Banner

ANNEE 67 : Captain Beefheart And His Magic Band

Safe As Milk (1967)

Bjorn Weynants - 04 september 2017

Vijftig jaar geleden ontpopte 1967 zich stukje bij beetje als een wonderlijk muziekjaar. Klassieker na klassieker uit de muziekgeschiedenis zag het levenslicht en ook in de schaduwen daarvan krioelde het van het leven. Daarom brengt enola.be het hele jaar door een eerbetoon aan dat gezegende ANNEE 67.

“Well I was born in the desert / Come up from New Orleans”. Hoewel niet helemaal waarheidsgetrouw was deze openingszin van Captain Beefhearts debuutalbum Safe As Milk meteen een soort onafhankelijkheidsverklaring. Het was blues, maar niet zoals we het kenden. Een album dat toen wel erg out there leek te zijn, maar dat achteraf bekeken zowat Beefhaerts meest toegankelijke werk bleek.

Door een merkwaardige speling van het lot was Lancaster, een klein, saai stadje op 100 kilometer van de uitdijende metropool Los Angeles en gelegen aan de rand van de onherbergzame en bloedhete Mojave woestijn, de plek waar twee van de meest idiosyncratische Amerikaanse muzikanten van de vorige eeuw opgroeiden in de jaren ‘50 en ‘60. Frank Zappa en Don Vliet -- de “Van” voegde hij er later zelf aan toe -- leerden elkaar kennen als buitenbeentjes op de plaatselijke middelbare school. Ze ontdekten dat muziek een gemeenschappelijke passie was en samen luisterden ze naar platen, vooral doo-wop en blues. Nadien zouden ze in hun jeugdige naïviteit werken aan een rockopera (I Was A Teenage Maltshop) en daarna aan een film (Captain Beefheart Vs. The Grunt People). Beide werden nooit afgewerkt, maar aan de film hield Don Vliet later zijn artiestennaam over. Daarna trok Zappa richting L.A. om er The Mothers Of Invention op te richten, Vliet bleef nog even achter in Lancaster.

Jeugdvriend Alex Snouffer (gitaar) keerde terug naar Lancaster en richtte er samen met Van Vliet (zang, mondharmonica) de eerste versie van Captain Beefheart And His Magic Band op. Hoewel Snouffer initieel de bandleider was, nam de eigengereide Van Vliet al vlug het zeggenschap in de groep over. Hij zorgde ervoor dat de band de obligate Rolling Stones-covers achter zich liet en overschakelde op eigen werk. Met succes, want stilaan kreeg de groep de kans om verder weg van de thuisbasis op te treden en via A&M konden ze zelfs twee singles uitbrengen. Het -- meer dan vermoedelijk apocriefe -- verhaal wil dat A&M de band aan de deur zette omdat de grote baas vond dat hun nieuwste nummer “te negatief” was en niet veilig voor zijn dochter.

Maar er moest nog een puzzelstuk gelegd worden. Van Vliet, die in zijn jeugdjaren vooral bezig was met beeldhouwen, had immers niets van muzikale opleiding in welke vorm dan ook genoten. De manier waarop Van Vliet zijn muzikale ideeën uitte door gewoon in volzinnen te beschrijven hoe hij de muziek aanvoelde, was onbegrijpelijk voor zijn bandgenoten. Wat hij nodig had, was een muzikale directeur die zijn ideeën kon vertalen naar een voor de anderen begrijpbare muziektaal. Tijdens een optreden op een festival viel de 19-jarige gitarist van een andere groep hem op. Met de nodige overredingskracht slaagde Van Vliet er in om Ry Cooder -- want over hem ging het hier -- te overtuigen om toe te treden tot The Magic Band.

Langzaamaan had Van Vliet de groep gekneed tot een die zijn visie op de blues uitdroeg. In tegenstelling tot The Rolling Stones en de andere blanke bluesbands die in hun zog opdoken, ging hij niet met twee voeten in de traditie staan. Hij nam de blues, stofte ze af, keerde ze binnenstebuiten en maakte er een geheel eigen versie van. Een optreden van jazzsaxofonist Rahsaan Roland Kirk in Shelley’s Manne Hole speelde daar een grote rol in. Kirk, die meerdere saxofoons tegelijk bespeelde en die avond met een politiesirene rond zijn nek rondliep op het podium, maakte Van Vliet duidelijk dat je de geldende muzikale regels eigenlijk evengoed aan je laars kon lappen als je het maar met de nodige overtuiging deed. De muziek die Van Vliet wou brengen was de blues, maar dan gespeeld met de vrijheid van de free jazz.

In de lente van 1967 nam de band zijn debuut Safe As Milk op. Een album dat gekenmerkt wordt door bevreemdende, bijna absurdistische teksten en ongewone ritmes waar de muziekliefhebber toen kop noch staart aan kon krijgen. Van Vliet zelf werd, onder andere door een combinatie van steeds frequentere paniekaanvallen en allerlei hallucinerende middelen, steeds tirannieker en onhandelbaarder. Ondanks de bij momenten gespannen sfeer door het onvoorspelbare gedrag van Van Vliet klonk de plaat toch als het resultaat van een coherente, goed geoliede groep. Safe As Milk opent met “Sure ‘Nuff ‘N Yes I Do”, dat klinkt als een samenvatting van een halve eeuw bluesgeschiedenis. Het nummer drijft op een bluesriff die losjes geïnspireerd was op “Rollin’ And Tumblin’” van Muddy Waters -- die het op zijn beurt in de beste bluestraditie van toe-eigening elders was gaan halen -- en Captain Beefheart zong alsof hij een bastaardzoon was van Howlin’ Wolf. Dan vergeten we nog de slide gitaar waarmee Ry Cooder de geest van Blind Willie Johnson oproept.

“Electricity” is blues onder hoogspanning. Het roept de sfeer van de desolate woestijn op, mysterieus en zwoel tegelijk. De zangpartij van Van Vliet op dit nummer is een van de indrukwekkendste vocale prestaties die hij ooit zou leveren. Een zeldzaam moment waarop technisch kunnen en gevoel perfect samenvallen. De titel van het nummer “Abba Zaba” verwijst naar Van Vliets favoriete snoepgoed, de tekst is grotendeels nonsensicaal en het geheel drijft op een Afrikaans ritme. Ook op “Zig Zag Wanderer” en “Yellow Brick Road” wordt de blues eigengereid onder handen genomen en bijna onherkenbaar achtergelaten. Slotnummer “Autumn’s Child” -- Cooders favoriet -- balanceert op een spanningsboog tussen mysterie en groove.

Met “Grown So Ugly” staat er ook een cover op het album. Het werd geschreven door bluesmuzikant/bajesklant Robert Pete Williams, maar klinkt in de handen van Beefheart en zijn kornuiten als een maniakale weeklacht. Dat Captain Beefhaert nummers kon schrijven die bijna -- let wel, we zeggen ‘bijna’ -- als radiovriendelijk door het leven kunnen gaan, toonde hij met de doo-wop van “I’m Glad”, het sensuele “Where There’s Woman” en het conventioneel klinkende “Call On Me”. Het zijn composities die uiteindelijk buitenbeentjes zullen blijven in het werk van Van Vliet. Alsof hij wou zeggen dat hij ook zo’n stijlen aankon, maar dat die hem toch onvoldoende expressie konden bieden. Hier zorgen ze echter voor extra muzikale diversiteit.

Nog een mysterie dat rond Safe As Milk hing, was de identiteit van een zekere Herb Bermann die op 9 van de 12 nummers naast Van Vliet staat vermeld als auteur. Zelfs de andere bandleden wisten niet wie hij was. Van Vliet stelde verschillende personen aan hen voor als zijnde Bermann. Al spoedig ging het gerucht dat Bermann eigenlijk niet bestond en een handigheidje was van Van Vliet om zijn auteursrechten te optimaliseren. De verwarring was compleet toen dezelfde naam een paar jaar later opdook in de credits van Neil Youngs After The Gold Rush. Pas in 2000 kon een journalist de echte Herb Bermann opsporen; het bleek een obscure dichter en gesjeesde acteur te zijn.

Na de opnames van Safe As Milk stond de groep geprogrammeerd op het Monterey festival. Tijdens een optreden een paar dagen eerder gedroeg Van Vliet zich zelfs voor zijn eigen doen meer dan bizar, waarna hij de band aan haar lot overliet. Ry Cooder had het intussen wel gehad had met het excentrieke gedrag van Van Vliet en verliet per onmiddellijk de groep. Als gevolg speelde de onthoofde Magic Band een weinig memorabel optreden op het legendarische festival. Een gouden kans om door te breken bij een groter publiek was definitief verkeken. Voor Van Vliet het sein om nog extremer te gaan in zijn visie en de blues in die mate uit te benen, uit elkaar te halen en willekeurig weer in elkaar te flansen dat ze bijna onherkenbaar werd. Dat leidde twee jaar later tot Trout Mask Replica. Maar dat is een ander verhaal.

E-mailadres Afdrukken