Banner

Column: Rooting Interest

Het feest van de folk

Toon Waroux - 07 juni 2018

Elke maand schrijft onze correspondent Toon Waroux over muziek met wortels

Toen ik voor de eerste keer op een folkfestival belandde, in de jaren negentig, had ik er al een paar Torhout-Werchters en een paar kleinere rockfestivals op zitten. Mijn idee van een festival was dat van een grote wei met één podium, waarop een redelijk homogene doorsnede van Studio Brussel te zien viel en vooral veel volk op te weinig plaats. Verder nog een toog waar je pils, cola en water kon bestellen en een paar wc’s waar je ter plekke smetvrees op zou krijgen.

Op dat eerste Folkfestival Dranouter viel ik bij gevolg van de ene verbazing in de andere. Zo bleek het aanbod aan de dranktoog vergelijkbaar met dat van een gemiddeld volkscafé en was de catering van het niveau waar je een weekendje culinair op kon teren. Waar je op de rockfestivals tevreden moest zijn met verkoolde of half rauwe hamburgers en braadworsten, vergezeld van fluogele frieten, was het aanbod op Dranouter schier eindeloos en bovendien nog van een degelijke kwaliteit ook. Je kon er bijvoorbeeld verse soep en spek met eieren krijgen, en ovenkoeken of rijstpap als nagerecht. En je kon dat festijn opeten aan tafels met mes en vork, in plaats van in het Brabantse slijk te moeten hurken. En kent u nog een ander festival waar ze Sint Bernardus Abt (Westvleteren dus eigenlijk) van ’t vat tappen?

Dranouter was qua publiek veel kleiner dan Werchter, maar de oppervlakte van de festivalwei was niet evenredig kleiner, waardoor er een zalig gevoel van ruimte was. Waar ik op Werchter na een paar uur al een hartsgrondige hekel had aan mijn medemens, had ik dat gevoel niet op het gemiddelde folkfestival en dat heeft in de eerste plaats te maken met de lagere bevolkingsdichtheid. In plaats van een eindeloos geschuifel en gewriemel met wachttijden voor zowat alles, wandelde je er gewoon rustig rond. Kinderen voetbalden er terwijl hun oudjes een glas pastis degusteerden of door cd’s snuisterden in de muziekstand. Naar het podium kon je wandelen zonder enig noemenswaardig gewring, wat in tijden voor de invoering van videoschermen een standaardprocedure was op grote rockfestivals. Kortom: chillax nog voor het woord uitgevonden was.

Lang voordat er awards voor werden bedacht, waren veel folk- en ethnofestivals al heel bewust bezig met hun ecologische voetafdruk. Drank wordt op de kleinere festivals nog vaak geschonken in glazen of herbruikbare bekers, rietvelden tussen urinoirs zorgen voor een ecologischere afwatering, ecotoiletten waarvan de verzamelde inhoud nadien als mest wordt gebruikt door de boeren van de streek en meer van dat soort ideeën. Zo’n houten biotoilet zit overigens veel aangenamer dan die plastic rommel van Dixie.

Toen ik naar die eerste Dranouter ging, was ik eigenlijk nog geen echte folkliefhebber. Op een paar LP’s van Bob Dylan, Wannes Van De Velde en Ed Kooyman na, was mijn platenkast vooral met rock en blues gevuld. Maar doordat Dranouter toen al een podium of vier had, belandde ik af en toe bij optredens van stijlen waar ik nog nooit van gehoord had en die ik bijzonder boeiend vond. Na die eerste editie heb ik wekenlang de audio-afdeling van de bibliotheek geteisterd om al die muziek te kunnen tapen (*). Van de Klezmer van Giora Feidman, over de texmex van Louisiana Radio tot de Rai van Khaled. Uren aan compilatietapes heb ik die zomer samengesteld.

De grootste verwondering op die eerste Dranouter was het feit dat het feest niet afgelopen was na het laatste akkoord van de topact. Op andere festivals werd je destijds nog met al dan niet zachte dwang van het terrein verwijderd na de hoofdact en eventueel vuurwerk, maar in daar in de Westhoek was dat nog maar het begin van een stomende fuif met feestorkest in de dranktent. Destijds was die tent zo’n zestig à tachtig meter lang op vijftien à twintig meter breed. Aan de langszijde één grote biertoog en aan de kop van de tent een podium met een band die vlammende zydeco speelde. Iedereen stond op tafels en banken te springen, er werd gedanst op de toog en er hingen malloten in de tentmasten. En dat alles tot het ochtendgloren. Opeens werd het me duidelijk waar het woord “festival” van afgeleid was. Dit was het echte feesten, in tegenstelling tot een aaneenschakeling van concerten.

Ten slotte is er nog één voordeel aan folkfestivals dat pas met het rijpen der jaren duidelijk wordt. En het wordt ook steeds belangrijker: stilte op de camping. Toen ik nog een studentikoze snaak was, vond ik het nachtbraken op een camping ook wel eens leuk, maar naarmate de jaren vorderen, zie je daar steeds minder de lol van in en kan je het fysiek ook steeds minder verteren. Op die enkele mainstream festivalcampings die ik de laatste jaren bezocht heb, was er nog niet veel veranderd, op mijn oordoppen na. Op folkfestivals leeft blijkbaar meer het idee dat je feesten best op de festivalwei doet en op de camping elkaars rust respecteert. Daarenboven heeft Dranouter al heel lang een aparte stille camping, waar de rust na 23 uur bewaakt wordt. Dat heeft alles te maken met het feit dat folk- en wereldmuziekfestivals in veel hogere mate dan rockfestivals een familiepubliek aantrekken.

Of aantrokken. Want het moet gezegd zijn: stilaan beginnen de rock-, pop- en dancefestivals hun folk & ethnocollega’s bij te benen. Althans toch wat de omkadering betreft. Qua muziekaanbod blijf ik lekker op mijn rootseilandje.

(* voor de jongere lezer: dat is de voorloper van downloaden)
E-mailadres Afdrukken