Banner

William Elliott Whitmore

Kilonova

7.0
Björn Weynants - 18 september 2018

De link tussen Bill Withers, Bad Religion en ZZ Top? William Elliott Whitmore.

Na de release van Radium Death in 2015 werd het, zeker in Europa, even stil rond William Elliott Whitmore. Er kwam wel een split single met Esmée Patterson en een aantal occasionele optredens in de buurt van zijn thuisbasis in Iowa, maar verder was er nauwelijks nieuws. Was het omdat Radium Death weinig deining veroorzaakte en in tegenstelling tot eerdere releases ook minder lovende recensies kreeg, of was er een andere reden? Whitmore trok zich terug op zijn ouderlijke boerderij in het landelijke Iowa, niet ver van de Mississippi, tot hij dit jaar terug in de schijnwerpers kwam te staan. Eerder dit jaar was er al de release van zijn band Middle Western -- waar Whitmore bas speelt – en nu is er Kilonova, album nummer zeven en het eerste op zijn nieuwe label, Bloodshot Records.

Op Kilonova staan tien covers van nummers waar Whitmore een band mee heeft, nummers die hij al eerder bracht op liveoptredens. Dat gaat van artiesten die dicht bij de muziek van Whitmore liggen, zoals de onvermijdelijke Johnny Cash, tot minder voor de hand liggende artiesten als de indiepopband The Magnetic Fields of de hardcore punk van Bad Religion. Al is dat laatste minder verrassend als je weet dat Whitmore nog een verleden heeft in de hardcore-scene van zijn heimat. De muziek ligt in het verlengde van wat we ondertussen gewoon zijn van Whitmore. Ergens tussen old time folk, blues en country in, waarbij de banjo een vaak prominente plaats toegewezen krijgt.

Het meest in het oog springend zijn natuurlijk die covers waarvan de originelen het verst van Whitmore afstaan. In de versie van The Magnetic Fields is “Fear Of Trains” slimme synthpop, maar Whitmore sloopt alle overbodigheid en maakt er, zichzelf begeleidend op banjo, een oude, getekende countrysong van. Een bewerking die veel beter past bij de boodschap van het nummer: een aanklacht tegen de behandeling van de Native Americans. Stephin Merritt zal het misschien niet graag horen, maar Whitmore heeft het nummer zijn definitieve versie gegeven. “Don’t Pray On Me” van Bad Religion wordt in Whitmore's handen bijna een traditional en is een terugkeer naar het geluid van ‘s mans eerste drie studioplaten.

Voor de meeste andere nummers blijft Whitmore dichter bij het origineel, al weet hij steeds er zijn eigen ding mee te doen, niet in het minst geholpen door zijn unieke stemgeluid. “Five Feet High And Rising”, een oudje van Johnny Cash, klinkt hier als een outtake van diens American Recordings. Van ZZ Top leent hij “Hot Blue And Righteous” en lapt een flinke dosis soul bij deze slepende gospelsong. “One Glass At A Time” van de countryband Red Meat en een a capella “Country Blues” van Doc Boggs -- een van de grootmeesters van de banjo -- zijn zo doorleefd dat, als je niet beter wist, je zou zweren dat het originelen zijn.

Het dichtst bij het origineel blijft Whitmore op Bill Withers’ klassieker “Ain’t No Sunshine”, al is beider stemgeluid zo verschillend dat het niet stoort. Het album wordt afgesloten met de meest out there cover. Captain Beefhearts “Bat Chain Puller” klinkt ook hier als gedementeerde blues, maar tegelijk veel aardser dan de originele versie. Het is een buitenbeentje op het album en in Whitmore's oeuvre, maar het is zowat de enige keer dat hij er net niet in slaagt om het origineel naar de achtergrond te duwen. Niet dat het een slechte versie is, maar Beefheart is zo'n idiosyncratische muzikant dat covers van zijn nummers bijna per definitie gedoemd zijn om te falen.

Kilonova is een album met enkel covers, maar toch voelt het persoonlijk aan -- de foto op de hoes is er een van zijn overgrootouders -- omdat hij nummers heeft gekozen waar hij een band mee heeft. Dat merk je ook, want nergens voelt het album aan als een verplicht nummer. William Elliott Whitmore is het soort artiest dat niet anders kan dan zijn ziel in een song leggen, en dat wordt hier nogmaals bewezen.

E-mailadres Afdrukken