Banner

Mephiti

Mephiti

Guy Peters - 15 maart 2018

Erik Bogaerts' bezoek aan het Zweedse Harlösa bracht een en ander teweeg. Zo nam Llop er zijn tweede album op en deed ook de naam Mephiti al snel de ronde. Het was even wachten tot de plaat er was, maar het geduld wordt beloond met een luisterervaring die zelfs na een stevig aantal draaibeurten nog altijd een eenvoudig label ontwijkt.

Samen met gitaristen Bert Cools en Ruben Machtelinckx, bassist Brice Soniano, drummer Stijn Cools en Indrė Jurgelevičiūtė op kanklės (een verwant van de citer uit Litouwen) speelt Bogaerts nummers die helemaal passen in een golf van eigenzinnige stille muziek die zich de voorbije jaren een weg gebaand heeft naar het Belgische muzieklandschap. Zijn eigen Llop maakt daar deel van uit, net als heel wat projecten uit de granvat-koker, de muzikanten die zich verenigd hebben onder de vleugels van Aspen Edities (Machtelinckx, Niels Van Heertum …) en een figuur als Joachim Badenhorst.

Het zijn stuk voor stuk muzikanten die een opleiding genoten hebben en goed vertrouwd zijn met vele vormen van de jazz, maar die vooral de Europese variant uit het Noorden aan de borst drukken. De blues wordt terzijde geschoven en in plaats daarvan krijg je een minder aardse sensibiliteit waar voortdurend een etherische wind doorheen waait, zonder daarom te vervallen in wollig sentiment. Misschien is dat wel een van de mooiste verdiensten van deze muzikanten: met aandacht voor secuur spel, onconventioneel experiment en evenwicht hebben ze delicate, introverte muziek in ere hersteld.

Het mooie is dat het ook steeds gepaard gaat met totaalconcepten. Albums worden steevast verpakt in opvallend artwork -- vaak van verwante, jonge artiesten -- en dat is ook nu het geval. Het artwork van Mephiti komt van “Ground”, een audiovisuele performance van Jeroen Uyttendaele en Dewi De Vree waarbij grafiet wordt gemanipuleerd met elektronische pulsen, die op hun beurt voor geluid zorgen. Met die grillige, rudimentaire vormen, even eenvoudig als onvoorspelbaar, is het helemaal op maat van de acht stukken op de plaat, die nooit helemaal welomlijnde verwachtingen inlossen. Ze lossen plots op, introduceren onverwachte elementen, bouwen gestaag schuifelend aan frêle constructies, blijven afgeronde eindes voor zich uit duwen. Het is zoeken, spoor zoeken in real time, afgewisseld met composities die steeds in het proces van vervelling lijken te hangen.

Helemaal vooraan zorgt “Shilly” misschien nog voor een meest conventionele stuk: een wondermooi ding dat in een wereld zonder zwaartekracht lijkt rond te wentelen. Twee gitaren die zachtaardig tokkelen, eerst gezelschap krijgen van een subtiel meekleurende kanklės en vervolgens van bas en altsax. Even herinnert het -- maar dan wel elke keer opnieuw -- ook aan het gevoel dat je overviel toen je voor het eerst Faerge hoorde (het album dat Machtelinckx maakte met Badenhorst, Hilmar Jensson en Nathan Wouters). Het heeft die voorzichtige lyriek, die breekbaarheid, die op een of andere manier wel samengaat met een indruk van weidsheid.

Een groter contrast met het Afrikaans getinte “Hymne I” is moeilijker denkbaar. Met die beweeglijke bas, de kronkelende gitaarlijnen, het cimbalengeruis en iets dat klinkt als spacey synth-effecten, lijkt het uit een compleet andere wereld te komen, met Bogaerts' lange saxlijnen als verbindende factor. Intussen is duidelijk dat Mephiti geen optelsom wordt van acht keer “Shilly”. “Hanneke” en “Krevelstraat” zijn groepsstukken die vervolgens meer vrij en open aanvoelen. Anders qua temperament, maar ook met verwantschappen. Is het eerste opgebouwd rond een herhaald motief van vier noten dat uitgroeit tot een speels-mysterieuze wentelbeweging waarop Bogaerts korte aanzetten plaatst, dan wordt het tweede aanvankelijk gedomineerd door een stompende puls van bas en drums, maar komt een motiefje van vier noten terug bij Soniano, die lijkt te verwijzen naar Jimmy Garrisons legendarische figuur in A Love Supreme. Het is hier echter een andere soort statigheid: iel, met metalige percussie als een miniatuurversie van klokkende koebellen.

Met “Hymne II”, dat op gang gebracht wordt door Jurgelevičiūtė, wordt in een al dan niet bestaande folktraditie gedoken, haar getokkel een combinatie van een slaaplied, een twinkelend muziekdoosje en de universiteitsbeiaard van Leuven. Wanneer gitaar en bas erbij komen, dan gebeurt dat zonder poeha, geduldig. Deze mensen nemen hun tijd, gunnen de resonanties ook wat, en dat leidt hier tot het langste stuk van de plaat. Vanaf dan worden de stokjes ook duidelijk doorgegeven. Het korte “Lenaé” is de band in bijna-popmodus, met een gracieuze dans die in ontmantelde versie zo had gepast op het eerste Linus-album. Kleine details creëren een wereld van verschil. “Oude Steenweg” komt dan als een verrassing: diepe resonanties (van bas en drums?) met een kale, minimalistische flair. Totdat naar het einde toe minzaam getokkel opduikt dat voorbereidt op slotstuk “Kat Kreupel” en dan opnieuw wordt opengetrokken zodra Bogaerts het riet tussen de lippen neemt en Stijn Cools het geruis laat aanzwellen.

Een hele hoop beschrijvingen, maar Mephiti is misschien vooral een album dat duidelijk maakt dat die pogingen om het te vatten in woorden bij voorbaat gedoemd zijn om te mislukken. Dit is muziek die met kleine hints en texturen misschien wel bepaalde parameters oproept, maar er vervolgens in slaagt om ze slinks, met een goedhartige koppigheid te omzeilen. Dat duidt, in al z’n bescheidenheid, op de intentie om een persoonlijke invulling te creëren. Een uitdaging op fluisterniveau is nog altijd een uitdaging. En in dit geval ook heel erg mooi.

Mephiti wordt op 18 maart voorgesteld in Mechelen, op 22 maart in Antwerpen, op 23 maart in Luik en op 24 maart in de Lokerse Jazzklub.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Mephiti