Banner

Lucrecia Dalt

Anticlines

7.0
Guy Peters - 07 juni 2018

Werd Lucrecia Dalt een paar albums geleden nog beschouwd als een aanstormend talent in de avontuurlijke vleugel van de popmuziek, dan zette ze vervolgens steeds meer koers richting experiment. Met haar zesde album is ze aanbeland bij haar meest originele en dwarse statement tot nog toe.

Misschien was het de invloed van de bloeiende Berlijnse elektronicascene die de Columbiaanse het vertrouwen gaf om haar kernambitie – de abstracte ideeën in haar hoofd zo efficiënt mogelijk te vertalen in muziek – in daden om te zetten. Als Commotus al een eerste duidelijke verwijdering was van voorspelbare structuren, Syzygy sterk beïnvloed werd door het kijken naar indiefilms van o.m. Bergman en Antonioni, en Ou vervolgens een denkbeeldige soundtrack was, dan gaat Anticlines (een titel die ingegeven werd door Dalts achtergrond als geotechnisch ingenieur) verder de ingeslagen weg op.

Het album is een versnipperde vertelling van veertien korte stukken (slechts vijf halen de grens van drie minuten) waarvan er op amper zes een stem te horen is en negen instrumentaal, geconstrueerd met weinig meer dan een modulaire Nordsynth en een Moogerfoogerpedaal. Doorheen het album ondergaan die zes vocale stukken trouwens steeds ingrijpender manipulaties. In opener “Edge” klinkt Dalts voordracht ronduit sensueel in vergelijking met de stekende synthaccenten, terwijl ze er een haast pervers genoegen in schept om te vertellen over een mythologisch monster dat zich overgeeft aan bloederige rituelen (“I wanted to fill you up with my exhalations / And drink out all your flesh but leave your bones and skin still flawless”). In het percussieve, meer toegankelijke “Tar” -- misschien een verre verwant van Young Marble Giants -- lijkt de afstand enkel toegenomen. Hier loopt de stem haast verloren in een lichte mist van minimalistische wave, een vage link met de shoegazetinten van haar oudere werk.

Vanaf “Errors Of Skin” herinnert haar vocale aanpak meer dan eens aan Laurie Anderson, intussen een cruciaal referentiepunt. Beland je bij “Glass Brain”, dan is het menselijke bijna helemaal weggemoffeld en lijkt het alsof het artificiële het definitief overgenomen heeft. Op dat punt heeft de muziek ook al een enorme transformatie ondergaan. Het besef volgt: hoe uitgekiend de aanpak eigenlijk was, hoe de eerste paar tracks bedoeld waren om je als luisteraar binnen te lokken met een minimale houvast van pulserende golven, patronen of aanhoudende metronoomritmes, die vervolgens allemaal wegglippen.

De tweede albumhelft (in het geval van het vinyl is dat vanaf track 6) neemt je mee naar onherbergzame zones waar de houvast op lemen voeten komt te staan. Onheilspellende sirenes, slinks aangebrachte en vervolgens weer afgevoerde klanken, en desoriënterende effecten wisselen elkaar af, schijnbaar willekeurig, de aandacht enkel op zichzelf vestigend. Er zijn links met ambient, minimale elektronica en industriële muziek, al beland je uiteindelijk gewoonweg bij klankonderzoek. Het kan geen toeval zijn dat wordt afgesloten met “Antiform”, het laatste stuk geluidsdesign dat je zonder kompas een onherbergzaam labyrint in stuurt.

Door de relatief korte albumduur en de aanwezigheid van een paar tracks met stem (weliswaar vooral in de eerste albumhelft), blijft het allemaal nog behapbaar. Toch zou je misschien wat meer songs willen als “Edge” en “Tar”, die structuur en abstractie zo intrigerend en geslaagd in evenwicht houden. Daarnaast zou je vooral ook een live performance willen zien, al dan niet aangevuld met beeldmateriaal om de cerebrale oefening een meer directe, lichamelijke impact te geven. Voor wie niet zo’n nood heeft aan structuur en antwoorden, is het misschien wel gefascineerd ronddwalen in de soms wat kille, maar unieke avant-gardistische wereld van Dalt.

E-mailadres Afdrukken