Banner

Mark Kozelek

Mark Kozelek

6.5
Nout Van Den Neste - 04 juni 2018

Dat Mark Kozelek van Sun Kil Moon de laatste jaren sneller platen produceert dan zijn eigen schaduw (4 in 2017 en er zit nog een Sun Kil Moon plaat voor dit jaar in de pijplijn), mag dan koren op de molen zijn voor de harde kern fans, voor muziekrecensenten is het hard labeur geweest. Ook op deze zelfgetitelde soloplaat die Kozelek alleen met een elektrische of akoestische gitaar in hotelkamers heeft opgenomen, maakt hij geen grote bochten. Zijn ondertussen typerende, hyperautobiografische mix van humor en bitterzoete introspectie die ongetwijfeld evenveel fans intrigeert als irriteert, scheert tot spijt van wie het benijdt voor een groot deel nog altijd hoge toppen.

De onnavolgbare output van Kozelek is de laatste jaren dusdanig substantieel, bijna opdringerig geworden, dat het de oude, pre-Benji Sun Kil Moon en Red House Painters-platen in een ander daglicht stelt (sowieso de karakteristieken van een groot artiest). We zijn nog altijd kapot van de meeste van die platen, maar ergens kan je je ook niet van de indruk ontdoen dat Kozelek vroeger meer poseerde, zich vooral focuste op tristesse en nostalgie, hier en daar geforceerd geformuleerd. Dat neemt niets weg van de melodieuze grandeur en de diep doorweekte tristesse van prachtsongs als “Lost Verses”, maar de wrange, veelgelaagde mengelmoes van cynische humor, genadeloze introspectie (noem het gerust zelfbewuste navelstaarderij) en achteloze banaliteiten hebben Kozelek als personage in zijn eigen wereld vol zelfmythologie de laatste jaren nog meer vlees en bloed gegeven.

Deze soloplaat (afgezonderd van “Sublime” waarop Steve Shelley mag meedrummen) is absoluut geen uitzondering op de regel, integendeel. Wie vond dat Kozelek op zijn platen uit 2017 al wat langdradig en onnodig gedetailleerd werd, zal op nummers als “I Cried During Wall Street” of “My Love For You Is Undying”, waarop Kozelek enkele conversaties tussen hem en fans (en niet-fans) bijna compleet citeert, de ogen zo diep naar achter in de oogkassen rollen dat alleen een pincet wonderen zal doen. Met andere woorden: hier zit weinig vlees aan voor nieuwkomers, die we graag doorverwijzen naar Universal Themes of het nog altijd sublieme Benji.

Dat gezegd zijnde: wat heeft die eerste helft van deze plaat ons gepakt! De eerste vijf nummers van deze Mark Kozelek zijn eigenlijk stuk voor stuk binnenkoppers waarop Kozelek niet alleen prachtige gitaararpeggio’s tot ambiente sfeerstukjes in een nachtelijk moeras laat verzuipen, maar staan ook tekstueel bol van de interessante anekdotes die hij hier en daar door wolkjes van melodieën laat vergezeld gaan. Neem bijvoorbeeld het weemoedige “This Is My Town”, een nummer dat net zo goed over San Francisco gaat als over Kozeleks kundigheid met eetstokjes, om maar iets te zeggen over de vele thema’s en onderwerpen van dit nummer. Het repetitieve gitaarpatroontje rinkelt delicaat en contrasteert fel met de dreigende shift in toon na de eerste twee minuten. Het is opmerkelijk hoe Kozeleks woorden op zich qua inhoud niet aanmerkelijk veranderen, maar hoe ze toch iets donkers en gehaast krijgen door die achtergrondkoortjes, de melodie en de akkoorden. Het geheel wringt, het intrigeert, het blijft hangen.

Of neem dan “Live In Chicago” waar een dromerige akoestische gitaar het bedje vormt waarop Kozelek een oud nummer van hem onder de loep neemt op het moment dat hij in Orlando, Florida is en zich de schietpartij in de nachtclub herinnert om zes minuten later te eindigen met de dood van Tom Petty en een liveoptreden in Chicago. We kennen eigenlijk geen songwriters die onze aandacht met zoveel navelstaarderij en overvloedige beschrijvingen van details (het weer, de airco die Kozeleks keel irriteert) zo lang weten vast te houden en dat heeft zeker ook te maken met Kozeleks ondertussen gedeconstrueerde gevoel voor melodie wanneer het Kozelek-achtergrondkoortje halverwege een bijzonder mooi, mysterieus tegengewicht komt bieden.

Hoogtepunt van de plaat moet wel “The Mark Kozelek Museum” zijn, waarop Kozelek de dood en het allesverterende gestel van Vadertje Tijd bijna fysiek lijkt te ondergaan, met een diep ontroerend, wiegende coda die uitgeleide mag doen en een subtiele melodie die op de juiste momenten scherpe naalden in de huid prikt. Het nummer is te specifiek en gedetailleerd en door herinneringen zodanig overspoeld, dat je het nauwelijks herkenbaar kan noemen, en toch: wat we nalaten, ons erfgoed, de zekerheid dat al onze herinneringen verdwijnen maakt Kozelek op dit nummer waanzinnig goed tastbaar.

“My Love For You Is Undying” is gedurende meer dan tien minuten net zoveel liefelijke liefdesverklaring als humoristische anekdotiek met hilarische rijmelarij waarvoor Drs. P. Kozelek zeker een hand had durven geven terwijl op “Weed Whacker” Kozelek zichzelf op de hak neemt. Het hypnotiserende gitaarspel en de klank is uitmuntend (let op die lage tonen, je voelt je speakers gewoon trillen) terwijl de melodie en de tekst schippert tussen triomfantelijk, nonsensicaal en ongelofelijk meewarig wanneer Kozelek over zichzelf in de derde persoon schrijft, een marginaal personage dat eigenlijk alleen maar geïnteresseerd is in onkruid wieden en in zichzelf gekeerd zijn, en dat allemaal op een van Kozeleks meest aanstekelijke, folky melodielijnen. Nog zo’n platenhelft en we hadden over een meesterwerkje gesproken.

Jammer genoeg keert het tij wat vanaf het onfortuinlijk getitelde “Sublime”: het verhaal boeit minder, er is een roestig refreintje dat wat in de hoogte gaat, maar echte weerhaken of interessante raakpunten heeft dit nummer niet. Jammer genoeg moddert de plaat vanaf dan te veel aan: akkoord, de gitaarklanken op “Good Nostalgia” en “666 Post” zijn zo sfeervol en gotisch (alsof Kozelek zijn gitaar in een Middeleeuwse kerk heeft opgenomen) en creëren een aangenaam sfeertje, maar de verhalen waar Kozeleks tekstueel overvloedige nummers zo hard op teren, blijven nauwelijks hangen. Teveel spoken word, teveel opa-gemompel. Ok, “666 Post” laat een surrealistische kant van Kozeleks poëzie horen, maar op Kozelek die dierengeluiden imiteert, waren we na één luisterbeurt al uitgekeken.

“The Banjo Song” sleept dan weer veel te lang aan en teert op middelmatige ideeën (plus, er zit natuurlijk geen banjo in het nummer) en belegen humor. ‘t Is pas op afsluiter “I Cried During Wall Street” dat de sfeer en de gedrevenheid van het begin er terug inkomt door de vele tempowisselingen, de mooie sfeerbeschrijvingen van een ijskoud New Orleans en Kozeleks favoriete katten aldaar en zijn persoonlijke strijd met afscheid nemen. In die zin een ultiem, meta-afscheid als laatste nummer van Kozeleks meest meta-Kozelek plaat.

De laatste keer dat we Mark Kozelek zo puur en intiem hoorden, moet wel op het nog altijd uitmuntende Admiral Fell Promises uit 2010 zijn, waarop hij prachtige, Spaanse gitaar arpeggio's combineerde met tien delicate, intens sfeervolle nummers. Sindsdien is er natuurlijk veel veranderd en zijn autobiografische, “ik breek de vierde muur met een sloophamer”-methode ligt vingerdik op elk van deze 11 nummers die samen goed zijn voor ongeveer negentig minuten autobiografische opgravingswerken, banaliteiten en humoristische inzichten die bijzonder diepzinnig zijn (en omgekeerd). Akkoord, Kozelek laat halverwege de plaat enkele steken vallen, maar weeral moeten we het hem nageven: op die eerste helft van dit prachtig klinkende album is Kozelek zo innovatief, scherp en eigenzinnig dat hij de scoutsmedaille van “pionier” ook dit jaar nog altijd met trots op zijn geruit hemd spelden mag.

E-mailadres Afdrukken