Banner

Clandestino

Het "lost weekend" van Manu Chao

Matthieu Van Steenkiste - 08 oktober 2013

Niemand had het in 1998 zien aankomen dat Manu Chao alsnog de wereld zou veroveren. Na de split van Mano Negra was de kleine springerige frontman immers van de aardbodem verdwenen; depressief en verward. Hij klauterde echter uit het dal, en Clandestino zou onverwacht een millionseller worden.

En toen was het gedaan met Mano Negra. Een desastreus verlopen tour per trein door de binnenlanden van Colombia had een eind gemaakt aan wat misschien wel Frankrijks beste rockgroep ooit was, en frontman Manu Chao bleef met lege handen achter. Op een tumultueuze vergadering vol verwijten hadden de andere groepsleden hem verboden logo en groepsnaam in de toekomst te gebruiken. Honderden opnames die de kleine gitarist nog had liggen, mocht hij niet meer uitbrengen omdat de anderen er op meespeelden. Na negen uitzinnige jaren met de groep was het in 1994 definitief over. Manu Chao was 33 jaar en met de muzikale carrière die hij zo wanhopig had nagestreefd was het uit, zo dacht hij: "Als ik de naam Mano Negra niet meer heb, dan zal ik nooit meer muziek kunnen maken." En weg was hij: verdwenen van de aardbodem, om pas drie jaar later terug op te duiken.

Jaren zonder thuis

Hij was altijd al rusteloos geweest, maar nu werd het pas echt erg. Niet in staat om langer dan een paar weken ergens te blijven, reisde Manu Chao de wereld af. Latijns-Amerika voornamelijk, waar Mano Negra zo goed onthaald was. En vooral: immer voorwaarts. "Zo was het ook al bij Mano Negra. Waar ik ook ging, moest ik weer vertrekken. Ik voelde me claustrofobisch. Zeven jaar lang had ik geen thuis; mijn spullen stonden bij mijn ouders weggeborgen, en ik sliep bij vrienden."

En het was daar, in de meest verloren gaten van de planeet, weggestoken in de Braziliaanse favela's of op de Colombiaanse hoogtes, dat Manu Chao de verschoppelingen der aarde pas echt leerde kennen. Goed, hij mocht dan wel in een diepe, donkere depressie verzeild geraakt zijn, het kon altijd nog erger. "Zij konden zich geen zwaarmoedigheid veroorloven. Ze moesten voor hun familie zorgen, en behielden dus hun optimisme. Ze werden mijn beste leermeesters." Het opende hem de ogen, en gaandeweg werd de sprinkhaan, zoals zijn bijnaam bij Mano Negra luidde, meer en meer politiek bewust. Hij zag wat de globalisering met de mensen deed, en dat sloop ook zijn muziek binnen.

Ondertussen bleef Chao immers muziek maken, én opnemen. Honderden projecten werden gestart en aan de kant geschoven. Een circusproject in Rio, honderden jamsessies met andere groepen, het begin van een technoplaat in Napels... Heel even zat hij zelfs in de studio met Leftfield, maar dat leverde uiteindelijk toch niets op. Wat zo wel was gewekt: zijn interesse in de elektronische kant van muziek, en die zou zijn muziek voorzichtig binnensluipen.

Welcome To Tijuana

Experimenten in Mexico met de drug peyote hadden zijn verbeelding eindelijk opnieuw aangewakkerd, en dus schreef hij honderduit aan nieuwe songs: "Ik wist niet dat ik een plaat aan het maken was; het was pure therapie", vertelde hij later. Onder invloed van de Afro-Braziliaanse Candombléreligie verzon hij een mythisch verhaal over de God Superchango en zijn aartsvijand Cancodrillo dat doorheen Clandestino zou lopen.

In Tijuana, een duivelsnest op de grens met de Verenigde Staten, vond hij ook een verhaal. "'t Is een cruciale plek om de temperatuur van de planeet te meten", aldus de muzikant. "Het is daar dat duizenden arbeiders die de VS niet legaal binnen mogen, dan maar verschrikkelijk slecht betaald handwerk uitvoeren in sweatshops die Amerikanen er uitbaten voor de export. Voor mensen uit het Zuiden is de stad het einde van een lange trek: verder raken ze legaal niet. Vanuit het Noorden komen ze dan weer feesten, over de grens: waar het bier en de meisjes goedkoop zijn. Het kan er nogal een hel zijn."

Het was daar dat Clandestino vorm begon te krijgen. Chao trok zich het lot aan van de illegalen en de onderbetaalden, die niet binnen mochten in het beloofde land, maar ter plekke wel werden uitgebuit door yanquis. In de titeltrack leeft de zanger zich in in het lot van de "wetback", die de VS proberen binnen te komen door de Rio Grande-rivier over te zwemmen. "Welcome To Tijuana" vat de sfeer van de stad in enkele woorden: "Tequila, sexo, marijuana". In slotnummer "El Viento" steekt hij uiteindelijk de grens over als wind; ongezien. Ook muzikaal zou de stad overigens zijn vingerafdrukken achterlaten op de plaat. Dat geluid als een vallende bom dat Chao herhaaldelijk gebruikt, verkreeg hij dankzij een plastieken sleutelhanger die er veel verkocht wordt door straatverkopers.

Een andere politieke inspiratiebron waren de vele tegenbewegingen die zich roerden in de onderbuik van Zuid-Amerika, en dan vooral de Mexicaanse Zapatistas, die zichzelf betrokken zagen in een "Vierde Wereldoorlog" tegen het kapitalisme. Hun verzet tegen grote multinationals en zwakke politici inspireerde Chao, die de stem van hun Subcomandante Marco ook liet weerklinken op Clandestino. Een deel van de opbrengsten van de plaat zou de zanger later ook aan de rebellen schenken.

Gered door een koe

Naar eigen zeggen was het een koe die Chao in die verloren jaren van de zelfmoord heeft weerhouden. "Je mag mijn toestand toen echt wel een depressie noemen", vertelde hij biograaf Peter Culshaw. "Niet dat ik er echt een einde aan wilde maken, maar het idee was er wel elke dag, bij het opstaan. Dat hoor je in "Dia Luna... Dia Pena" op Clandestino. Ik had een reden nodig om te leven, en snel." En toen was er dus dat beest. Chao zat in de put en in een groezelige bar in een Braziliaanse favela toen de herkauwer binnenwandelde. "Ik stond oog in oog met dat dier, dat even verloren was als ik. En gewoon in die ogen kijken voelde goed; er zat iets ongelofelijk teders in haar blik. En daarna begon ik overal koeien te zien, dus ging ik er van uit dat ze me iets wilden vertellen. Sindsdien begrijp ik waarom die dieren heilig zijn in India. Ooit trek ik daarheen en bedank ik hen."

Meer nog dan een verdwaalde melkfabriek was het echter een motortrip met zijn vader naar het voorouderlijk Galicië die Chao langzamerhand weer terug naar de aarde trok. "Het was alsof hij met het uur meer werd herboren", zou Ramon Chao in zijn boek Prisciliano de Compostella, de aanleiding voor de trektocht, schrijven. Uiteindelijk bleef Manu achter bij verre familie die een boerderij in de schaduw van Santiago de Compostella had. Hij zou er urenlang jammen met de zestigjarige Joséfa Pinto die alles wist van de lokale folkmuziek, maar net zo goed verdween hij dagenlang met andere muzikanten. "El Desaparecido" -- de verdwijner -- noemde dat oude familielid hem gekscherend.

En zo kwam Manu Chao langzamerhand opnieuw op zijn pootjes terecht. Terug in Parijs producete hij de soloplaat van zijn ex Anouk (niet de Hollandse, vanzelfsprekend), en begon hij na te denken over de vele songs die hij zelf had geschreven in die stille jaren. Samen met de jonge studiotechnicus Renaud Letang ging hij aan de slag; in de garage onder zijn ouderlijke huis, waar hij ooit met zijn eerste groepjes was begonnen en waar ook Mano Negra zijn vorm had gevonden.

Bijna per ongeluk zou het duo het unieke geluid van Clandestino ontwikkelen. Zoals hij bij Mano Negra punk, rock en latinmuziek tot het volstrekt eigen patchanka had vermengd, zo experimenteerde Chao met elektronica en techno-elementen. Maar nog terwijl hij tijdens de opnames aan het tobben was over hoe ver hij daarmee wilde gaan, was het Letangs computer die de beslissing voor hem nam door per ongeluk alle drums en elektronica te verwijderen. Toen de zanger zijn nummers in die staat hoorde, kaal en eerlijk, wist hij dat het zo moest zijn. Toeval bleek alweer zijn vriend. "Het was alsof we een UFO hadden gecreëerd", merkte Letang op.

Zelfontdekt geheim

"Hier, ik heb een demo gemaakt": met die woorden gaf Manu Chao de voormalige manager van Mano Negra een versie van het nochtans bij grote platenfirma Virgin verschenen Clandestino. Zoals de meeste mensen in de platenbusiness had ook hij geen grote verwachtingen voor zijn solodebuut. Meer nog: hij ging ervan uit dat het meteen ook zijn zwanenzang zou zijn, en hij vertrok alweer. Het was tijd om iets anders met zijn leven te gaan doen: een reis naar Afrika lonkte. Wie weet kon hij daar wat sociaal werk doen?

Drie maand later was Chao in Senegal bekeerd tot de Islam en getrouwd met een ongehuwde moeder. Niet van zijn kind, maar zo kon hij haar en haar familie de schande besparen. Stelde niet zoveel voor dus, het was sociaal werk als een ander. Waarna hij het land rondtrok, hielp waar hij kon en af en toe geld uit eigen zak bijlegde voor een project. Maar voor dat ene eigen plan dat hij nog had, een muzikale treintocht -- alweer -- van Bamako naar Dakar, was zijn portefeuille toch niet dik genoeg. Voor het eerst in tijden nam de zanger nog eens contact op met Virgin; of zij misschien konden helpen? In Parijs waren ze maar wat blij om hun verloren zoon, die ze maar niet konden bereiken, mee te delen dat zijn album helemáál niet was geflopt, en traag maar zeker behoorlijk indrukwekkende cijfers bij elkaar aan het verkopen was.

Wat was er gebeurd? Ergens had Clandestino een gevoelige snaar geraakt. De hele zomer van 1998 lang werd de plaat, als het zelfontdekt geheim dat het was, van mond tot oor doorgegeven. Van hippe backpackers tot trendy bars op Ibiza was zijn debuut langzaam doorgebroken naar de mainstream. Maar liefst 189 weken zou de plaat in de Franse hitparade blijven rondhangen, en ook de rest van de wereld volgde gestaag.

El Desaparecido was een ster geworden.

Voor dit verhaal is gebruik gemaakt van het recent verschenen boek van Peter Culshaw Clandestino: In Search Of Manu Chao, uitgegeven bij Serpent's Tail.

E-mailadres Afdrukken