Banner

Prima Donkey

Prima Donkey’s Rythme Exotique

Mieke Boone - 21 maart 2007

Het Vlaamse muzikantenmilieu heeft altijd al een incestueus kantje gehad. Vooral ter hoogte van Antwerpen blijkt de nestwarmte van een enkele groep zelden voldoende en engageren muzikanten zich onvermoeibaar in elkaars nevenprojecten van nevenprojecten. Geheel tegen de wetten van de genetica in, zijn de bastaardkinderen gewoonlijk toch erg schoon boelekes.

De cultuurhuizen te lande weten maar al te goed welke kwaliteit er op eigen bodem te rapen valt. Zo omarmde de AB in 2005 het gelegenheidsproject Prima Donkey, ontsproten aan het brein van Gunter Nagels (frontman van Donkey Diesel, ook al een samenraapsel van onder andere The Domino’s, Red Zebra en La Fille D’Ernest) en duizendpoot Rudy Trouvé (o.m. Dead Man Ray, The Love Substitutes). Voor de optredens werd de versterking ingeroepen van twee derde van Laïs (Jorunn Bauweraerts en Nathalie Delcroix), Buni en Simon Lenski en Han Stubbe (kernleden van DAAU), Roel Jacobs (Seatsniffers) en Kristiaan ’Boss’ Bosschaert, de contrabassende International. Het resultaat van deze kruisbestuiving, het album Prima Donkey’s Rythme Exotique, werd live opgenomen tijdens twee Prima Donkey-avonden in maart en december 2005 in de ABClub.

Het op een lome contrabas drijvende "Who’s To Say" is een ijzersterke opener en een topper op onze iPod sinds onze eerste kennismaking ermee. We horen een Nagels in bloedvorm die zich al orakelend en rochelend tot de Vlaamse evenknie van de grote Tom Waits ontpopt, flarden lichtvoetige pop (de Laïs-meisjes werpen zich op "Never leave you" van het Amerikaanse r&b-sterretje Lumidee) en zuchtjes klarinet en piepende viool die zorgen voor een niet geheel onaangename ’het-is-donker-in-een-verlaten-bos-en-ik-ben-een-beetje-bang’-sfeer. Al het kruit meteen verschoten, denkt een pessimist dan, maar er ligt gelukkig nog meer lekkers in het verschiet.

Dat lekkers is ook meteen voor elk wat wils. Als muzikale sleutelwoorden worden industrieel-akoestisch, blues, klezmer en bossa nova meegegeven, maar voor de meeste nummers moeten de vlaggen om de diverse ladingen te dekken nog worden uitgevonden. Zo is het door een pingelende gitaar en joyeus uitbarstende accordeon en viool aangedreven "Leave Me Alone" met wat goede wil als chanson te categoriseren, en lijkt het weemoedige "Heaven Or Helsinki" een volbloed traditional, maar het wordt allemaal rijkelijk door de Prima Donkey-mangel gehaald.

Het leeuwendeel van de nummers werd geschreven door Nagels en Trouvé, maar het album biedt ook enkele bijzonder geslaagde covers, waaronder een uitzinnige folkversie van "Jesus Built My Hot Rod" van Ministry, met een Nagels die zich blaffend en grommend naar het orgelpunt van het nummer toewerkt. Ook "Gypsy Solitaire" van het Canadese folkduo Fraser & Debolt krijgt een erg goed zittend Prima Donkey-jasje aangemeten. Eigen nummers van de diverse groepsleden krijgen eveneens een herkansing: zo blijkt de verstilde en uitgeklede versie van "Trash" van Trouvés Kiss My Jazz na een rijpingsproces van jaren een uitstekende zet.

Van Ministry naar Kim’Kay, het is to boldly go where no musician has ever gone before, maar de hidden track "Lilali", een cover van de weggedeemsterde Vlaamse huppelkut, bewijst bij uitstek hoezeer Prima Donkey het naar een hoger niveau optillen van andermans nummers in de vingers heeft. "Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding", gaat blijkbaar niet altijd op. Er is dus nog hoop.

E-mailadres Afdrukken