Banner

Waiting Around To Die

Townes Van Zandt, de laatste der verdoemde poëten

Bjorn Weynants - 03 januari 2017

Het overlijden van Townes Van Zandt op 1 januari 1997 -- 20 jaar geleden -- was een kroniek van een aangekondigde dood. Geplaagd door verslavingen en psychische problemen was hij al jaren een schim van zichzelf. Maar heel even, tijdens de overgang van de jaren ‘60 naar de jaren ‘70, slaagde hij erin om zijn demonen in een aantal meesterwerken te kanaliseren.

De jonge Townes Van Zandt was nooit voorbestemd om in de muziek te gaan. Opgroeiend in een voorname familie met een roemrijke traditie in de Texaanse oliesector – er is zelfs een plaats in Texas vernoemd naar een van Townes’ voorouders: Van Zandt County – leek er eerder een carrière als advocaat of politicus voor hem weggelegd. Een vaste thuisbasis heeft Townes Van Zandt nooit gehad. Vader Harris Van Zandt werkte als advocaat in de olie-industrie, een job waarvoor de familie Van Zandt vaak moest verhuizen. Towens Van Zandt woonde tijdens zijn jeugd in de Amerikaans staten Texas, Montana, Minnesota en Colorado. De periode van relatieve stabiliteit die hij kende tijdens zijn huwelijk met zijn eerste vrouw, zijn jeugdliefde Fran Petters, was maar van korte duur. Onder invloed van Bob Dylan, Lightnin’ Hopkins en Hank Williams opteerde hij voor een andere weg, zijn muzikale muze volgend: de rusteloze en immer zoekende weg van de troubadour.

In een uitbarsting van creativiteit bracht Van Zandt hij in de periode 1969-1972 vijf platen uit: Our Mother The Mountain (1969), Townes Van Zandt (1970), Delta Momma Blues (1971), High, Low And In Between (1972) en The Late Great Townes Van Zandt (1972), die de kern van zijn oeuvre vormen. Maar net zoals de negentiende-eeuwse poètes maudits -- dichters als Charles Baudelaire, Arthur Rimbaud en Paul Verlaine -- bleef hij altijd aan de zelfkant van de maatschappij, buiten de mainstreamcultuur. Het was in deze periode dat hij niet alleen een creatieve piek kende, maar ook helemaal wegzonk in een poel van drank, drugs en ziekte, waar zijn kunst voorrang had op een welgeplande carrière. Zijn teksten hebben niet de beeldspraak van Bob Dylan, het cerebrale van Leonard Cohen of de pathos van Jim Morrison. Maar meer nog dan die andere muzikant-dichters slaagt Van Zandt, met zijn teksten die dieper snijden dan die van wie anders, er als geen ander in zijn eigen condition humaine vast te leggen.

Het keerpunt

In 1969 stond de 25-jarige Townes Van Zandt op een keerpunt in zijn carrière. Zijn eerste plaat, For The Sake Of The Song, was uit maar had geen potten gebroken. Zijn huwelijk was finaal op de klippen gelopen en lange tijd had Van Zandt geen eigen thuis. Via het zogenaamde couch circuit trok hij van de sofa van de ene vriend naar de zetel van de andere. Het langst bleef hij bij die andere singer-songwriter, Guy Clark, en diens vrouw Susanna. Het echtpaar Clark bleef altijd een ankerpunt waar Van Zandt steun kon vinden.

In deze nomadische periode maakte Van Zandt voor zichzelf uit dat hij zich helemaal moest werpen op de muziek. Een alternatief was er immers niet. Zijn studies aan de universiteit in Boulder had hij niet afgemaakt en als voorname zakenman de familietraditie verderzetten ging tegen zijn natuur in. De geboorte van zijn zoon John Townes was de spreekwoordelijke druppel voor Van Zandt. De verantwoordelijkheid voor zijn gezin was hem te veel. Enkel zijn muziek bleef nog over als pure noodzaak.

De zomer van ‘69

In de zomer van ‘69 trok Van Zandt, op aandringen van platenbaas Kevin Eggers, naar het mondaine Malibu om er zijn tweede album Our Mother The Mountain op te nemen. Die verandering had Townes Van Zandt moeten helpen om de lokroep van de verslaving te kunnen weerstaan. Van Zandt was altijd al een serieuze drinker geweest, maar in deze periode was niet alleen zijn drankgebruik problematisch geworden, hij maakte ook kennis met heroïne. De verandering van locatie bereikte eerder het omgekeerde effect. Zijn bijdrage tot het opnameproces van zijn album beperkte zich het inspelen van zijn gitaar- en zangpartij. Van Zandt profiteerde vooral van het zonnige Californische weer, waarbij hij elke avond wel ergens op een feestje zich tegoed deed aan drank en drugs.

Al was dat niet te horen aan het eindresultaat. In tegenstelling tot zijn debuutalbum werden de arrangementen hier grotendeels sober gehouden en de performances van Van Zandt waren doorleefd en goed uitgevoerd. Our Mother The Mountain was een album waarin Van Zandt zijn ziel blootlegde. Een van zijn meest bloedstollende songs is “Kathleen”, een song als een open zenuw waarin hij meesterlijk de wanhoop in zijn hoofd beschreef: “It's plain to see, the sun won't shine today / But I ain't in the mood for sunshine anyway / Maybe I'll go insane / I got to stop the pain”. Zijn muziek was in wezen in traditie gedrenkte folk en de teksten waren zeer persoonlijk. Ook al was de Amerikaanse zomer van ’68 erg bewogen, voor maatschappelijke bespiegelingen moest je niet bij Van Zandt zijn. Af en toe -- zoals in het titelnummer “Our Mother The Mountain” -- hoor je wel de moderne invloed van Dylan op het beeldrijke taalgebruik, maar het album wordt gedomineerd door songs die melancholie en een zekere berusting uitstralen.

Townes Van Zandt was het archetype van de zoekende eenling, altijd op zoek naar de een plaats waar hij thuis kon zijn, om dan tot conclusie te komen dat thuis altijd elders is. De samenleving was voor hem een noodzakelijk, soms zelfs vijandig, kwaad. Een constante in Van Zandts leven was de lokroep van de wildernis en de bergen van Colorado. Als er ergens een plaats was waar hij zich toch een beetje thuis kon voelen, dan was het daar, in de ongetemde natuur tussen de hoge bergtoppen.“I’m headed for home / Back to high Colorado / Never more for to roam”, klinkt het in “My Proud Mountains”.

Our Mother The Mountain kwam uit in het najaar van 1969, maar brak geen potten. Van Zandt bleef de rest van het jaar rusteloos door de Verenigde Staten trekken, steeds verder wegzinkend in de verslaving van drank en drugs. Optredens vonden veelal plaats in kleine achterafzaaltjes of obscure folkzaaltjes. De uitzondering was een optreden in de prestigieuze Carnegie Hall, al bracht dat hem geen verdere bekendheid.

Demonen in het hoofd

Voor Townes Van Zandt was het optreden voor een publiek het alpha en omega van het artiestenbestaan. “Wat ik schrijf is tussen de kosmos en mezelf. De enige persoon aan wie ik verantwoording moet afleggen ben ik”, zei hij er zelf over. Van studio-opnames maakte hij zich zo makkelijk mogelijk af. Voor zijn debuutalbum For The Sake Of The Song werd er een beroep gedaan op de vermaarde producer Cowboy Jack Clement ( ook producer van Johnny Cash) die zich vergreep aan de songs en er zeemzoete strijkers en allerhande tierlantijntjes aan toevoegde. “Ik was niet al te gelukkig met wat ze met dat album gedaan hebben”, zei Van Zandt er later over. Hij was zelfs zo misnoegd dat hij op zijn derde album, Townes Van Zandt (1970) vier nummers van zijn debuut hernam in een uitgebeende en duidelijk superieure versie. Dat album volgde het steeds weerkerende patroon: Van Zandt nam zo snel mogelijk zijn partijen op en liet dan de rest van de afwerking over aan iemand anders, terwijl hij alweer onderweg in allerlei groezelige zaaltjes stond op te treden.

Ook op dat titelloze derde album stonden een aantal songs waarmee hij zijn demonen wou uitdrijven. Al tijdens zijn jeugd was vastgesteld dat Van Zandt manisch-depressief was. In 1964 drong zijn familie erop aan dat hij in de befaamde psychiatrische instelling Galveston opgenomen werd om er elektroshocktherapie te ondergaan. Men geloofde dat deze behandeling Van Zandts psychoses kon genezen. Het gevolg was echter dat grote stukken uit zijn langetermijngeheugen gewist werden. De soms allesverlammende donkerte in zijn hoofd verwoordt Van Zandt meesterlijk in “Lungs”: Breath I'll take and breath I'll give / Pray the day's not poison / Stand among the ones that live / In lonely indecision”. Het opnieuw opgenomen “Waitin” Around To Die” toonde zijn strijd met zijn verslavingen waarmee hij de muizenissen in zijn hoofd wou bedwingen: “I guess I keep on gamblin' / lots of booze and lots of ramblin' / It's easier than just a-waitin' 'round to die”. Het was een strijd die hij tot het einde moest strijden, om er uiteindelijk aan ten onder te gaan.

Toch was er een dualiteit die ook zijn optredens kenmerkte: bloedernstige songs werden aan elkaar gepraat met vaak erg onnozele grapjes. Ondertussen werd in 1970 zijn scheiding officieel bekrachtigd. Dat werd bijna een symbolische moment in het leven van Van Zandt. Nog even probeerde hij door te gaan, maar spoedig begon hij steeds dieper weg te zinken in de negatieve spiraal van zijn verslavingen, werd hij een steeds moeilijker persoon in de omgang en keerde hij zich steeds meer af van de maatschappij.

Townes Van Zandt was een van de laatste rondtrekkende troubadours. Een muzikant die lak had aan maatschappelijke geplogenheden en voor wie materiële welstand van geen belang was. De muziek, en dan nog het liefst uitgevoerd on the road, was zijn primaire drijfveer. Maar tegelijk werd hij ook de diepte in gesleurd door zijn verslavingen en mentale problemen. Hij was een moeilijke persoon in de omgang, die zijn familie en vrienden steeds weer tot wanhoop dreef omdat elk verlangen naar voorspelbaarheid of zekerheid hem compleet vreemd was. Figuren als Van Zandt kom je in de hedendaagse muziekwereld, die ook ver weg van de mainstream gekenmerkt wordt door een toenemende professionaliteit, niet meer tegen. Dat hij dag op dag 44 jaar na zijn idool Hank Williams -- nog zo’n getroebleerde persoonlijkheid -- stierf, was een treffende speling van het lot.

E-mailadres Afdrukken