Banner

Eiko Ishibashi

The Dream My Bones Dream

6.5
Bjorn Weynants - 09 november 2018

Aan hokjesdenken doet de Japanse Eiko Ishibashi niet mee. Of het nu experimentele muziek of geavanceerde pop is, voor geen van beide draait ze haar hand om.

De uit de stad Mobara afkomstige multi-instrumentalist Eiko Ishibashi resideert tegenwoordig in de nabijgelegen hoofdstad Tokyo en heeft er al een hele reeks samenwerkingen opzitten in de experimentele Japanse muziekscene. Met noise-grootmeester Merzbow maakte ze in 2016 de duoplaat Kouen Kyoudai, en saxofonist Akira Sakata speelde onder andere mee op haar eerdere album Imitation Of Life (2013). Al vormen de landsgrenzen geen beperking: zo werkte ze op het eerder dit jaar verschenen album Ichida samen met de Amerikaanse bassist Darin Gray. Maar de artiest die het meest met haar geassocieerd wordt, is zonder twijfel Jim O’Rourke, de man die gedurende enige tijd het vijfde lid was van Sonic Youth. Een samenwerking die overigens beide kanten uitgaat: Ishibashi werkte mee aan O’Rourkes Simple Songs (2015), omgekeerd producete de Amerikaan meerdere albums van Ishibashi. Ook op haar zesde album, The Dream My Bones Dream, is hij weer van de partij.

Inspiratie voor dit album vond Ishibashi in de foto’s die ze erfde na het overlijden van haar vader. Familiekiekjes uit de jeugdjaren van haar vader in het door Japan bezette Chinees Mantsjoerije in de jaren 40. Een verleden waar haar vader haar eigenlijk nooit veel over verteld had. Ook de job van haar grootvader aan de spoorwegen in het bezette gebied loopt als een rode draad door het album.

In 2014 maakte ze de muziek bij een Japanse theaterproductie van Fassbinders Der Mull, Der Stadt und Der Todt. Het is eerder naar die filmische muziek dat The Dream My Bones Dream neigt, al is het resultaat veel minder theatraal en ook wat minder vlot toegankelijk. Het wat misleidend getitelde openingsnummer “Prologue: Hands On The Mouth” is meer dan gewoon een intro. Het is een langzaam, dreigend nummer, waar de etherische zang herinneringen oproept aan Kate Bush, dat verder ontaardt in een lichte vorm van dissonantie. Soms drijven de nummers op een naar trip hop neigend ritme, zoals op het beeldrijke “Agloe” of het van subtiele blazers voorziene “Iron Veil”.

Het middenstuk van het album is grotendeels instrumentaal, waar vooral de combinatie van ritmisch drumgeroffel en piano van “A Ghost In A Train, Thinking” erg geslaagd is. Het is knap hoe Ishibashi het hele album lang eenzelfde sfeer weet te scheppen, maar toch subtiele accentverschillen legt, zoals bijvoorbeeld door de strijkers op het titelnummer. Pas bij de laatste nummers komen we op vlotter toegankelijk terrein. “To The East” is niet alleen een showcase voor haar pianospel, maar het is ook een nummer dat dicht aanleunt bij de klassieke folkmuziek uit de jaren 70. Ishibashi gaat nog verder in de tijd terug op het slotnummer “Epilogue: Innisfree”, dat zo weggelopen lijkt uit een oude, rokerige jazzkroeg.

Met The Dream My Bones Dream levert Ishibashi een album af dat zich er niet toe leent om oppervlakkig te beluisteren. Het is een intrigerend werkstuk dat misschien niet over de hele lijn weet te bekoren, maar op zijn beste momenten wel toont dat Ishibashi een artiest is om in het oog te houden.

E-mailadres Afdrukken