Banner

Richard Edwards

Verdugo

6.5
Maarten Langhendries - 28 juni 2018

Moet er nog liefdesverdriet zijn? Nog een vent met een gebroken hart, een gitaar en veel spijt? Dan is Richard Edwards uw man, Verdugo uw plaat.

Richard Edwards was zanger van indiepopgroep Margot & The Nuclear So and So's, die enkele jaren geleden op pensioen ging na gezondheidsproblemen van Edwards. Vorig jaar bracht hij zijn solodebuut Lemon Cotton Candy Sunset uit, een verzameling mooie indiefolknummers waarop hij zijn op de klippen gelopen huwelijk verwerkte. Dat debuut, vorig jaar nog door de mazen van het net geglipt (excuus!), voelde nog wat zoekend aan. Op Verdugo lijkt Edwards veel meer zijn solostem te hebben gevonden, ook al stammen de nummers uit dezelfde sessies. Dit tweede album klinkt meer gefocust, met een duidelijker verhaal. Nog steeds schurkt zijn stem tegen die van Ryan Adams aan, en nog steeds doet Edwards niets nieuws, maar voor mensen die wel eens heimwee durven hebben naar de jaren zeventig van voor de punk, valt hier veel moois te rapen. Grote naam in de kleine letters van het cd-boekje is trouwens producer Rob Schnapf, bekend van onder andere Elliott Smith.

Bij Edwards echter geen sprake van de lo-fi van Smith. De akoestische gitaar vormt dan misschien de basis van de songs, Edwards is niet vies van een vol bandgeluid en wat toeters en bellen hier en daar. Openingsnummer “Gene” opent nog sober, maar barst al snel open met drums en een mooi gitaargeluid. De snik in de stem van Edwards injecteert weemoed recht je bloedbaan in. Een tremologitaar naar het einde toe kan niet anders dan een laatste vaarwel zijn. Andere single “Minefield” is van hetzelfde hout gesneden, met hier iets meer nadruk op slidegitaar. “One false move girl/ and you’re mine”, zingt Edwards beneveld en met warrige haren, en je vergeeft hem terstond de soms clichématige tekst.

Jammer genoeg zakt de vloer ondertussen onder Verdugo wat in met “Beekeeper” en “A Woman Who Can’t Say No”. Hier wordt de muziek van Edwards iets té veel pastiche, een opeenstapeling van clichés van het countryrockgenre. Als je Gram Parsons heet, kom je daarmee weg, maar Edwards helaas niet. Gelukkig maakt hij dat goed met de hattrick “Howlin’ Heart” – “Olive Oyl” – “Something Wicked” pal in het midden van Verdugo. “Howlin’ Heart” raast vooruit alsof de duivel Edwards komt halen om zijn zonden. “Olive Oyl” en het giftige “Something Wicked” houden het juist rustig over de hele lijn en belanden wat in folk zonder ooit saai te worden. Het bewijst dat de zanger zich ook thuis voelt in kalmere wateren. De hoge, meeslepende zang draagt daar in grote mate aan bij. Het zijn dé nachtelijke mijmermomenten van Verdugo.

Ter afsluiting peutert Edwards nog even gretig in de wonde genaamd de liefde. In het bittere “Strange” kijken twee mensen met veel verleden en weinig toekomst naar elkaar, zonder elkaar te herkennen. Het geluid is dat van twee harten die in scherven vallen. Een wrange viool vervoegt het balorkest. De maan hangt laag boven de aarde. Uiteráárd hangt de maan laag boven de aarde. “Pornographic Teens” is een vreemde naam voor een mooie song, met Edwards die onderwater lijkt te zingen. Want hoe sluit je een plaat als deze anders af dan met je hoofd in je handen?

Veel zieltjes zal Richard Edwards met deze Verdugo waarschijnlijk niet winnen, daarvoor blijft hij te braaf binnen de lijntjes van het genre kleuren. Fans van Ryan Adams en aanverwanten kunnen deze plaat echter bijna blind aanschaffen. Kwestie van de melancholie en de fles rode wijn in de late uurtjes eens van een andere soundtrack te voorzien.

E-mailadres Afdrukken