Banner

John Coltrane

Both Directions At Once: The Lost Album

Guy Peters - 04 juli 2018

Postume releases zijn zelden opzienbarend. Artiesten zijn doorgaans zelf best in staat om het onderscheid te maken tussen degelijke en bijzondere muziek, en een aantal uitzonderingen buiten beschouwing gelaten zijn dergelijke releases dan ook in te delen in twee categorieën: marketingstunts die gedoemd zijn om teleur te stellen, of voer voor verzamelaars die verschillende takes kapot analyseren. Maar wat als er, voor het eerst in meer dan veertig jaar, nog eens studiomateriaal opduikt van een van de meest legendarische ensembles die de jazz ooit voorbracht?

We mogen eigenlijk van geluk spreken dat de nalatenschap van Coltrane al bij al de dans van onnodig herkauwen wist te ontspringen. Het decennium na zijn dood in 1967 leverde een reeks albums op, waarvan enkele cruciaal zouden blijken (Sun Ship, Transition en Interstellar Space zijn om uiteenlopende redenen essentieel luistervoer), maar sindsdien bleef het rustig. Overijverige bedienden, een opnametechnicus (Rudy Van Gelder) die een hekel had aan rommel en een verhuis (en vermoedelijk weggooien) van archiefmateriaal zitten daar voor iets tussen. Net als het feit dat deze mono-opname die Coltrane aan het einde van de dag meekreeg, jarenlang familiebezit was.

Sporadisch verschenen wel wat opmerkelijke liveopnames, zoals de performance van Coltrane met Monk In Carnegie Hall, die in 2005 het licht zag, of het recentste deel van de Bootleg Series van Miles Davis, waarop de veelbesproken spanning tussen Coltrane en de rest van de band van de opnames spat. Een document dat zo mogelijk nog belangrijker is dan Offering: Live At Temple University (opgenomen in 1966, uitgebracht in 2014), waarop te horen valt waartoe die creatieve onrust uiteindelijk zou leiden, maar waarvan de geluidskwaliteit discutabel is en het resultaat vooral op maat van de verzamelaar is.

Dat ‘nieuwe’ opnames het licht zien, mag op z’n minst verbazingwekkend genoemd worden, zeker met de chronologie in het achterhoofd. Both Directions At Once bevat muziek die opgenomen werd in een wat vreemde periode in het parcours van dit machtige kwartet. Een dag erna nam de band het album met zanger Johnny Hartman op, een opname die al even gepland stond. Het heeft er dus alles van dat deze opnames van 6 maart iets hebben van een spontane opwarmsessie. De Deluxe 2cd-editie, met een hoop extra takes, leverde 90 minuten muziek op, maar het lijkt te betwijfelen dat er daadmerkelijk gemikt werd op een ‘album’.

Nog belangrijker is het bredere plaatje. De turbulente dadendrang die er in de lente van 1960 voor zorgde dat Davis’ kwintet (de Kind Of Blue-band zonder Adderley en met Wynton Kelly op piano) soms op de rand van de implosie stond, kreeg een vervolg in 1961. De samenwerking van Coltrane met geestverwant Eric Dolphy en de muziek die te horen viel op Live At The Vanguard zorgden ervoor dat de positieve kritiek die geoogst werd met My Favorite Things in geen tijd terug verspeeld werd. Wat voor Coltrane, die in zijn zoektocht altijd een stap of twee verder stond dan de perceptie van het publiek, aanvoelde als een vanzelfsprekende evolutie, kon rekenen op reacties die zo vijandig waren, dat hij en Dolphy het nodig achtten om zich te verdedigen met een artikel in het Downbeat-nummer van april 1962 (“John Coltrane and Eric Dolphy Answer the Jaz Critics”). Ongehoord voor die tijd.

Om die reden had het jonge Impulse!-label aangestuurd op een paar releases om de critici (en een breder publiek) te lijmen. Ballads en albums met Duke Ellington en Johnny Hartman lieten horen dat het klassieke kwartet ook in meer conventionele situaties kon gedijen, maar het was duidelijk spelen met de handrem op. Live was de band nog altijd aan het experimenteren op kruissnelheid – het is een aanrader om de studioalbums naast de meer bevlogen live-releases als Newport ‘63 en Afro Blue Impressions te leggen – en er werd een aanloop genomen naar de twee albums die opgenomen werden in 1964 (Crescent en A Love Supreme), die op hun beurt de poort openden naar 1965, het jaar waarin Coltrane de laatste ketens definitief van zich afwierp (of dat een goede zaak was zorgt nog altijd voor minstens twee kampen en heftig bevochten meningen).

Kortom: je krijgt hier een band te horen die een beetje de mond gesnoerd werd en nu snel nog een dag z’n ding kon doen. De handrem, of toch de neiging om het avontuur even opzij te zetten, is ook nu een paar keer voelbaar. Both Directions At Once bevat twee standards en vijf eigen stukken, waarvan twee ongehoorde. Die standards zijn interessant, maar bezwaarlijk essentieel. “Nature Boy” (eentje van Nat King Cole) is kort en broeierig, maar mist het majestueuze van de verheven versie die twee jaar later op The John Coltrane Quartet Plays zou belanden. De eerder zeldzame fade out suggereert eigenlijk al een probeerselstatus, en bovendien is de afwezigheid van McCoy Tyner hier een gemis (op een andere track zou het dan weer passen in Coltrane’s pogingen om los te komen van harmonische beperkingen).

“Vilia”, de enige track uit deze opnames die al eerder verscheen, is een stuk uit Franz Léhars operette The Merry Widow. Misschien een verdoken poging om het succes van “My Favorite Things” over te doen, maar zowel de versie met Coltrane op tenorsax als die waarop hij sopraansax speelt (enkel op de Deluxe editie te horen), overstijgen nergens hun status van amusant tussendoortje. Het is interessant om te horen hoe de band het materiaal naar z’n hand zet, maar het is een vingeroefening, een tussendoortje, en niet de grensverleggende excursie die “My Favorite Things” wel was.

Een pak interessanter zijn de ‘nieuwe’ stukken, “Untitled Original 11383” en “Untitled Original 11386”, waarop de leider sopraansax speelt. Het eerste is een modaal stuk dat hier en daar aanvoelt als een vroege verwant van “Pursuance”, de derde beweging uit de suite A Love Supreme, ook al zit de intensiteit hier wat lager. De sound is niet altijd optimaal (zodra Tyner inzet met zijn solo, wordt Coltrane uit het klankbeeld geduwd), maar er zit wel een zeldzame strijkstoksolo van Jimmy Garrison in. Nog sterker is “11386”, dat een latin-draai meekrijgt, maar waarin vooral de leider haast delirische pieken bereikt. Drummer Elvin Jones haalt hier niet die kolossaal wervelende kracht van de live-opnames, maar het is een stuk dat de glorieuze synergie van het kwartet fraai in de kijker zet.

Een compositie die vaak aangehaald wordt om de buitengewone interactie van dit kwartet te duiden, is “Impressions”, waarvan een versie uit 1961 later in 1963 zou belanden op het gelijknamige album. Deze compacte versie (viereneenhalve minuut, en dus een dikke tien minuten korter dan de versie waarmee de band furore zou maken) heeft een wat dunne saxofoonsound en mist natuurlijk die langeafstandsbeweging, maar hier is het net de afwezigheid van Tyner die de band extra vrijheid geeft. Had Coltrane de harmonische mogelijkheden al tot het uiterste gedreven op Giant Steps (1959), dan leek hij er al even op uit om de verticale verdieping in te ruilen voor horizontale marathonsessies.

Dan resten nog de Dr. Jekyll & Mr Hyde van “Slow Blues” en “One Up, One Down”. Beiden lijken bij eerste oppervlakkige beluistering meer gemeen te hebben met de conventionele blaassessies die Coltrane maakte in zijn Prestige-periode, maar het is mooi om te horen hoe hij voortdurend aan de naden van de blues zit te pulken, franjes toevoegt en korte, iele kreten en rauwe, scheurende vegen. Het is het geluid van iemand die er ternauwernood in slaagt om binnen de lijnen te kleuren. Zodra Tyner het overneemt, loopt de band weer even in de pas. “One Up, One Down” is de fluks rollende afsluiter, een gestaag rollende energievloed waarmee de band bijna (bijna!) de intensiteit oproept van wat komen zou. Het heeft de bruisende vitaliteit van “Impressions”, maar mist zo’n memorabel thema.

Rest enkel nog de vraag welke positie Both Directions At Once inneemt. Is het daadwerkelijk die Heilige Graal, die nieuw ontdekte kamer in de piramide waarvan sprake is? Natuurlijk niet, dat is promopraat. Het album mist de cohesie en consistentie van de beste releases van deze band en schiet tekort als je het legt naast die albums waarop het vechten met en tegen de beperkingen leidt tot glorieuze spanningsvelden waarin vier muzikanten zichzelf overstijgen en collectief een nieuw, extatisch platform bereiken. Dat is wat een jaartje later zou volgen. Toch is het een goede zaak dat de opnames na 55 (!) jaar aan het licht komen. De band staat hier voelbaar in een spreidstand tussen wat was (of verwacht werd) en wat komen zou, en geeft hier en daar een indicatie van de grootse muziek die volgen zou. Voor verzamelaars en liefhebbers is deze muziek natuurlijk onmisbaar. Voor de meer toevallige luisteraar is het een herinnering dat zelfs just another day at the office bij muzikanten van dit kaliber iets oplevert dat moeiteloos de tand des tijds doorstaat.

E-mailadres Afdrukken