Banner

The Portuguese Connection (2015), Pt. 2

Twee labels uit Coimbra

Guy Peters - foto's: Nuno Martins - 28 september 2015

Het was geen crush van de laat-alles-halsoverkop-vallen-soort, maar een natuurlijke sympathie die overging in een comfortabele vertrouwdheid en gestaag uitgroeide tot een steeds dieper genestelde liefde. Ja, de moderne Portugese freejazz en vrije improvisatie heeft intussen ons hart gestolen. Dat, gecombineerd met het feit dat de voorbije maanden een schier eindeloze stroom goede tot geweldige platen opleverden, leidde ertoe dat we er meteen een weekevenement van gemaakt hebben. Inderdaad: vijf dagen lang leiden we u langs een uitgebreide selectie Portugees moois. Vandaag: twee jonge labels uit Coimbra. JACC Records en Cipsela.

Zijn Porto en Lissabon de grootste steden en toeristische trekpleisters van Portugal, dan heeft Coimbra, de derde stad van het land, de geschiedenis aan z’n kant. Het land heeft een immense historie, was in de twaalfde eeuw de hoofdstad van het nieuwe koninkrijk Portugal (1139-1255) en heeft een van de oudste universiteiten van Europa. Cruciaal voor de jazzscene is de culturele organisatie Jazz ao Centro, dat zich bezighoudt met het organiseren van concerten, residenties, workshops en meer. Het Jazz ao Centro Festival is een van de belangrijkste van het land. Zo bracht Clean Feed intussen al een dozijn albums uit die werden opgenomen tijdens het festival. Een uitvloeier van de organisatie is het label JACC Records.

Dat label werd opgericht in 2010 met de bedoeling de Portugese jazz en ‘creatieve’ muziek op de kaart te zetten. Het leidde intussen tot een dertigtal releases, waarvan er enkele (ook twee van de drie hieronder) werden opgenomen in de Salão Brazil club, de vaste stek van het label. Ook het live album van Rodrigo Amado’s Motion Trio met Jeb Bishop, het prachtdebuut van Fail Better! en de duoplaat van Luis Vicente en Jari Marjamaki verschenen op dit label, dat er ook een erezaak van gemaakt heeft om resultaten uit te brengen die Portugezen laten horen in het bijzijn van illustere collega’s uit het buitenland.

What About Sam? - Happy Meal (JACC Records)

Opnieuw eentje met trompettist Luis Vicente, die zich deze keer ophoudt in een kwintet met een klassieke bezetting, met tenorsax (Federico Pascucci), piano (Roberto Negro), bas (André Rosinha) en drums (Vasco Furtado). De bandnaam, albumtitel en kleurrijke songtitels suggereren dat het er hier wat lichtvoetiger of speelser aan toegaat, maar wie dan jolige spielereien verwacht, is eraan voor de moeite. Alhoewel: deze band zit wel een stuk dichter bij de jazztraditie dan pakweg Chamber 4, maar doorsnee is dit niet bepaald te noemen. Momenten van broeierige en bevrijdende we-zien-wel-waar-we-belanden-impro worden gecombineerd met donkere passages met een heel ander soort stuwing. Repetitief en dramatisch.

Maar je zou deze plaat eigenlijk al kunnen aanschaffen voor Negro’s lange opener “Torino 1899” en Vicente’s “Anahata”, stukken die elk op hun manier uitpakken met een imponerende meeslependheid. Het eerste begint met een open aanloop, een laag tempo, gefriemel in de pianobuik en vervolgens een bijna etherisch thema. Je krijgt een combinatie van elegantie en prikkeling die geduldig bijgestuurd wordt. Het is muziek die niet snel hoeft te scoren, waarin niemand zich opdringt. Het resultaat is een plechtstatige compositie met een antieke flair die door de toenemende kracht dan toch belandt bij een majestueuze piek. Het is een meeslependheid die in “Anahata” herhaald wordt door de combinatie van een droevig thema met een zwaar rommelende ritmesectie. Het drama van Angles 9 is even binnen handbereik.

Het is wel merkwaardig dat je na het stuk nog tien minuten krijgt die er geen uitstaans mee lijken te hebben (dat is dan, vermoeden we, het luik “Risotto di soia alle ostriche e funghi porcini”): je hoort geroezemoes, muzikanten die stemmen, een paar minuten gepalaver en vervolgens een groepsimpro die op het terrein van de uitbundige freebop beland. Ook de improvisaties van “Pomme de terre structure et déstructure” en “Oeuf et tomate sous pression” belanden op het terrein van het energieke gekletter, maar spreiden ook een straffe controle over dynamiek tentoon. Door te spelen met volume en densiteit wint het samenspel enorm aan spanning. Pascucci’s “Raios De Julho” belicht die verschillende gedaantes misschien nog het mooist, met een catchy thema, maar ook een struikelende, wringende, voorwaartse stuwing en, uiteindelijk, een onstuimige free-for-all. Die afwisseling van repetitieve en uitbundige kliederende momenten zorgt ervoor dat de groep voortdurend de grens tussen instinct en intellect aftast.

Elliott Levin, Luís Lopes, Hernani Faustino & Gabriel Ferrandini - Lisbon Connection (JACC Records)

Lisbon Connection brengt een van de buitenlandse gasten, de Amerikaanse dichter/saxofonist/fluitspeler Elliott Levin, in contact met drie centrale spelers uit Lissabon. Bassist Hernani Faustino en drummer Gabriel Ferrandini zijn samen het ritmische anker van het gelauwerde Red Trio en Amado’s Wire Quartet, terwijl Ferrandini ook de vellen aait en martelt bij het Motion Trio. Ook Faustino en gitarist Luís Lopes -- onlangs nog ijzersterk bezig met zijn Lisbon Berlin Trio -- hebben wel meer banden met Amado en zijn uitgelezen sparringpartners voor een kerel van het kaliber van Levin, die ooit nog tijd spendeerde aan de zijde van Cecil Taylor en tot de generatie van saxofonisten behoort die zich sterk lieten inspireren door de fire music van de jaren zestig en zeventig.

Maar het robuuste blaaswerk wordt ook hier dus verenigd met poëzievoordracht en fluit, al moet dat geen schrikbeelden van kampvuurrijmelarijen oproepen, want de verzen worden gebracht met een geanimeerde, associatieve en allitererende street cool, terwijl het gebruik van de fluit in combinatie met de expressieve aanvulling van de Portugezen regelmatig voor uitstappen door een exotisch dromenland zorgt of net langs Satchidananda scheert. Zo hebben “It Was Just One Of Those Crazy Thursday Things…” en “Transfigured Locrian Night” genoeg elementen om post te vatten tussen ritualisme en trance. Ook “Hurry Up & Wait! (Rejuvenate)” heeft die ingetogen start met poëzie en nog vrij ‘klassiek’ gitaarspel, maar gaandeweg gaan de meubels aan de kant voor een intense blaassessie voor Levin, die volledig over de rooie gaat op een woelig fundament van de Portugezen.

Hoe imponerend dat ook is, het wordt allemaal nog wat indrukwekkender zodra die drie er zich met een vergelijkbare geestdrift mee gaan moeien. Ferrandini blijft zelfs in die woelige momenten uithalen met een wervelende, ronduit verschroeiende hoeveelheid details, terwijl Faustino’s spel de boel al helemaal naar het massieve terrein jaagt. In “Veselka Returns” beweegt het gezelschap zo van een bronstig zingende serenade naar een vulkanische stroom van geluid met Last Exit-allure. Een vernielzuchtige wervelwind van ritmes, feedback en duellerende instrumenten. Afsluiter “Lis-Bow/Blow… Ahh!” combineert de uitersten, beweegt van een statige, poëtische ingetogenheid naar een kolossale climax waarin het in effecten gedrenkte spel van Lopes voor momenten van complete, elektrische waanzin zorgt. Een hysterische climax is je deel en het zijn ook die momenten die het langst nazinderen. Een turbulente plaat met een soms verschroeiende intensiteit.

Zingaro, Mitzlaff, Viegas & Rosso - Day One (JACC Records)

Iets compleet anders op deze derde van JACC Records. Day One werd net als Happy Meal opgenomen in Salão Brazil, maar daar houdt ook die vergelijking op. Carlos “Zingaro” wordt al jaren beschouwd als de belangrijkste Portugese vertegenwoordiger binnen de zone tussen vrije improvisatie en kamermuziek. Hij was ook te horen op twee albums van Amado (die toch eerder tegen de jazz aanleunen) maar groeide in de loop der jaren ook uit tot een van de vaste speelpartners van Joëlle Léandre en viel te horen op de eerste releases van zowel JACC Records (met het trio El Fad) als Cipsela (de soloplaat Live at Mosteiro de Santa Clara a Velha), wat misschien wel iets zegt over zijn status in Portugal. Op Day One krijgt hij het gezelschap van minder bekende namen, maar ook dit is een bijzonder album.

Door de combinatie van zijn virtuoze viool met cello (de naar Portugal uitgeweken Duitser Ulrich Mitzlaff), (bas)klarinet (João Pedro Viegas) en contrabas (Álvaro Rosso), krijg je meteen al een aparte klankkleur. Die herinnert door de nadruk op strijkers misschien wat aan Deux Maisons of Chamber 4, maar klinkt toch heel anders. Deze muziek lijkt veel sterker verankerd in de (moderne) klassiek, kent een grotere technische complexiteit en meer virtuoze hoogstandjes. Dit is grilliger. Taaier. Toch is ook dit geen onophoudelijke notenbarrage of pompeuze bedoening, want de muzikanten waken erover dat het samenspel niet uit z’n voegen barst en soms zelfs blijft hangen in minimalistische regionen waarin steeds opnieuw stiltes blijven vallen. Die combinaties van stiltes versus erupties zorgen er natuurlijk wel voor dat het vanaf opener “This Ordeal Of Yours” opletten geblazen is. Gebrek aan concentratie zorgt onvermijdelijk voor verwarring.

Net als op het recente soloalbum van Zingaro wordt hier best een brede zone verkend, met het ene moment grote intervallen, grove strijkstokpassages en bokkige registers en even later weer momenten vol lieflijke passages en momenten vol behaaglijke ideeën. De instrumenten worden de ene keer gebruikt om verfijnde lijnen uit te zetten, maar iets later fungeren ze als ritmeboxen en zorgen ze ervoor dat het geluidenpalet behoorlijk excentriek wordt. Zeker wanneer Viegas in het afluitende “Neverwhere” in de weer is met een mondstuk en Zingaro even een country fiddle lijkt te bespelen, zal het de oren doen spitsen. Wat meer van die momenten hadden voor wat meer houvast of memorabele stunten kunnen zorgen, want die ongrijpbaarheid en het gebrek aan herkenbare thema’s maakt het best een taaie kluif. Dit is een van die performances die je eigenlijk vooral zou willen zien met eigen ogen, want net als het concert van het Sudo Quartet (Zingaro met Léandre, Sebi Tramontana en Paul Lovens) waar we deze zomer getuige van waren, is dit iets waarvoor je alle beschikbare zintuigen moet inschakelen.

***

Marcelo dos Reis & Angélica V. Salvi - Concentric Rinds (Cipsela Records)

Begin dit jaar verschenen de eerste twee releases van het kersverse Cipsela Records, dat meteen koos voor een eigen visuele stijl (met het steevast wit/zwarte artwork van Kátia Sá) en voorlopig ook een nadruk op snaarinstrumenten. Eerste release was een soloplaat van Zingao, de tweede een van het snaartrio Open Field met freejazzveteraan Burton Greene. Het derde album is er eentje van het Amerikaanse duo Daniel Levin (cello) en Rob Brown (altsax) en komt later aan bod. De vierde staat op naam van akoestisch gitarist Marcelo dos Reis en harpiste Angélica V. Salvi. De twee leerden elkaar kennen toen Salvi in 2012 speelde met het Open Field trio, waar dos Reis deel van uitmaakt. Na een suggestie van Evan Parker om de combinatie gitaar/harp eens te proberen, ontstond het duo. Deze bijzondere opnames vonden plaats begin 2013.

De combinatie van gitaar en harp is alleszins apart, dat ze -- al dan niet in geprepareerde vorm -- soms in elkaar lijken te vloeien, is dat nog meer. Het is dan ook een album dat de oren doet spitsen en het doet deugd dat de twee eigenlijk een bijzonder sobere aanpak hanteren voor een groot deel van de plaat. Sommige stukken, zoals opener “Gravity”, vallen op door die haast minimalistische dosering, die het een Oosterse aanvoelende soberheid geeft. Elders, zoals in “Convex” is het spel van de twee abstracter, spinachtig, terwijl dat effect in “Concave” nog eens versterkt wordt. De snelle loopjes en knoestige wendingen zijn zowel bedwelmend als agressief in die akoestische erupties. Maar het mooie is dat het album een bonte waaier biedt aan mogelijkheden en klankonderzoek. Nu eens lieflijk en bedachtzaam, even later nukkig en metalig kletterend.

Als je de meest afwijkende nummers naast elkaar zet, dan is het contrast best groot. Het folkachtige getokkel en dromerige gepluk in “Spirals” is van een ontwapenende schoonheid. Het voelt aan alsof de instrumenten steeds dichter naar elkaar toegroeien, in elkaar overlopen, een verleidingsdans uitvoeren, de harp met een warmte die van een Fender Rhodes had kunnen zijn. Elders wordt gebruikt gemaakt van een schurende strijkstok die, in combinatie met dos Reis’ engelachtige stem, weer voor een ritualistische draai zorgt. Even opmerkelijk is het slotduo. Is “Circles” het compacte schimmenspel vol knisperende en ratelende geluidjes, dan is “Surface” verrassend intimiderend, één en al scherp schuren metaal en diepbrommende bassen. Een onheilspellend slot voor een plaat dat soms een air van lieflijkheid en onschuld uitwasemt. Concentric Rinds is compleet geïmproviseerd, maar biedt een knappe staalkaart en zorgt in z’n beste momenten voor fraaie dialogen die na elke beluistering winnen aan samenhang en zeggingskracht.

E-mailadres Afdrukken
 
Luis Vicente (Nuno Martins)