.”

enola: Live is dat net zo: bij jullie optreden in AB Club eind mei viel het op dat jullie, in tegenstelling tot tal van andere bands, amper effecten gebruiken.
Keaney: “Precies, ik heb zelf maar drie pedalen staan. Het geluid moet uiteindelijk van de gitaren zelf komen.”

enola: Straks spelen jullie op Pukkelpop. Hoe is zo’n groot festival anders voor jullie dan een kleine clubshow?
White: “Het is alvast een enorme kans om voor een grotere massa te kunnen spelen met veel volk dat ons misschien nog niet kent. Onze muziek is ook best dansbaar, dus ik kijk er naar uit om te zien hoe de mensen zich amuseren. Clubshows zijn meer intiem. Dan is het leuk van mensen te zien die echt naar je komen luisteren. Er is meer connectie met het publiek zo. Je kan meer inspelen op de energie in de zaal. Beide zijn eigenlijk fantastisch, maar een affiche delen met Kendrick Lamar is zeker heel mooi meegenomen.”
Keaney: “Op Coachella konden we van nabij de set van Beyonce volgen, dus festivals hebben zo nog wel hun voordelen op zaalshows. Wij hebben wel geen dansers op de achtergrond: te duur om ze over te vliegen. (lacht)”

E-mailadres Afdrukken