Banner

4 x Dave Rempis

Empty Castles / Dodecahedron / ICOCI / Ithra

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 22 oktober 2018

De vrije jazz en improvisatie vinden al decennialang hun plaats in een groter geheel door het onvermoeibare trek-, duw- en sleurwerk van stuwende krachten die hardnekkig blijven zoeken naar middelen, bouwen aan een gemeenschap (zegt u dat nog iets, in deze tijden van wereldvreemde politiek?) en manieren om artiesten en publiek bij elkaar te brengen. Een spilfiguur voor de scene in Chicago (en daarbuiten) is Dave Rempis, die dit jaar vier albums uitbracht via zijn Aerophonic Records. Vier albums met uiteenlopende collega’s die ook een fraaie dwarsdoorsnede bieden van de variatie en diepgang van zijn werk.

Maar Rempis is niet zomaar een muzikant die in eigen beheer muziek uitbrengt. Hij stelt zich ook ten dienste van andermans projecten (Michael Zerang & The Blue Lights, Ken Vandermarks Audio One en Tim Daisy’s Fulcrum Ensemble zijn er slechts enkele van), gaat voortdurend nieuwe uitdagingen aan (momenteel is hij in de weer met Kuzu, een trio met Tashi Dorji en Tyler Damon) en probeert op zijn beurt ook het stokje door te geven aan de volgende generatie die te trappelen staat, zoals bijvoorbeeld pianist Matt Piet. Als programmator bij Elastic zorgt hij al sinds 2002 voor een podium voor niet-commerciële muziek, terwijl hij ook actief was bij Umbrella Music en het Pitchfork Music Festival, en recenter het Hyde Park Jazz Festival. Kortom, Rempis is een patron die is uitgegroeid tot een sterkhouder waar een hele scene de vruchten van plukt.

Met Aerophonic Records is hij intussen ook al bezig sinds 2013, wat al bijna twintig fysieke releases opleverde (plus een paar digitale). We duiken hier in de vier die dit jaar verschenen:

Spectral (Dave Rempis, Darren Johnston, Larry Ochs) - Empty Castles

Het trio Spectral werd in het leven geroepen toen Rempis in 2011 een bezoek bracht aan de Bay Area, waar zijn kompanen actief zijn. Johnston was al een frequente speelpartner, maar Ochs, die vooral bekend is van het gelauwerde ROVA Saxophone Quartet, was een nieuwe sparring partner. De drie vonden elkaar zo goed als meteen op de tast, wat intussen al Spectral (2014) en het digitaal verschenen live album Neural Nation (2016) opleverde. Met Empty Castles wordt er een bijzonder vervolg aan gebreid, omdat het trio voor de opnames gebruik maakte van Bunker A-168, een voormalige munitieopslagplaats uit de Tweede Wereldoorlog, een grote ruimte waarin de handgekladde lijnen en cijfers het gewicht van de geschiedenis bewaren en de galm zichzelf uitroept tot medespeler.

Grote ruimtes met ongebruikelijke akoestiek zijn altijd al een geliefde plek geweest voor heel wat improvisatoren. Kerken, kloosters, magazijnen en verlaten constructies hebben niet alleen hun eigen sfeer, maar ook een enorme impact op de geluidskwaliteit (iets dat in deze oorden ook al verkend werd door o.a Joachim Badenhorst, Donder en Steiger). Elke uiting en elke detail worden onverbiddelijk aangetast door de specifieke aard en afmetingen van de ruimte, en in een plaats als deze meteen onder de loep gehouden. Een korte ‘plop’ verliest zijn snijdende compactheid, een langere noot wordt daarentegen verder gerekt en speel je een hele sliert, dan gaan al die aparte noten of geluiden onvermijdelijk in elkaar overlopen. Dat zorgt ervoor dat dergelijke muziek vaak minder scherp klinkt, zonder daarom aan urgentie of intensiteit in te boeten. Het is vooral een uitdaging voor de muzikanten, omdat ze gedwongen worden om op een heel andere manier te improviseren.

Zoals misschien verwacht kon worden, leidt het hier niet tot een klassieke freejazzpolyfonie vol bluesy serenades of warmbloedige grooves. Rempis (alt- en baritonsax), Johnston (trompet) en Ochs (sopranino- en tenorsax) zoeken het op open en abstracter terrein, waarin zo sterk mogelijk gebruik wordt gemaakt van de resonanties. Zelden spelen ze als een ‘blok’ dat met verenigde krachten een statement creëert. In plaats daarvan wordt geëxperimenteerd met contrasten (staccato prikken versus lange uithalen, zachte golvingen versus rauwe kreten), uitvergrote details (kleppengeklik, ruisklanken) en rondgehangen in grensgebieden waar persoonlijke statements in elkaar overlopen. Doordat de saxofonisten andere modellen hanteren en bovendien gescheiden zitten in het geluidsbeeld (Rempis links, Ochs rechts), blijft de muziek wel vrij transparant voor de luisteraar.

Die kan dan zelf vaststellen hoe een toename van meer expressieve klanken ook direct leidt tot een woelig(er) totaalgeluid (“This Is Not Vermont”), hoe de muzikanten soms maximaal gebruik maken van de context door in te zetten op geïsoleerde posities (“Bunker”), maar soms toch ook wat meer warmte in de interactie kunnen steken (“Luminal”). Voor elke passage waarin het aanvoelt alsof gezocht wordt naar een haast dierlijke nukkigheid (“Splash Zone”) of spel van ruwe kreten (“Gravity Zone”), krijg je ook wel een moment dat een iets gaver, gebalder en lyrischer, maar daarom niet minder uitdagend samenspel laat horen (“Little Hymn”). Empty Castles is zeker niet de meest toegankelijke manier om het oeuvre van Rempis te leren kennen, maar het toont wel hoe het niveau van instant componeren zelfs in ongewone omstandigheden van hoog niveau blijft.

The Rempis/Daisy Duo & Guests - Dodecahedron

Vrije improvisatie is bij uitstek het genre van eerste ontmoetingen en onbevreesde sprongen in het onbekende, maar ook hier geldt dat een jarenlang verwantschap tot iets bijzonders kan leiden. Rempis speelt al ruim twintig jaar samen met drummer Tim Daisy. Dat gebeurde in bands als Triage, The Engines, The Vandermark 5 en The Rempis Percussion Quartet. Er wordt zelfs gesproken van meer dan 1000 (!) concerten samen, iets wat je niet zomaar opzij zet. Eerdere albums als Back To The Circle (2005) en Second Spring (2014) lieten al horen hoe persoonlijk het duo communiceert. Dat werd deze zomer ook nog eens bevestigd door hun ijzersterke concert dat we zagen op het Konfrontationen Festival, en nu ook met Dodecahedron.

Hun output als duo (drie albums) weegt in volume niet op tegen die van het verwante duo Vandermark/Nilssen-Love (acht albums en een boxset), maar is eigenlijk al even indrukwekkend. Dit duo is wat subtieler en minder uitgesproken ritmisch, maar verkent de uitgebreide speelzone al even gretig. Opener “Eikosi” is met z’n 28 minuten meteen een visitekaartje van formaat, eentje dat laat horen dat ze er hun tijd voor durven nemen om stapsgewijs te bouwen aan een constructie die met ijzeren hand onder controle gehouden wordt. Ze kunnen rondcirkelen in abstractie om vervolgens de focus steeds scherper te stellen, te belanden bij dat bijna delirische verkeer met die befaamde snelle spurtjes van Rempis en de omkadering van Daisy die op geen enkel moment voorspelbaar wordt.

Misschien is dat wel de grootste troef van het duo: het vermogen om te blijven bewegen, de nuance op te zoeken, het samenspel voortdurend ademruimte te geven door te blijven ontrafelen en aan te dikken, te exploreren, uit te pakken met gloeiende erupties die doordrongen zijn van een lichte koorts. Het is dan ook boeiend om te horen hoe ze het er op het tweede schijfje vanaf brengen met zes collega’s. Daarbij kan je enkel vaststellen dat het vizier opengehouden wordt en het bereik al even duizelingwekkend blijft. Trombonist Steve Swell is al even bedreven in de slalombeweging tussen delicaat pointillisme en brede scheurbewegingen, terwijl het met cellist Fred Lonberg-Holm vanzelf een kamermuzieksfeertje (weliswaar met noisy randje) krijgt dat onvermijdelijk wat herinnert aan de latere Vandermark 5-albums.

Ook fijn om Jim Baker nog eens te horen, die al in de frontlinie stond doen Rempis en Daisy arriveerden als jonge barricadenbestormers. In het ene stuk haalt de gast uit met die idiosyncratische speelstijl op de wip tussen klaterende freejazz en hedendaagse geïnspireerde excursies, voor het andere maakt hij gebruik van de zwalpende elektronica waar hij even vermaard om werd. Dat element komt nog sterker uit de verf in het stuk met Aaron Zarkutzki, dat gaandeweg omgevormd wordt tot een gestroomlijnd onheilsverhaal. Ook fagottiste Katherine Young heeft duidelijk een achtergrond in elektroakoestische verkenning die ver verwijderd is van de werelden waar haar instrument doorgaans mee geassocieerd wordt. En dan is er nog de samenwerking met vibrafonist Jason Adasiewicz. De zwoele resonanties van diens instrument zijn uitermate geschikt voor een opvallende contrastwerking, met vooral een op hol geslagen Daisy, die zich te buiten gaat aan een ondergrond van nerveus gekletter en aanhoudende beweging. Het maakt van Dodecahedron een even veelzijdig als genereus document.

Dave Rempis, Jasper Stadhouders & Frank Rosaly - ICOCI

Dit trans-Atlantisch trio is niet het gevolg van Frank Rosaly’s verhuis naar Amsterdam in 2016, maar kende z’n oorsprong al een stuk vroeger. De drie ontmoetten elkaar immers voor het eerst op het legendarische ad hoc impro-podium van het Moers Festival, waar ze speelden in 2009. Stadhouders was toen nog maar net achttien, maar de drie vonden een klik, die na een aantal andere ontmoetingen (zo zagen we Cactus Truck in 2011 ook al met Terrie Ex en Dave Rempis) leidde tot een kleine tour in 2017 en nu ook een album. De twee lange improvisaties, samen goed voor vijftig minuten, werden opgenomen in het Amsterdamse OCCII (vandaar de titel) en vinden een geslaagd evenwicht tussen dosering en intensiteit.

Dit is vooral ook een trio dat goed visueel weergegeven wordt door de foto van het boerenpaard in het artwork. De energie van ICOCI is niet die van de vijandige, agressieve soort, maar er valt evenmin over te discussiëren. Het is een krachtig, goedaardig en onwrikbaar feit. Het is ook een combinatie van muzikanten die de belofte van intensiteit inhoudt, een beetje zoals je bij Ballister (Rempis’ trio met Fred Lonberg-Holm en Paal Nilssen-Love) ook altijd een paar muilperen verwacht. Rosaly is bovendien een andere drummer dan Daisy; soms al net zo behendig in de weer met eindeloze details en variaties, met ook een voorkeur voor allerhande extra objecten, maar zijn stijl is iets gespierder, er stroomt meer espresso door, lijkt voortdurend in een kramp te (willen) schieten, en kan gelden als beweeglijk fundament, maar ook als stug wringend antwoord.

Stadhouders speelt net als bij Cactus Truck, Made To Break en een aantal andere projecten, op elektrische bas als gitaar en slaagt er in om furie en abstractie samen te laten smelten. Hij kan expressionistisch klodderen laten overgaan in loodzware uithalen die zo uit de noiserock konden komen, en is op gitaar minstens even inventief, met een aanpak die het onvoorspelbare van een Terrie Ex combineert met een voorliefde voor ongebruikelijke technieken en onconventionele klanken. In combinatie met de veelzijdigheid van Rempis (alt- en tenorsax) levert het een enorm potentieel op, dat ook hier eigenzinnig uitgewerkt wordt, al is het maar omdat de twee stukken zo ongrijpbaar blijven. Ze zijn een paar keer in de weer op fluisterniveau, maar spelen ook vaak met vuur, al levert het daarom nog geen allesverwoestende brandhaard op. Gelukkig ook geen interactie die als los zand tussen de vingers glijdt, want bovenal is ICOCI een ode aan de weerbarstigheid en spanning in vrije muziek, waarbij die laatste regelmatig als een kloppende zenuw in een wonde naar het oppervlak komt.

Dave Rempis, Tomeka Reid & Joshua Abrams - Ithra

Het laatste album van de vier werd opgenomen op 18 december 2017, zeventien dagen na ICOCI, maar is een heel ander beestje. Hier hoor je Rempis in het gezelschap van twee generatiegenoten die net als hem deel zijn gaan uitmaken van het Chicago-DNA. Celliste Tomeka Reid speelde in Mike Reed’s Loose Assembly, stond aan de zijde van Anthony Braxton, Roscoe Mitchell, Nicole Mitchell en Jaimie Branch, maar bracht ook muziek uit onder eigen naam, waarmee ze zich profileerde als een van de centrale cellisten van de hedendaagse improvisatie. Het cv van Abrams is mogelijk nog indrukwekkender, want in zijn jonge dagen had hij banden met The Roots én Tortoise, terwijl ook hij te horen was bij Reed, de Mitchells, maar ook Matana Roberts, Joe McPhee en hoge toppen scheerde met zijn Natural Information Society.

Een rietblazer met cello en bas, dat stuwt de muziek onvermijdelijk wat naar de kamermuziek. Ook dit album is bovendien een echt samenwerkingsverbond, geen gedoe met een stersolist en een paar begeleiders, wat er mee voor zorgt dan behendig tussen de genres gelaveerd wordt. Hier en daar heeft het de elegantie en focus van bedwelmende kamermuziek of etherische folk, maar het bevat natuurlijk ook veel vrijheid en avontuurlijke geluiden. Zo hanteren Abrams en Reid de strijkstok regelmatig op minder conventionele manieren, blijven ze soms in elkaars buurt rondhangen, als een complementair stel, maar durven ze ook totaal andere streken opzoeken, zoals in “Many Labors”, waarin Reid haar instrument omvormt tot een percussiekast. Elders vormt ze een ideaal klankbord voor de al even geraffineerd spelende Rempis, die hier nog delicater dan anders beweegt.

Enkele keren levert het ook muziek op die zo eensgezind beweegt dat je je gaat afvragen in welke mate dit nog geïmproviseerd is. Vooral bij de langere stukken “Mophallaxis” en (iets minder opvallend) “Chorissa” is dat het geval. In het eerste verkent het trio een prachtig parcours, dat start bij lang aangehouden klanken/uithalen die op elkaar worden gelegd, om van daaruit met een bedwelmende elegantie te evolueren. En zelfs als het halverwege wat woeliger wordt en vervolgens uitdunt, blijft er een fraaie rode draad voelbaar. Idem voor het intense “Wattle And Daub”, dat in de kop nog uithaalt met agressieve cellostoten en een beweeglijk-springerige interactie, maar iets later een ingetogen en hypnotiserende lyriek opzoekt, met harmonieuze resonanties die Rempis’ gierende uitschieters een uitvergrote emotionele punch geven.

Het zijn slechts enkele uitschieters op een album dat een stuk verder verwijderd is van de vrije jazz en improvisatie waar Rempis zich doorgaans in ophoudt, maar dat ook aantoont dat de muzikant een intelligente, snel denkende improvisator is die indrukwekkende techniek, controle en een buitensporig aanpassingsvermogen combineert tot een hoogstpersoonlijke stijl van musiceren. Dat levert geen hapklare brokken op, maar dat is ook geen betrachting (laat staan een probleem). In een scene die geen gebrek kent aan opvallende figuren is Rempis uitgegroeid tot een artiest van formaat.

E-mailadres Afdrukken