Banner

Harris Eisenstadt

Canada Day II

Guy Peters - 16 mei 2011

Componerende drummers/drummende componisten. Uw (en onze) eerste reactie: “Oh jee”. Handen die wanhopig omhoog gegooid worden. Toch zeker niet weer zo’n roffelfanaat die een paar vrienden uitzoekt die de leemtes tussen de cimbaalslagen mogen opvullen? En dan opent die Canada II ook nog eens met een drumintro van zo’n veertig seconden. Progallures, kan niks worden! Dan volgt de geruststelling: we hebben hier te maken met Harris Eisenstadt, een drummer die de voorbije jaren herhaaldelijk bewees dat het ook anders kan.

Eisenstadt had er met Guewel (2008), Canada Day (2009) en Woodblock Prints (2010) al een loepzuivere hattrick op zitten en met Canada Day II wordt daar een verleidelijk vervolg aan gebreid. Zat z’n vorige album nog een verslavende dans uit te voeren op de slappe koord tussen kamermuziek en jazz, dan gaat het er met dit kwartet wat conventioneler aan toe: het doet vooral denken, mede door die instrumentatie, aan de klassieke Blue Note-albums van de jaren zestig, al verraden de ritmes, melodieën en enkele eigenzinnige bijdragen dat het door en door hedendaags is.

Met zo’n vijftal is er trouwens een sterke garantie op slagen, want Eisenstadt omringt zich net als op het eerste deel met trompettist Nate Wooley (die de drummer dan weer uitnodigde op z’n eigen recente kwintetplaat, (Put Your) Hands Together), tenorsaxofonist Matt Bauder, vibrafonist Chris Dingman en bassist Eivind Opsvik. Het zijn kerels die met beide voeten in de moderne avant-jazz staan en regelmatig in de marge daarvan aan het werk zijn (Wooley is vermoedelijk een van de weinige trompettisten van zijn generatie die soms zo ver kan/wil/durft gaan als een Peter Evans), maar hier laten horen dat ze ook hun mannetje kunnen staan binnen een goedgeluimde en swingende context, waarbinnen makkelijk in het oor liggende composities de orde van de dag uitmaken. Wat op vorige Eisenstadt-albums constanten waren -- openheid, speelse melodieën, onbevangen sfeer -- zijn dat deze keer ook weer.

Zo is het openingstrio meteen een indrukwekkende entree waarmee je zeker ook de minder gewapende jazzfans kan overtuigen: na de drumintro schakelt “Cobble Hook” immers over op een typisch aanstekelijk, collectief op tafel gelegd thema dat wordt gevolgd door een simpele, maar spontane structuur waarbij ruimte is voor lyrische solo’s en vooral een lekker swingende ritmesectie. Eisenstadt en Opsvik kiezen zelden voor flashy spel: het komt allemaal los uit de pols, het blijft soepel en lichtvoetig, dansbaar zelfs. En vooral: de muziek blijft er voortdurend door ademen. “To Seventeen” is wat trager, wat lomer ook, maar al even aanstekelijk, gedreven door een rechtlijnig ritme en piekend met een bloedmooie, lyrische solo van Wooley.

Erg charmant is ook “Song For Owen”, een song die Eisenstadt opdraagt aan z’n zoontje. Het is een compositie die je met wat slechte wil melig zou kunnen noemen, maar eigenlijk kan je net zo goed stellen dat de artiest doet wat velen van zijn kompanen misschien niet eens zouden durven: resoluut gaan voor een emotioneel geladen statement met een bijna kinderlijk charmante melodie en een gelukzalige lichtvoetigheid die je bijvoorbeeld ook kon vinden op Jason Steins recentste plaat met Locksmith Isidore. Vooral Dingmans solo had zo deel kunnen uitmaken van een slaapliedscène in een modern sprookje. Er is zelfs een song opgedragen aan John Zorn (“Judo With Tokyo Joe”) die tot heupwiegen aanzet! Niet bepaald wat je zou verwachten.

Die songs zetten meteen de toon voor het hele album, dat voortdurend op de proppen blijft komen met melodieuze en harmonische pareltjes die mooi balanceren tussen eenvoud en sierlijkheid. Het drieluik “To Eh”, “To Be” en “To See/Tootie” is misschien net iets verder verwijderd van de popwereld, maar ook daar word je getrakteerd op fijnzinnig samenspel en complexloze vloeiendheid. In die laatste song mag Wooley trouwens eens laten horen tot wat hij in staat is: zelfs als hij kiest voor vuil pruttelende effecten lijkt het kwintet de teugels niet te verliezen. Enkel “Now Longer” neemt als compositie afstand van die toegankelijke structuur, door opgebouwd te zijn als een suite waarin enkele minimalistische, haast cinefiele passages afgewisseld worden met catchy collectieve momenten.

Canada Day II is niet het wonderbaarlijk originele album dat Woodblock Prints was, eentje waardoor je meteen alles liet vallen om te vragen wat je in godsnaam hoorde (zo mooi was het soms), maar het is een charmeur van de heimelijke soort, uitgevoerd met nonchalant gemak en bewust kiezend voor een toegankelijke, maar nooit afgelikte stijl en sfeer. Het is een vierde sterke plaat op rij voor Eisenstadt en een ideale, frisse insteek voor wie kennis wil maken met enkele hedendaagse kleppers zonder te moeten vrezen voor een hartinfarct of andere vervelende neveneffecten.

E-mailadres Afdrukken