Joe McPhee

Cultheld in een stuk of zeven platen

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 04 juni 2014

Op 15 juni speelt freejazzveteraan Joe McPhee nog eens in ons land. Dat is eigenlijk niet zo’n unieke gelegenheid – hij stond een half jaar geleden nog met zijn Survival Unit III in De Singer – maar 2014 is wel het jaar waarin de muzikant 75 wordt. “Give Them Their Flowers While They’re Here” heet een van zijn composities veelzeggend. Bij deze.

McPhee (°1939) was een relatieve laatbloeier. Hij was al bijna 28 toen hij voor het eerst opdook op een album (Clifford Thorntons cultplaat Freedom & Unity uit 1967) en bijna dertig toen hij begon met sax spelen. De trompet bespeelt hij dan weer sinds hij nog een kind was. Weinig muzikanten voelen zich zo goed op beide instrumenten en nog minder van hen weten zo’n niveau te bereiken (met Benny Carter als grootste uitzondering). Debuteren deed hij in 1969 met Underground Railroad, maar de vroege plaat die de grootste impact had, was ongetwijfeld Nation Time, waarop hij de vrijheid van de freejazz combineerde met de funk en R&B van James Brown en Albert Aylers latere platen.

Maar McPhee is om veel redenen een boeiende figuur. Zo was hij een van de eersten van zijn wereldje om te gaan experimenteren met elektronica, heeft hij een van de vroegste solo-saxplaten op zijn naam staan en was hij een van de weinige Amerikanen die zo’n nauwe en intense band creëerde met continentaal-Europese muzikanten, vooral dan uit Frankrijk. Het gerenommeerde Hat Hut-label uit Zwitserland zou aanvankelijk vooral zijn werk uitbrengen. De bewering dat het exclusief daarvoor zou opgericht zijn, ontkent McPhee nu. In de jaren tachtig werkte McPhee veel met Pauline Oliveros, wiens concept van “deep listening” hij integreerde in zijn muziek, maar hij verdween ook bijna uit het zicht, om in 1997 opgepikt te worden in de Chicago-kring van o.m. Ken Vandermark.

Sindsdien deed McPhee’s naam als een van de scharnierfiguren van de moderne feejazz steeds vaker de ronde. Een echt ronkende naam is hij nooit geworden, maar de discografie (volgens zijn website intussen zo’n 140 releases) en reputatie worden wel over de hele wereld met respect uitgesproken door liefhebbers van het genre. Veel heeft daarbij te maken met zijn ontembare spirit, openheid en dat onaflatende zoeken, dat van hem niet alleen een van de kwiekste zeventigers maakt, maar ook een van de meest rusteloze musici tout court, voortdurend opzoek naar nieuwe contexten, speelpartners en uitdagingen.

Het is niet eenvoudig om een ingang te vinden in een carrière van 45 jaar en daarom doen we een kleine poging om aan de hand van een paar scharnierplaten het belang van McPhee uit de doeken te doen. Dit is natuurlijk lang niet alles (en heel vaak merk je dat iedereen er eigen favoriete platen op nahoudt) en niet eens representatief voor die machtige output, maar de meeste schieten er om de een of andere reden bovenuit.

Joe McPhee - Nation Time (CJR, 1971)

McPhee doceerde aan Vassar College in thuisstad Poughkeepsie, waar hij o.m. geïnspireerd door de veelbesproken dichter/agitator LeRoi Jones (later Amiri Baraka), uitpakte met politieke en muzikale statements. Nation Time paste in het geladen discours van de burgerrechtenbeweging en de Black Power-beweging, maar het is vooral de muziek die na meer dan vier decennia overeind staat. Twee van de stukken bevatten bevlogen freejazz met soulinjectie, maar het was met “Shakey Jake” dat hij eigenlijk een nieuw genre op de kaart zette, niet in het minst omdat zijn tot een octet uitgebreide kwintet hier klonk als een mengelmoes van Booker T. & The MG’s, James Brown en Rahsaan Roland Kirk. Broeierige grooves die perfect pasten bij de intense look die McPhee destijds zo goed afging. Een stuk dat gerust een uur zou mogen voortdenderen en dan niks van z’n lepe charme zou inboeten. Helaas zou die ingeslagen weg snel verlaten worden.

Onlangs verscheen trouwens de bejubelde 4cd box Nation Time: The Complete Recordings (Corbett vs. Dempsey 2013), een essentieel document voor McPhee-liefhebbers, maar eigenlijk ook die van de fire music van die tijd. Bovenop Nation Time en het uit dezelfde opnames geputte, in 1975 verschenen Black Magic Man, bevat de box nog meer dan twee uur onuitgegeven materiaal. Eén schijfje bevat de resterende opnames van de legendarische dagen 12 en 13 december 1970, waarin je de muzikanten o.m. James Browns “Cold Sweat” en McCoy Tyners “Contemplation” onder handen hoort nemen, terwijl het andere helemaal naar de premature dagen van het materiaal gaat, naar oktober 1969, toen “Nation Time” nog gestalte moest krijgen en McPhee een kwintet door o.m. “Milestones”, “My Funny Valentine” en “Bag’s Groove” leidt. Tumultueuze tijden en ook gedreven muziek met een groot hart en bakken soul die nog altijd fier overeind staat.

McPhee's eerste vier albums - Underground Railroad, Trinity, Nation Time en Pieces Of Light - werden zopas heruitgegeven door Bo'Weavil Recordings op LP, zowel apart als in een luxe box set (die laatste is intussen al uitverkocht).

Joe McPhee - Tenor (Hat Hut, 1977)

“The album was Tenor, the composition was “Goodbye Tom B”. I was seventeen. After listening to that six and a half minute piece, everything changed for me. Music became what it is: organised sound. I discovered that material which previously seemed like chaos or noise to me was actually structured and could be quite beautiful without conventional melodies or rhythms of traditional forms.” Voor de jonge Ken Vandermark was de soloplaat een openbaring. En hij was slechts een van de vele muzikanten die inspiratie opdeden in deze combinatie van gespierde vrijheid en lyriek. McPhee blijft tot op vandaag een prachtig soloperformer. En Tenor is nog altijd een krachtig en poëtisch statement: bluesy, soms jankend en ongedwongen en altijd met die herkenbare klank. Het statement van jazzjournalist Alain-René Hardy op de achterflap van de LP – “There is no difficult music – there are only listeners that have been conditioned by the media: pass it on! – klinkt nog altijd zo relevant als toen.

Joe McPhee, Ken Vandermark & Kent Kessler - A Meeting In Chicago (Eight Day Music/Okkadisk, 1997)

De plaat die de carrière van McPhee opnieuw op gang zwengelde. Vandermark, fan sinds het begin van de jaren tachtig, kreeg in februari 1996 voor het eerst de kans om met zijn held te spelen. Gekoppeld aan de studio-opname speelde McPhee ook zijn eerste concert ooit in Chicago. Het leidde naar verluidt tot een legendarisch concert, maar deze trioplaat met bassist Kent Kessler klinkt al net zo geïnspireerd. Doorheen 6 triostukken, 4 duetten en 3 solostukken (elk eentje) laten de drie het proces van zoeken en bouwen in z’n meest pure vorm horen. A Meeting In Chicago is best een taaie plaat, maar door de enorme diversiteit – van het bloedmooie “Lalibela” tot het kwetterende “Hard Circles” – en de compacte duur van de stukken vliegt het geheel zo voorbij. Het betekende daarna ook McPhee’s intrede bij Brötzmanns Chicago Octet/Tentet en een resem samenwerkingen die tot op heden aanhoudt, zoals…

The Thing & Joe McPhee - She Knows (Crazy Wisdom, 2001)

Tweede plaat van het kloeke Scandinavische freejazzcombo onder leiding van Mats Gustafsson en de eerste samenwerking met de Amerikaan, die later nog een paar vervolgen zou krijgen. Niet alleen door de band de clash te laten aangaan met rockband The Cato Salsa Experience, maar ook door duoplaten met bassist Ingebrigt Håker Flaten en Paal Nilssen-Love. Op dit album klinkt de band iets ‘klassieker’ dan later het geval zou zijn, zeker in de stukken van Don Cherry (een compositie waar ze zich naar noemden), James Blood Ulmer en Frank Lowe. Maar er was ook een prachtversie van McPhee’s “Old Eyes” (die het trio dan nog eens zou overtreffen met een 30 minuten durende interpretatie op Live At Blå) en een amper herkenbare versie van PJ Harveys “To Bring You My Love”, een van de eerste in een lange reeks rockcovers. Het zit er hier allemaal in: flukse jazz, elegische klaagzangen en het vuur van 1969. Het album is al lang hopeloos out of print, maar maakt wel onderdeel uit van de prachtbox Now And Forever (Smalltown Superjazzz), die drie cd’s en een DVD met Thurston Moore bevat.

Trio X - Live In Vilnius 2LP (No Business, 2008)

Tweede vinylrelease van het Litouwse No Business-label (de eerste was Gustafssons machtige soloplaat The Vilnius Implosion) en een prachtalbum van McPhee’s working band, een trio met bassist Dominic Duval en drummer Jay Rosen. Dit trio, dat intussen meer dan een dozijn releases uit heeft (waaronder een paar forse box sets) laat horen wat er kan gebeuren als je drie begaafde muzikanten jarenlang met elkaar laat spelen, bijvijlen en werken aan die gezamenlijke gevoeligheid. Een majestueuze set die uitpakt met poëzie en strijdbaarheid, kracht en finesse, maar nooit vervalt in agressief gebral of wild om zich heen schoppende furie. Trio X blijft altijd soulvol en elegant, slaagt erin om Edwin Starrs “War” aan “My Funny Valentine” te breien en laat een van de knapste versies horen van Ornette Colemans “Lonely Woman” die te vinden zijn (beloofd! – of pik hier in na een minuut of twintig). Intussen al moeilijk vindbaar, maar absoluut die aanschaf waard, al is het maar omdat de prachtige sound vier albumhelften lang blijft bezweren.

Joe McPhee & Chris Corsano - Scraps And Shadows LP (Roaratorio, 2012)

Under A Double Moon van het jaar voordien was al een sterke plaat van de klepper en zijn 35 jaar jongere collega, drummer Chris Corsano, maar Scraps And Shadows walst daar los over. Hier belanden we ook op ruwer en meer geagiteerd terrein, maar met muziek die net als live (zoals we dat konden zien in Hasselt (2010) en Charleroi (2012)) uitblinkt in een enorme fysieke dynamiek. Doorheen zeven stukken, elk opgedragen aan inspiratiebronnen of bekenden, varieert het duo van compacte uitbarstingen en rumoerige vrijages tot emotioneel geweld en gerommel van Corsano, om uiteindelijk te belanden bij een ode aan Han Bennink die gepast bombastisch (en luid) is.

Decoy with Joe McPhee - Spontaneous Combustion LP (Otoroku, 2013)

Eerlijk is eerlijk: dé verrassing is hier toetsenist Alexander Hawkins, die zowat de meest grandioze stunten uithaalt op een Hammondorgel sinds Larry Young. Maar wat een band ook, met bassist John Edwards en drummer Steve Noble in de rangen beschikkend over een van de knapste ritmesecties van de Britse improvisatie. Aanvankelijk lijkt even de geest van Don Cherry door de muziek te waren, maar daarna is het kwartet vertrokken voor een sound die helemaal de zijne is en waarin een rollende energie de boel gestaag aan de kook brengt. Opnieuw zit er een imponerende dynamiek in die plaat, die nergens uitpakt met muzikaal gepoch, maar je er wel voortdurend aan herinnert met wat voor een klasbakken je te maken hebt. En McPhee weet zich, net zoals hij dat even ervoor nog deed bij het Trespass Trio, naadloos te integreren in dit afwisselend groovy en schurende verkeer. Zoveelste bewijs van het adaptatievermogen van de veteraan en 37 minuten die veel te snel voorbij zijn.

En nu is er dus een nieuwe uitdaging. Na een vorige tour die hen maar tot Amsterdam voerde, komt het trio Universal Indians (de Noorse ritmesectie Jon Rune Strøm en Tollef Østvang met de Amerikaans-Nederlandse saxofonist John Dikeman) naar het Zuiderpershuis in Antwerpen met Joe McPhee als vierde man. Ga zeker kijken nu je nog de kans hebt om een veteraan aan het werk te zien en koop meteen ook een plaatje. Keuze te over. Meer info over het concert HIER.

E-mailadres Afdrukken
 
Joe McPhee

advertentie
Banner

TEST