Banner

Willie Nile

Children Of Paradise

7.0
Bjorn Weynants - 10 augustus 2018

Het grote publiek heeft de ondertussen 70-jarige New Yorker Willie Nile nooit bereikt, maar dat belet hem niet om de laatste jaren plots erg productief te worden.

Nochtans leek het ooit anders te gaan lopen. Toen Nile in 1980 op de proppen kwam met zijn titelloze debuutalbum, werd hem hier en daar een grote toekomst voorspeld. “De nieuwe Springsteen” werd hij wel eens genoemd, en ook de vergelijkingen met Tom Petty -- die andere nieuwe Springsteen -- waren niet van de lucht. Ondanks de lovende kritieken deed het album, evenals opvolger Golden Down het jaar erna, het niet goed op commercieel vlak. Platenmaatschappij Arista liet hem vallen en in de daaropvolgende 25 jaar bracht hij nog maar twee, weliswaar uitstekende, albums uit. Maar vanaf zijn post-9/11-plaat Streets Of New York werd Nile plots veel productiever. Deze Children Of Paradise is al het achtste studioalbum dat Nile sindsdien uitbracht.

Bestond zijn vorige album Positively Bob uitsluitend uit Dylan-covers, dan krijgen we hier terug twaalf eigen composities. Voor de opnames deed Nile een beroep op zijn vaste begeleidingsgroep, en je merkt meteen dat hier een goed op elkaar ingespeelde groep muzikanten aan het werk is. Al is het meest opvallende toch wel de verbetenheid en de bewogenheid die Nile hier tentoonspreidt. Hij mag dan wel de pensioengerechtigde leeftijd overschreden hebben, de verontwaardiging die hem op Children Of Paradise drijft is die van een jonge punker.

Nergens wordt dat duidelijker dan op de furieuze protestsong “Don’t”. “Don’t let the fuckers kill your buzz / Don’t let the fuckers turn you into suckers”: een Nobelprijs zal Nile er niet voor krijgen, maar als call to arms kan het nummer wel tellen. Nile overschouwt de wereld en wat hij ziet, stemt hem niet gelukkig. In de bluesrocker “Earth Blues” heeft hij het over de milieuvervuiling en de aarde die we vakkundig om zeep aan het helpen zijn. Die verontwaardiging krijgen we in “Getting Ugly Out There” in een folkjasje, terwijl “I Defy” dan weer nauw aanleunt bij het vroege werk van The Clash.

“Children Of Paradise” is een van zijn twee oudere nummers die Nile hier herneemt -- het andere is “Seeds Of Revolution” waarmee het album opent -- al klinkt het nummer hier verrassend fris. Het lijkt ook een verwijzing naar de foto’s van Christina Arrigoni, die de hoes en het artwork sieren. Foto’s van mensen uit Greenwich Village -- de wijk in New York waar Nile woont -- die daar, al dan niet dakloos, aan de rand van de maatschappij leven. Portretten die mensen tonen die getekend zijn door het leven, maar tegelijk toch levenslust uitstralen.

Toch is het niet zo dat Children Of Paradise over de hele lijn een zware en militante brok muziek is. Nummers als “Have I Told You” en “Secret Weapon” brengen de meer poëtische en gevoelige Nile op de voorgrond, terwijl de garagerock/rockabilly van “Rock ‘N’ Roll Sister” een ode is aan muziek waar het plezier van afspat. De afsluitende gospel van “All God’s Children” breit een passend einde aan het album.

Wie de carrière van Nile al langer volgt, zal op dit album weinig verrassingen tegenkomen. Het is wel een bewijs dat Nile nog altijd met het heilig vuur staat te musiceren en dat hij ook in de productieve herfst van zijn carrière goeie songs blijft schrijven. De nieuwe Springsteen is hij nooit geworden, al moet hij op plaat tegenwoordig zeker niet onderdoen voor The Boss.

E-mailadres Afdrukken