Banner

The Belgian Connection (2016)

De diverse weelde van de Belgische jazz en improvisatie

Guy Peters - 04 juli 2016

Met dat voetbal werd het niks. Dan maar de jazz. We deden het onlangs met de rijke Portugese improvisatiescene, maar het werd tijd om ook eens dichter bij huis te kijken. Jazz is de voorbije jaren bezig aan een opmars in België, maar ook internationaal. Er is meer aandacht voor (al leidt het in de mainstream media voorlopig niet echt tot verdieping), het publiek lijkt te verjongen en er staat een paar jongere generaties te trappelen om hun hedendaagse toevoeging aan het genre te delen, terwijl een resem veteranen gestaag blijft produceren. Tijd om een aantal van hen eens onder de loep te nemen.

Een korte terugblik op wat het voorbije half jaar zoal verscheen en/of aan bod kwam bij Enola, levert alleszins al een ferm lijstje op. De meer op de traditie geënte hoek zag o.m. nieuw werk verschijnen van Rebirth::Collective, het Bart Defoort Quintet, Yves Peeters Gumbo, het Christophe Devisscher Quartet en David Linx & Brussels Jazz Orchestra. Zij houden zich sterker bezig met wat doorgaans de ‘echte’ jazz genoemd wordt, met wortels in de gouden periode, de rijke New Orleanstraditie (Peeters & co). of Billy Strayhorns composities voor grootmeester Duke Ellington, waar Rebirth::Collective een vrij klassieke, maar erg geslaagde update van bracht.

Aan de andere kant van het spectrum zitten artiesten die jazz, of het kernelement van de improvisatie, benaderen via experimentele genres en tactieken, of het nu gaat door te spelen met noise, ambient, elektronica, minimalisme, of door de totale vrijheid centraal te stellen. O.m. Linus, Carate Urio Orchestra (en leider Joachim Badenhorst met Dan Peck), Book Of Air (Fieldtone en vvolk), Warped Dreamer en Lilly Joel brachten zo recent werk uit dat behendig de genreconventies omzeilde. Soms met duidelijke uitlopers naar de jazztraditie, maar net zo vaak door die (bijna) volledig overboord te gooien.

En dan is er nog de lichting die er grotendeels verantwoordelijk voor is dat jazz stilaan verlost geraakt van zijn academische stigma, de intellectuele uitdaging voor kinkrabbers, en die het genre hier en daar zelfs terug hip en sexy gemaakt heeft. Zo lag er al een sleutelrol weggelegd voor STUFF., dat zijn geïmproviseerde acrobatie koppelt aan hypermodern geknetter, en verder zijn er nog de geluiden van Melanie De Biasio, BRZZVLL, John Ghost en Skordatura Punkjazz Ensemble, die allemaal op een heel eigen manier aansluiten bij de werelden van rock en pop.

En er was nog. Zo denken we ook aan het aanstormende talent van Kabas, Bestiaal, Antoine Pierre (vorige jaar TaxiWars, recenter het eigen project, Urbex,…) en Steiger, heb je namen en bands die virtuoos tussen de genregrenzen wentelen, zoals Tandaapushi, Fabian Fiorini en Flat Earth Society,… en is het uitkijken naar nieuw werk van Black Flower dit najaar. Maar er was nog dat onze aandacht trok. We krijgen het niet allemaal verwerkt, claimen dus geen volledigheid en zijn ons vermoedelijk zelfs niet eens bewust van een aantal nieuwe aanstormende talenten, al dan niet met opnames onder de arm, maar we kunnen wel starten met een goed dozijn artiesten/bands die onlangs of zeer recent met nieuw eigen werk aankwamen. De variatie is weer enorm en stuitert van hechte samenzang en krassende gitaarnoise naar lekker rollende piano’s en nieuwkomers die op een andere manier goed bezig zijn om hun eigen hoekje af te bakenen. Dus als u ons vraagt of de opvolging van Bobby Jaspar, Jacques Pelzer, Jack Sels, René Thomas, Toots, Fred Van Hove, Michel Herr, Philip Catherine en de generatie die in de jaren tachtig en negentig de kop opstak verzekerd kan worden, dan lijken we dat toch te kunnen bevestigen.

Op DAG 1 staat de stem centraal, met het debuutalbum van Sander De Winne, een van de weinige mannelijke jazzzangers in dit land, die een uitstekende band rond zich wist te verzamelen én het zeskoppige vocale ensemble IKI uitnodigde. En dan is er How Town, onder leiding van de jonge bassist Lennart Heyndels, dat al net zo’n frisse dingen uithaalt met stemmen.

DAG 2 staat in het teken van drummers. Zo is er een nieuw album van veteraan Dré Pallemaerts, al enkele decennia een sterkhouder van de Belgische jazz, die een paar oude bekenden rond zich verzamelt en speelt met zijn kenmerkende flow en souplesse. Heel wat anders bij Het Jens Maurits Orchestra, rond Jens Bouttery. Hun album is de muziek van een multimediale voorstelling die de werelden van jazz, kamermuziek, hedendaagse klassiek en experiment bij elkaar brengt, met succes. En het leverde bovendien een prachtig CD-boek op. BeraadGeslagen, tenslotte, is het dolgedraaide robotfunkonzinduo van Fulco Ottervanger (nog altijd de coolste naam in de jazz sinds Fats Navarro) en struikeldrummer Lander Gyselinck. Zij hebben een EP uit.

Op DAG 3 trekken we helemaal naar de marge, naar een wereld waarin er eigenlijk niet meer van jazz gesproken kan worden. Gitaristen Jonas Van den Bossche kiezen resoluut voor het vrije werk. Op zijn duorelease met Benne Dousselaere verkent Van den Bossche een kleurrijke wereld in twee kloeke stukken die regelmatig overhellen naar de withete noise, maar ook rondhangen in meer atmosferische, bijna speelse zones. Variatie is er troef. Dirk Serries biedt op zijn eerste compleet vrije soloplaat een inkijk in een wereld van abstractie, die expliciet lonkt naar die van voorganger Derek Bailey, maar ook wel meer in petto heeft. Ook hier weinig toegevingen, maar wel afwisseling.

E-mailadres Afdrukken