Banner

Bardo Pond

Volume 8

Guy Peters - 23 mei 2018

Er zijn bands die nood hebben aan voortdurende vernieuwing, aan expansie en transformatie. Er zijn er ook die de reis naar binnen maken, sound en karakter uitdiepen met minimale bijsturingen, bescheiden variaties op vertrouwde kleurtinten en temperamenten. Het kwintet Bardo Pond uit Philadelphia is zo’n groep. Je weet wat je kan verwachten, maar dat zal de liefhebber een zorg wezen, want die maakt zich op voor een reis door hogere sferen.

De voorbije kwarteeuw is de band onder leiding van de broers/gitaristen Michael en John Gibbons uitgegroeid tot een vaste waarde, een icoon zelfs, in de wereld van de psychedelische rock. Breed uitwaaiende gitaarmonolieten zijn vaste kost. Nu eens dromerig meanderend, dan weer stotend met een even primitieve als massieve sound. Dat leverde intussen een omvangrijke discografie op, met naast een boel reguliere albums ook nog eens een reeks Volume-releases, die aanvankelijk in eigen beheer op cd-r verschenen en vooral de meer experimentele kant van het gezelschap belichtten. Dit achtste deel (dat negen jaar na het vorige verschijnt) volgt een ietwat andere koers dan de voorgangers, want dit is Bardo Pond zoals je ze ’t best kent. Dat dit volume bovendien bij kwaliteitslabel Fire Records verschijnt, is ook opvallend.

Vijf stukken, waarvan er drie het klassieke stramien volgen en twee daarvan afwijken. Die laatste zorgen voor wat variatie, maar zet ze naast die voluptueuze snarenfestijnen en ze zijn gedoemd om te verbleken. Het met akoestische gitaren, synth en orgel opgebouwde “Power Children” is zweven met effecten en het fluitspel van Isobel Sollenberger, dat meer dan ooit ingebed is in de muziek. Niettemin: geen Bardo Pond-klassieker en dat geldt evenmin voor het sfeervolle gitaarstukje “Cud”, dat weggegrepen lijkt uit een after hours-repetitie. Een verzetje.

Nee, dan liever opener “Kailash”, dat vanuit het niets opduikt met die gruizige gitaren, weggehouwen uit ruwe woestijnsteen. Instrumenten die een onherbergzame, woeste natuur en weidsheid suggereren. Crazy Horse in stoner-modus. Net dat tikkeltje te traag en te heavy om nog een breed publiek te kunnen aanspreken, maar geen pompende metal. Het etherische fluitspel, altijd een potentieel breekpunt, neem je erbij. Idem voor het vrijelijk zwalpende “Flayed Wish”, dat niet zozeer hiel zoekt in Crazy Horse-richting, maar in die van The Grateful Dead: langzaam, oh zo langzaam winnend aan kracht zonder ooit écht te exploderen.

Het sluitstuk van het album is “And I Will”, dat bijna zeventien minuten davert en schuifelt aan een slepend ritme, een strompelprocessie die ergens het midden houdt tussen Willard Grant Conspiracy en U.S. Christmas. Trance-rocken in Americana-modus. De spaarzaam rondgestrooide tekstflarden en fluit van Sollenberger lijken aanvankelijk overbodig, maar voegen gaandeweg een etherisch-spirituele tint toe aan een steeds aan gewicht en densiteit winnende gitaarstorm. Opnieuw duiken referenties als J. Mascis en Michio Kurihara op. Dit is kolkende lava (zonder te degenereren in ondoordringbare pap) die aanzet tot leviteren.

Dus: geen nieuw geluid en misschien net niet genoeg consistentie om te zorgen voor een zuivere kopstoot en een nieuwe bandklassieker, maar driekwart van de plaat is op het bekende niveau. De goede verstaander weet wat dat betekent, want een goeie Bardo Pond is nog altijd beter dan de doorsnee rommel die onder het mom van rock-‘n-roll aan de man gebracht wordt.

E-mailadres Afdrukken