Punx Not Dead

Hoe punk ook vandaag nog leeft in de Belgische underground

Karel Geuens - foto's: Thomas Geuens - 08 december 2016

Afgelopen weekend blies punk veertig kaarsjes uit. Dat we vandaag die verjaardag vieren, had Dee Dee Ramone ongetwijfeld nooit voor mogelijk gehouden toen hij veertig jaar geleden met zijn bandje voor een halflege CBGB’s speelde. Nochtans is het niet zo gek dat het genre nog steeds zoveel mensen aanspreekt. Sociale onrust, politieke ontevredenheid, relatieproblemen en drankgebruik laten zich ook nu nog gemakkelijk vertalen naar snelle, simpele, luide en agressieve muziek. Karel Geuens, die al even meedraait in de Belgische punkscene, houdt hier een krachtig pleidooi pro domo.

Anno 2016 is punk toegankelijker dan ooit. De tijd van ongetalenteerde muzikanten en valse, schreeuwerige zang ligt al lang achter ons. Vraag evenwel een leek naar punk, en het zullen net die twee karakteristieken zijn die nog altijd het eerst worden genoemd. Ten onrechte: niet alleen de maatschappij veranderde tussen 1976 en 2016, ook in België is punk – langzaam, maar niettemin zeker – geëvolueerd.

Geen tussenpersonen, geen riders

In ons land waren het The Kids die destijds de spits afbeten (en daar ook dit jaar nog wat op nasjiekten). De Belgische punkscene gaat echter over veel meer dan alleen The Kids. Punk leeft nog steeds, maar dan onder de radar, daar waar het genre altijd al thuishoorde. Het zogenaamde underground- of DIY-circuit binnen de punkrock blijft zo een goed bewaard geheim, waarbij je wél elke week ergens een – soms gewoon lokale - band aan het werk kan zien. Die speelt vaak even goed als giganten zoals Green Day of The Offspring, maar je betaalt er slechts een fractie van de prijs voor.

Het aanbod is groot, de vraag echter kleiner. Potentiële luisteraars hebben de keuze: naar een optreden gaan waar je vijf euro inkom voor betaalt, of een avond op café zitten met vrienden. Vaak haalt dat laatste de bovenhand. Dit is dan ook een van de redenen waarom promotors en bookers geregeld in eigen zak moeten zitten wanneer ze een gezellige avond vol punkshows willen organiseren. En de essentie zit wel degelijk in dat woord show, een van de weinige termen die zowel voor een Broadway-musical als voor een kraakpandconcert kan worden gebruikt. Daar zit de doe-het-zelfmentaliteit voor veel tussen: in tegenstelling tot bij professionele concerten verloopt alles vaak een beetje rommelig, maar dat maakt het allemaal des te persoonlijker.

Van het 'better than thou'-syndroom is hoegenaamd geen sprake. Er zijn geen tussenpersonen nodig, en artiesten hebben ook geen riders van vijf pagina’s. Wat je hier wel vindt is veel wederzijds respect, hulpvaardigheid en gelijkgezindheid. Stef van de ter ziele gegane powerviolenceband Vuur zei het ooit zo in fanzine Ten/Fifteen: "Hou je projecten underground. Het is de enige manier om controle te houden over wat je doet, het is misschien wel de enige manier om hardcore onafhankelijk te blijven."

Als het om punk gaat, is België overigens een erg verwend land. De hele week door is er wel ergens een optreden in een kraakpand of een kelder. Vaak zijn het er zelfs twee op dezelfde avond, zodat het soms kiezen wordt waarheen. Die rijkdom is te verklaren door de specifieke ligging van ons land. België is immers een gemakkelijke tussenstop voor bands die vanuit het Verenigd Koninkrijk op weg zijn naar Frankrijk, Nederland of Duitsland. Een rit van België naar pakweg Nederland duurt niet veel langer dan twee of drie uur. Tegelijk kan je als band wel twee verschillende shows spelen in twee landen met elk hun eigen cultuur, en dat voor een even talrijk publiek. Bovendien zijn er weinig tolwegen, zodat een kleine omweg via Luxemburg voor goedkopere benzine nog besparend kan zijn ook. Alleen al logistiek is een tussenstop-met-concert in België dus een slimme keuze.

Omgekeerd werkt het natuurlijk ook. Voor ‘onze bands’ is het buitenland evenmin veraf. "Naar Oostenrijk rijden voor één show? Dat klonk voor mijn collega’s in de brandstoftankenfabriek en voor mijn familie nogal raar. Maar zij zijn geen punkrockers en moeten dus niet tussenkomen!" veegde Ricky D van The Priceduifkes ooit bedenkingen van tafel. En zo werkt het ook. Punkrockmuzikanten zijn doorgaans sobere consumenten. Ze moeten immers op hun geld letten als ze eten en onderdak willen, maar dat hebben ze er gerust voor over. Ze overleven op een minimumloon of een uitkering of kampen met een drugsprobleem, zo luidt het cliché, maar in werkelijkheid zijn de grootste boosdoeners vooral de vervoerskosten, de aankoop van een nieuwe versterker of drumkit, de vliegtuigtickets om op een festival te geraken, het omzetverlies van een show of de talloze entree- en consumptiekosten.

De passie is echter groter dan de portefeuille, zodat al gauw de bluts met de buil wordt genomen. Jelle Laurijssen van hardcoreband Lotus illustreerde het als volgt: "We willen graag opnemen, maar dat kost geld. En geld, dat heb ik niet. Om uit de kosten te geraken, hebben we fans nodig. Maar ook daar hebben we een tekort aan." Eigenlijk wilde de zanger eerst niet eens een plaat opnemen. Uiteindelijk kwam ze er toch, en vandaag speelt de band beduidend vaker dan voordien. Zonder hulp van buitenaf, zonder crowdfunding, maar puur op passie en omdat ze bereid waren voor een paar maanden op zwart zaad te zitten. Dát is punk.

Leve het jeugdhuis. Of toch niet.

Punk bloeit ook dankzij het typisch Vlaamse concept "jeugdhuis". Die clubs draaien vaak op subsidies, waardoor een zaal kan gehuurd worden aan een lage prijs. Een concertorganisator zal zich bijgevolg minder snel in de schulden werken bij een lage opkomst of onverwachte kosten. Andere troeven zijn de schaal (net groot genoeg voor het verwachte publiek), het feit dat er al een geluidsinstallatie aanwezig is, maar ook dat er kan gerekend worden op vrijwilligers om alles vlot te laten verlopen. De drempel om als jongere - of al oudere - enthousiasteling een van je favoriete bands te laten spelen in je eigen dorp ligt dan ook heel laag. Dat er een hechte scene is die over het algemeen meteen klaar staat om te steunen en mee te werken – al is het maar door mond-aan-mond-reclame - vormt absoluut een grote steun.

Andere opties voor organisatoren zijn concertzalen en cafés. Toch loopt dit niet altijd even soepel. Natuurlijk kan je voor optredens terecht in metal- of rockcafés, maar voor de gemiddelde cafébaas van een doordeweekse kroeg staat een gestigmatiseerd genre soms in de weg van het uitgaansleven waar hij of zij van overleeft. Deze uitbaters maken zich als zelfstandigen al sneller zorgen om hun omzet, laat staan dus dat zij een woeste pogo in hun fragiele omgeving helemaal zien zitten.

Mogelijkheden genoeg, maar als je de punker laat kiezen, dan gaat hij voor het kleine gezellige café of de dompige kelder boven het ruime jeugdhuis. Die minder gangbare locaties hebben een hoog "been there, bought the t-shirt"-gehalte. Er worden niet alleen shows georganiseerd in leegstaande loodsen en kelders, het kan ook in woonkamers, tuinhuizen, skateparken en keukentjes of zelfs op boten. En het heeft ook ontegensprekelijk zijn charme: dat dicht bij elkaar zitten, half het podium opgeduwd worden, dat tikkeltje zweetgeur dat in de lucht hangt, proberen de micro-statieven niet omver te stoten en de laatste slokken van je pint leegdrinken vóór de band op een halve meter van je neus het eerste nummer erdoor vlamt. Die charme vertaalt zich in kinetische energie, die al snel leidt tot een aangenaam woeste pit.

.

Punk leeft en blijft leven, ondanks zijn reputatie. "It's better a child should die, than to live bereft of subculture," zei Patrick Kindlon van Self Defense Family ooit. Dat klinkt controversieel, maar ergens heeft hij wel een punt. Een subcultuur, en zo is punkrock er een, is een essentieel deel van het leven van jongeren. Het helpt om vrienden te maken, dialogen te starten, de realiteit te bekijken en je ideeën in perspectief te zetten. Punkrock is een leidraad die kritisch denken aanmoedigt, en ideeën als vrije meningsuiting en barmhartigheid promoot. Het is een tegenbeweging tegen de passieve massa die onze consumptiemaatschappij voorttrekt. Niet vanuit een agressieve houding, ook al is het wel een inherent ontevreden subcultuur - ontevreden met de status quo, op zoek naar iets anders, iets betekenisvols.

Op eigen kosten de A12 over

Neen, punk is dus niet dood. Ook niet voor Jan Modaal die eindelijk de Misfits nog eens kan zien in de originele line-up, die getuige is van de wederopstanding van Refused uit hun "fucking dead"-statuut, die meemaakt hoe Reagan Youth zich door een set ploetert met een dertig jaar jongere frontman en die er ook bij is wanneer talloze bands het twintigjarig bestaan van hun bekendste album vieren door een volledige tour lang enkel die plaat te spelen. Hij hoéft niet eens zover te kijken. De lokale punkrockscene kan die enthousiaste fans immers maar al te goed gebruiken, wil ze blijven draaien. Er passeren dagelijks bands die op eigen kosten de Atlantische Oceaan (of de A12) oversteken, om vervolgens in een busje te zitten dat net groot genoeg is om zichzelf en hun gerief tetrisgewijs in te passen, die slapen op vloeren en zetels en elke avond hun materiaal een podium op- en weer afsjouwen en daartussen dertig minuten lang het beste van zichzelf geven.

Punkrock is een subcultuur die inherent afzijdig is van de mainstream. Maar het is pas wanneer iedereen met een T-shirt van The Clash in zijn kast of een poster van de Ramones aan de muur beseft dat er duizenden bands bestaan die zoeken naar een beetje steun - een extra persoon in het café waar ze gratis komen spelen, een extra duwtje in de rug door de aankoop van een plaat of een T-shirt - dat de profetie "punx not dead" aan de winnende hand blijft.

Fotograaf Thomas Geuens van het collectief wannabes.be trok met zijn broer mee de hort op door het punkcircuit. De foto's bij dit artikel zijn het resultaat daarvan. Een uitgebreidere selectie ziet u hier

E-mailadres Afdrukken