Banner

Big Red Machine

Big Red Machine

8.5
Philippe Nuyts - 17 september 2018

Uit een huwelijk tussen Bon Iver en The National kunnen alleen maar mooie kindjes komen. Vooral weerbarstige ook, zo blijkt. Deze plaat kan u dus in al z’n inventiviteit ontgoochelen, maar nu het toch bon ton is om dit ook te zeggen over pakweg armoede of racisme: dan ligt dat toch vooral gewoon aan uzelf.

Zo simpel is het immers allemaal niet. Wie een droevig pareltje tussen weemoed en waanzin verwacht in de filosofie dat 1 + 1 altijd 3 is, is eraan voor de moeite. Dit is 5, met een dertigtal cijfers na de komma. En neem daar de vierkantswortel van. Big Red Machine is immers het eerste vehikel van PEOPLE, een creatieve, artistieke digitale vrijplaats waar naast Justin Vernon en Aaron Dessner onder anderen ook Lisa Hannigan en Richard Reed Parry van Arcade Fire deel van uitmaken. Naast een online platform was er onlangs het eerste PEOPLE-festival in Berlijn, bedoeld als een broedplaats voor spontane samenwerkingen en creatieve oprispingen. Het festival van de toekomst, werd het genoemd. Zweverig genoeg allemaal, maar toch: mocht het zo zijn, dan staan we er goed voor.

’Spontaan’, ‘creatief’ en ‘vrij’ zijn allemaal adjectieven die van Big Red Machine spatten. Op z’n slechtst zijn dat eufemistische dooddoeners die als een mantel der liefde over krakkemikkige nummers vol restjes en half-afgewerkte ideeën gedrapeerd worden. Die valkuil vermijdt Big Red Machine, al heeft u een aantal luisterbeurten nodig om dat door te hebben. Dan pas tekenen de songs zich immers scherp af in de mist van verschillende ideeën, staan de klanken ten dienste van de melodie en blijkt de vrijheid te gedijen ten dienste van de songs. En omgekeerd.

Het helpt natuurlijk dat Vernon en Dessner ambachtslui zijn voor wie de song een heilige graal is die ze qua eigen geluid respectievelijk manisch (22, A Million) en bedachtzaam (Sleep Well Beast) opblonken. Op Big Red Machine lopen ze elkaar tegemoet op een vierarmenkruispunt van elektronica, futuristische pop, uitgelatenheid en weemoed. Dit is spelen met een serieuze blik en ontroeren met een guitige blik, dit is onbedoeld raak schieten tijdens een oefenworp. Het klinkt als een momentopname waar kundig naar is opgebouwd, maar waarin hoorbaar nog veel rek zit. Dit willen we immers ook weleens live zien.

Het eerste nummer dat u plots midscheeps raakt als een kaduke pijl van Cupido is “I Won’t From It”, een troostende hand op uw schouder terwijl de andere een goed glas aanreikt. Een bedrieglijk simpele melodie is een opperhuid waaronder alles zachtjesaan intenser broeit en bloeit. Dit is een masterclass arrangeren - dat achtergrondkoortje, begot. “Now look at that smile” grijnst Vernon zowaar profetisch. De kenner-liefhebber in u mompelt dat zo’n nummer toch geen toevalstreffer kan zijn na een eerste paar luisterbeurten. En dan begint de pret.

Wanneer datzelfde gevoel u vervolgens bekruipt tijdens de zanglijn van wat uiteindelijk een soort refrein van “Deep Green” blijkt te zijn, bijvoorbeeld. Zalvende onrust. Er is het gitaartje in “Gratitude” dat bijna een sample lijkt van The Nationals “Start A War”. “Well I better not fuck this up” kweelt Vernon en dat gebeurt dan ook niet doordat gloedvolle schoonheid het op het einde nipt op punten haalt van de onrust. Er is de stuiterende hiphop van “Lyla” - met Bryan Devendorf op elektronische drums trouwens - als een steeds dikker wordend wolkendek waar halverwege de zon doorbreekt middels sussende vrouwenstemmen. Mooier moet het niet worden.

En dat doet het toch. Op de gospel “Hymnostic” bijvoorbeeld, die het laatste rondje in het café betaalt voor het licht wordt aangeknipt. Koperblazers zijn een a priori Dafalgan. “Forest Green” is opgetrokken uit kluiten aarde die op de doodskist van een liefdesrelatie gekieperd worden (“How I’m gonna get you outta my mind ? / More time / I was gonna give us more and more time I ain’t lying”). Troosteloze berusting, ook dankzij de strijkersarrangementen van Bryce Dessner. Matt Berninger is trouwens de enige Nationalist die niet bij deze plaat betrokken is.

Eenzelfde bloedmooi arrangement van Dessner opent het bloedend hart van de plaat, “OMDB”, waarin Vernon op eenzelfde bedje van grillige ritmes de lakens door elkaar woelt en steeds manischer tekeergaat. Bijna acht minuten lang de perfectie van beredeneerd freewheelen. Dit is een plaat die ademt door de ruimte die iedereen elkaar geeft. Als beloning voor uw volharding is er het wederom prachtig gearrangeerde “People Lullaby” en aansluitend “I Won’t Run From It”.

Hé kijk, we zijn rond. Dus ja. Zet uw hoofd en hart open, gebruik de referenties aan uw favorietjes Bon Iver en The National louter als voetnoten en luister even ongedwongen en geduldig als deze plaat is gemaakt. Besef daarbij dat, pompeus gesteld, als PEOPLE inderdaad de toekomst van de muziek is, we dan gebeiteld zitten. En los daarvan: met een Vernon en broers Dessner op dit niveau evenzeer.

E-mailadres Afdrukken