Banner

DOSSIER MADCHESTER: Kiss me where the sun don't shine

Het feest van de gemiste kansen van The Stone Roses

Matthieu Van Steenkiste - 24 november 2015

Eén album. Dan niets meer. En vervolgens vijf jaar later toch weer een plaat die de belofte van dat lange wachten helaas niet kon inlossen. Dat is het verhaal van The Stone Roses. Een feest van gemiste kansen, zoals er in de rockgeschiedenis maar zelden zijn gezien, waardoor een beloftevolle start meteen het einde werd.

Het leek nochtans zo simpel. Met hun titelloos debuut hadden de heren van de The Stone Roses zichzelf als dé rockband van de latere jaren tachtig gevestigd; ze waren met achteloze doodsverachting in het gat gesprongen dat The Smiths hadden achtergelaten en hadden dat -- tot verbazing van velen die hun strapatsen sinds de vroege eighties volgden -- ook gevuld. Dit was een rockgroep die de tijdsgeest vatte en bijzondere dingen deed door de housevibe die al even door Manchester waaide in gitaarlijnen en losse grooves te vatten. Debuut The Stone Roses werd in 1989 een absolute mijlpaal die tot vandaag hoog in allerhande Eeuwige Lijstjes scoort.

Maar dan wordt de groep zijn eigen grootste vijand en gaat alles mis. Sommige beslissingen zijn nog charmant: obstinaat weigeren om het voorprogramma van Rolling Stones te spelen ("Het is een schande dat hun vrienden hen nog niet verteld hebben het boeltje neer te leggen"), bijvoorbeeld. Een gebrek aan zin om voor een handvol weinig bezochte showcases de oceaan over te steken, was een grotere sabotage en beperkte hun groeikansen tot de Britse eilanden. Daar werd overigens ook een schaarstestrategie uitgespeeld. Optredens werden beperkt tot een minimum, moesten telkens evenementen zijn: één keer euforie en dan weer weg, vóór iets als routine de kop kon opsteken. Dat werkte de mythologie flink in de hand; dit was géén band als een ander.

Hoogtepunt is Spike Island in 1990. Daar, op die verlaten industriële site in de monding van de Mersey, gaf de groep een van zijn zeldzame concerten. Het zou een van de bepalende evenementen van een generatie worden: mythischer dan het Knebworth van Oasis een half decennium later, bijna even chaotisch als het Altamont van Rolling Stones in 1969. De klank trok naar verluidt op niets, de organisatie was om te janken, maar iedereen die er geweest is, spreekt er vandaag nog over hoe Ian Brown met de wereldbol in zijn handen opkwam: de wereld lag aan hun voeten en zij moesten die maar oppikken.

Niet dus.

Pijnlijke soap

Had The Stone Roses alles in handen, dan glipte het de groep nu tergend langzaam door de vingers. Het is een optelsom van dwarse koppigheid, gerechtelijke en persoonlijke problemen die ervoor zal zorgen dat "de beste Britse band sinds de Sex Pistols" begin jaren negentig op een oneervolle manier ten onder ging. Met Gareth Evans, een louche clubuitbater, had de groep indertijd misschien niet de meest ideale manager onder de arm genomen en het contract dat hij voor hen bij Silvertone Records had bedongen, stonk geen klein beetje: voor de eerste 30.000 verkochte exemplaren van hun debuut werden ze zelfs niet betaald. Jaren later nog zou bassist Mani opmerken dat hij er, ondanks anderhalf miljoen verkochte platen, nog geen cent aan had over gehouden. Tijd dus om weg afscheid te nemen; een eerste rechtszaak eindigt met goed gevolg en major Geffen biedt de groep maar al te graag een riante nieuwe deal voor vier albums aan.

"Kat-in-'t-bakkie", hoor je hen nog denken, maar dat draait anders uit. Silvertone gaat in beroep tegen de eerste uitspraak, wat er toe leidt dat Stone Roses voorlopig niets kan of mag uitbrengen. De rechtszaak sleept jaren aan en terwijl het muzikale landschap buiten van grunge naar Britpop draait, groeien de groepsleden langzamerhand uit elkaar. Ian Brown verdiept zich in rap en hiphop, John Squire stort zich meer en meer op de gitaarmuziek en de cocaïne en eist op het volgende album een prominentere rol op. Brown geeft hem zijn zin vanuit de redenering dat ze Geffen contractueel vier platen verschuldigd zijn: één voor elk groepslid, dan maar.

Zo'n kromme logica kon natuurlijk niet werken. Zonder het evenwicht dat Stone Roses kenmerkte, verzoop Second Coming -- eindelijk uitgebracht in december 1994 -- in een overdaad aan snarenwerk. Squire, hals over kop verliefd geworden op de blues, wilde niet alleen Jimmy Page zijn, maar als het even kon ook nog Hendrix. Het resultaat was een plaat waarop de parels -- "Ten Storey Love Song", "Begging You" en "Love Spreads" -- bijna verloren liepen. Het waren zeldzame opflakkeringen in een hopeloos vermoeiende, volgestouwde langspeler.

Pech ook voor wie dacht dat de groep nu wel vertrokken zou zijn. De band wordt in 1995 geplaagd door meer ellende. Eerst verlaat Reni de groep, kort voor het begin van een grote tour om de plaat te promoten. Een vervanger wordt nog gevonden, maar dan breekt Squire zijn sleutelbeen op het verkeerde moment en kan het triomfantelijke hoogtepunt -- headlinen op het Glastonburyfestival -- ook niet plaatsvinden. De groep sukkelt dan maar verder, speelt wel in Azië en Europa, om stukje bij beetje verder te desintegreren. Op 1 april 1996 verlaat ook John Squire moegestreden de groep. The Stone Roses heeft nooit meer de grandeur van weleer gevonden en de gitarist heeft zijn zinnen op andere horizonten gezet.

Exit Roses? Neen. Adding insult to injury sleept de pijnlijkste soap uit de rockgeschiedenis zich verder. Koppig sleurt Ian Brown zijn groep, die nu bestaat uit drie huurlingen en twee stichtende leden, verder de dieperik in. Dieptepunt wordt een passage op Reading 1996. Twijfelend tussen huilen en lachen zien de toeschouwers hoe Ian Brown compleet de toonladder mist, terwijl zijn sessiemuzikanten bloedeloze versies van de klassiekers afleveren. Twee maand later kondigt hij eindelijk de split aan. Stone Roses krijgt het spuitje waar het al zo lang om smeekte.

It's happening

"I have no desire whatsoever to desecrate the grave of seminal Manchester pop group The Stone Roses", liet John Squire met een kunstwerk nog maar eens weten in maart 2009. Het was de zoveelste episode in een spelletje dat de pers ook met The Smiths blijft uithalen: iemand pookt het idee van een reünie op en de groepsleden zien zich genoodzaakt om dat met veel omhaal te ontkennen. Niet dat iemand er ooit echt in geloofde: Brown en Squire waren sinds het vertrek van die laatste nooit meer on speaking terms, het idee van een reünie leek onmogelijk. Het is niettemin toch zover gekomen.

Nadat er op de begrafenis van de moeder van Mani dan toch schoorvoetend een gesprek kwam, ging de bal aan het rollen. "It's happening", sms'te Brown naar zijn vriend, de goochelaar Dynamo. The Stone Roses zou zomer 2012 opnieuw samenkomen. Het zou geen drie concerten duren, of het zat er weer bovenarms op. Met Reni, voor de verandering. "What can I say, the drummer's a cunt", schokschouderde Brown op 12 juni van dat jaar toen die eerste weigerde terug te komen voor het geplande bisnummer "I Am The Resurrection". En dat het publiek zich mocht afreageren op hem; dat hij dat wel aankon na al die jaren.

Het zou het laatste incident zijn. De reünietour zou netjes zijn programma afwerken met een setlist die The Second Coming grotendeels onder de mat veegde en teerde op de nostalgiesfeer die rond het begin van de jaren negentig hangt. Geruchten over een nieuwe plaat "die er in 2015 zeker zou komen" werden (tenzij ze nog een verrassing voor de feestdagen in de mouw hebben zitten) vooralsnog echter geen bewaarheid, al is er met de aankondiging van wat nieuwe shows in de zomer van 2016 een lichtpuntje aan de horizon. Die waren in een golf van nostalgie overigens ook opnieuw op een zucht uitverkocht, want in Groot Brittannië is de herinnering springlevend. Dat heb je met een groep waarover een journalist ooit schreef "The Roses have kissed music and melodies back to life, resurrecting the sheer joy of live gigs." Dan kan dat ene briljante moment eind jaren tachtig genoeg zijn om er toch een carrière aan over te houden.

E-mailadres Afdrukken
 
DOSSIER MADCHESTER: Kiss me where the sun don't shine

Advertentie
Advertentie
Banner

TEST