Banner

L’Or du Commun

Sapiens

8.5
Laurent Mertens - 26 november 2018

Het zijn niet altijd diegenen die het meest aandacht verdienen die ze ook krijgen. L’Or du Commun, kortweg l’ODC, is daar een prachtvoorbeeld van. Oorspronkelijk vier, sinds vorig jaar nog drie, heren met een overvloed aan talent die om een of andere mysterieuze reden qua bekendheid wat zijn blijven achterophinken sinds de Brusselse rapscene ontploft is, een jaar of twee geleden.

Kent u Roméo Elvis? Wel, die had u zonder l’ODC mogelijks niet gekend, en hij is de eerste om dat te beamen. Op zijn eigen doorbraakalbum van vorig jaar, Morale 2, geeft hij hen al alle krediet voor zijn succes in “Agora”, en recentelijk nog gaf hij een dikke shout out in zijn bijdrage aan “1000°C” van Lomepal (“[...]j'en menais pas large avant que L'Or Du Commun ne m'ait repéré”). Dit is significanter dan het op het eerste gezicht lijkt: Lomepal is ondertussen wereldberoemd in Frankrijk. Er wordt koortsachtig uitgekeken naar zijn nieuwe album, waarvan “1000°C” een single is, dus in die zichtbaarheid je bijdrage gebruiken om nogmaals te zeggen dat je je succes aan een ander te danken hebt, is verdomd chic van Elvis.

Soit, l’Or du Commun dus. Ondanks hun ontstaan ergens in 2012 is de rap van l’ODC zeer sterk verankerd in de Franse rap uit het midden van de jaren negentig, a.k.a. “l’âge d’or du rap Français”. Hun vroege werk doet sterk denken aan oude namen als 2Bal 2Neg, Sléo, Les Sages Poètes de la Rue, oude Solaar en meer van dat. Hoe dat dan klinkt? Denk aan jazzy samples met mellow grooves. Een voorbeeld? Check deze waanzinnige freestyle uit 2013.

De laatste man die u in voorgaande clip aan het werk ziet, is Félé Flingue, die er ondertussen mee gestopt is. Blijven over: Primero (de meest literaire), Swing (de meest - jawel - swingende) en Loxley (met de mitraillettecadans). De groep had al drie ep’s uitgebracht (waarvan de eerste twee nog steeds gratis digitaal beschikbaar zijn), maar eerlijk is eerlijk: hun laatste ep uit 2017, Zeppelin, had met zijn acht piekfijn afgewerkte, volwaardige nummers evengoed als album kunnen tellen.

De twee eerste EP’s laten een groep horen die vooral zin heeft om zich te vermaken met geestige nonsensnummers, zonder te denken dat hier ooit een volwaardige carrière in zou kunnen zitten. Zeppelin is het begin van het idee dat dit toch weleens zou kunnen lukken (de Brusselse scene is al goed ontploft tegen dan). En nu is er dus eindelijk dat eerste album. “Sur Ma Vie”, een van de vooruitgeschoven nummers, schreeuwt meteen uit dat ze verdorie hard hebben moeten werken om zover te komen en dat ze niet van plan zijn de wapens nu neer te leggen. “Faut qu'on graille / Mais pour ça faut d'la maille / La mama faut qu'j'la rassure / Mais pour ça faut qu'ça marche / Sur ma vie que j'vais faire c'qu'il faut” horen we tijdens het refrein. Vertaald: we moeten eten, maar dat kost geld, mama moet gerustgesteld worden, maar daarvoor moet het (=de muziek) lukken, ik zweer op mijn leven dat ik daar alles voor zal doen.

En óf dat goed nieuws is, want wat vallen hier weer gouden teksten te plukken. De handen jeuken om het hele magistrale, filmische vers van Primero op “Slalom” hier over te nemen, maar we beperken ons tot het refrein: “On a essayé / Essayé de sceller les deux êtres esseulés que nous sommes / Petit être ailé / Pour éviter tes flèches, je slalom”. Een mens wordt er stil van. Het is maar een voorbeeld uit de zovele: werp een figuurlijke steen en je raakt een couplet waar je ongelovig je hoofd van schudt.

Los daarvan is dit album ook wel degelijk consistenter qua inhoud dan hun voorgaande releases, wat zich vooral inhoudelijk laat merken. Er zit een rode draad doorheen de nummers, met name dat het allemaal niet zo gemakkelijk is in het leven. Zo wordt in een drukkende sfeer op “Truman Show” een beeld neergepoot van een wereld waarin alles maakbaar en fake is, van emoties tot borsten, en het een ware uitdaging is om trouw aan jezelf te blijven. Een ander voorbeeld is “Téléphone”, over opgesloten zitten in je eigen hoofd, de waanzin nabij (allez hop, weer een schitterend couplet van Primero: “Si tu voyais la taille des pincettes que les gens prennent quand les gens t'parlent / C'est qu'tu t'enflammes si vite qu'on dit que tu es à la fois la paille et l'étincelle”).

Deze evolutie gaat ten koste van de humor die in eerder werk aanwezig was. Zo is dit de eerste release waarin Primero geen verwijzingen naar Jean Reno verwerkt heeft, een running gag, terwijl die op Zeppelin nog een heel refrein kreeg in “Léon”. De, overigens pico bello, productie klinkt ook moderner dan ooit. Er is nog een old skool afdruk aanwezig, maar de jazzy samples lijken wel degelijk onherroepelijk vervangen door synthbaslijnen, drumcomputers en breakdown-refreinen.

Traditiegetrouw is er zoals op elke release ook een bijdrage van Roméo Elvis, al komt die hier enkel een refrein voor zijn rekening nemen. Dat is best spijtig na zijn withete passage op “Apollo” vorig jaar. Een tweede cameo is weggelegd voor Isha, een andere naam uit het Brusselse, die op “Nos Gènes” de beat binnengewandeld komt als een ware - jawel - jaren ‘90 Oxmo Puccino. Of dat een compliment is, vraagt u? Toch wel, ja.

U heeft het begrepen, dit is een beest van een album. Zoals steeds bij l’ODC is het een hemels genot om te horen hoe dit gezelschap met de Franse taal goochelt. Combineer dat met een behoorlijke intellectuele bagage en top notch producties en je krijgt Sapiens, een werk om verdomd trots op te zijn. “À BX, on était matrixés par l'hégémonie d'la scène Parisienne / Ils disaient qu'fallait faire d'la variété', j'ai le sourire quand j'regarde en arrière / Ralenti par discours avarié, dans les bacs, on a fini par y être” vertelt Swing op “Sur Ma Vie”. Gelijk heeft hij. Parijs heeft zijn beurt gehad, nu is het de beurt aan Brussel.

E-mailadres Afdrukken