Flying Horseman

Rooms / Ruins

Guy Peters - foto's: Philippe Werkers - 29 januari 2018

“There lives a house in every man / It is crowded when it’s needed / And it’s empty when it’s not.” Woorden uit het eerste Flying Horseman-album. Woorden die, nu we beland zijn bij het vijfde album van de band (de vijfde dubbelelpee bovendien!), een profetische draai krijgen. De strakke, witte hoes van Rooms / Ruins mag dan wel een indruk wekken van minimalisme en transparantie; de obsessies van de band tieren even welig als tevoren in die bedwelmende ambiguïteit waar ze meesterlijk mee blijven spelen.

Er is de voorbije jaren al behoorlijk wat inkt gevloeid over de tweespalt in Bert Dockx’ bekommernissen, tussen de behoefte aan persoonlijke creatie en de nood aan maatschappelijke betrokkenheid. De nood ook aan alleen zijn versus het samenleven met anderen. Opvallend is daarbij hoe sterk dit in de loop van vijf albums – intussen goed voor 52 songs / 5 uur muziek – wordt uitgebeeld aan de hand van fysieke en psychologische ruimte. Wild Eyes, dat eerste beest van de nacht, zat al vol verwijzingen naar een thuis, met songs die gleden langs muren die kamers markeerden en, als ze dat niet deden, spraken over bruggen en over steden. Het was een leidmotief dat meest expliciet werd op City Same City, met opnieuw die slingerbeweging tussen de wereld daarbuiten (“City”) en de kleine nabijheid (“Sleeping Room” of, indirect, “Landlord”).

Op album #5, dat gecreëerd werd tijdens een residentie in deSingel, komt de eenheid van de kamer op het voorplan. ‘Rooms’ vormen de rode draad doorheen het album, en worden letterlijk vermeld in heel wat songs. En als het niet via die kamers gebeurt, dan wel via huizen, of het hoogste goed, een thuis. Is er zo geen verwijzing, zoals in “Stars” en “Bright Light”, dan wordt dat meteen gecompenseerd door het groots te zien, met hemellichamen. Het wordt, kortom, hoog tijd dat iemand die obsessie met ruimte, psychologie en de link tussen de twee (een verhouding die een cineast als Hitchcock, misschien een invloed, meesterlijk uitspeelde) onder de loep neemt. Dockx’ gebruik van fysieke ruimte is uitgegroeid tot een indringende metafoor, een uitwendige versie van een complexe mentale cartografie.

En dan die hoes: knalwit, gesierd met een paar lijnen en een deur(gat) als zwart vlak. Een deur leidt doorgaans naar een kamer. Opnieuw ambiguïteit, want is er niet iets mis met dat lijnperspectief van het deurkader? In opener “The Key” wordt meteen gesproken van een verborgen kamer, maar het is ook wel opvallend dat die deur in de clip voor “Deep Earth” iets heeft van een teruggespoelde guillotine. Misschien nemen we een loopje met de intenties, maar dat is dan te wijten aan de vrijheid om te kunnen interpreteren, want het blijft voortdurend twijfelen door die opeenstapeling van geladen beelden en dat eindeloze spel van duwen en trekken, happen naar adem en verzuipen. “The Key”, uitnodigend aangeboden als een wufte, gemanicuurde hand, is een lichtvoetige, gracieuze dans waarin liefde én democratie onder vuur liggen.

“Deep Earth” tikketakt zich op gang met een weefwerk van piemelende gitaren en een productie die, net als bij sommige songs op Night Is Long, geënt is op de betere artpop uit de jaren 1980. Het is misschien wat lichter verteerbaar na de monochrome golf van de eerste platen, waarbij het lijkt alsof de songs gedrenkt zijn in ether, met een penetrante geur die snel wijkt voor beneveling. Misschien een evolutie die moeilijk tastbaar te maken is, maar die ook te merken was bij het recentste album van Dans Dans, en vermoedelijk vooral op het credo van producer Koen Gisen geschreven moet worden. Meer dan in rechttoe-rechtaan nachtbrakersblues, draaien heel wat van deze songs rond in een natintelende narcotische waas, die de spanning voedt tussen de oorlog vanbinnen en die daarbuiten, tussen het ‘ik’ en het ‘wij’, de comfortabele duisternis en het verblindende licht, de droom en de werkelijkheid. Als muzikale uitwerking krijg je een contrast tussen een koortsige dans met zelfs een klein surreëel randje door dat carnavalesk jengelende orgeltje, en de mechanisch roterende tweede helft, die nauwer aansluit bij een Can-trance, en al indruk maakte tijdens de live-uitvoering die we in maart van 2017 meemaakten.

Een vergelijkbare schizofrenie krijg je op de eerste vinylschijf ook nog bij “Stars”, waarin de toetsen van Martha en Loesje Maieu aanvankelijk mee de toon zetten, maar waarin uiteindelijk uitgeweken wordt naar een briesende ontregeling als een systeemfalen, met gitaarwerk dat even zelfs neigt naar de agressief stotterende skronk van Arto Lindsay. Het hoekiger “Fever Room”, met een gulzig verkrampende ritmesectie, houdt dan weer het midden tussen New Yorkse 80’s funk, The Birthday Party en TC Matic, met “You have to serve your community / The best way you can” als mantra in een omgeving vol verleidelijke sirenes en onheilspellend zoemende toetsen, die ook steeds meer terrein opeisen. Die onheilszwangere spanning zit ook in de vooruitgeschoven single “Reverie”: bij eerste beluistering een in nachtelijke schaduwen gehulde brok kaalheid die zo op Wild Eyes gepast had, maar bij nader inzien een alarmerend horrorverhaal met een gewelddadige geladenheid. Zelfs in “Bee Season”, het ingetogen scharniermoment in het midden van het album, wordt het huiveren met het zacht geprevelde “How does the story end / When you’re drowning slowly in your sacred room.”

De tweede vinylschijf wordt al even aanlokkelijk als de eerste op gang getokkeld met “Bright Light”, een song die laat horen dat er een perfect gecoördineerde bouwfirma in Flying Horseman huist. Hoe hier lijnen uitgetekend, lagen op elkaar gemetseld, stemmen gestapeld, roffelsaldo’s en effecten toegevoegd worden, getuigt van een uitzonderlijk vermogen om zelfs binnen die herkenbare sound toch steeds opnieuw een uitdaging te blijven vinden. Het groeit vervolgens uit tot een knaller met een dubbele climax vol geïnspireerd snarengetrek en een hinkstapsprong van vervreemding (“In your world design / People like me, they don’t survive”) naar een onwrikbare strijdbaarheid (“We’re still standing / We’ll survive”). Het thema van de strijd lijkt zich vanaf hier ook steeds sterker naar de voorgrond te wringen, met titels als veelzeggende indicatoren.

“Soldier” zoekt het muzikaal ergens tussen “Faithfully Yours” en “Spider” van Night Is Long, zachtjes winnend aan kracht, uitmondend in een warm bad, een groovy spel vol kleine effectjes waarin de band als een hecht blok excelleert. De eindrace is dan stilaan ingezet. De plagerig gerekte openingszin “My new house is bigger than yours” van “Private Isle” kan een verwijzing zijn naar de wereldvreemde Vlaamse bouwwoede, maar bevat verderop ook al een aankondiging van de ruïne die later expliciet opduikt. Het ontvouwt muzikaal met een lange, instrumentale passage die benadrukt dat de tweede albumhelft een breder uitwaaierend verhaal vertelt, met de ritmische woordenvloed van “Killer” en de lange nachtfinale van “Ruins” die de compactere structuren van de eerste vijf, zes songs inruilen voor spul dat live kan uitgroeien tot een daverende hypnose.

Niets is dus helemaal wat het lijkt, ook nu niet. Ja, de hoes suggereert meer licht en eenvoud, en de muziek krijgt hier en daar een dromerige, soms zelfs onschuldig klinkende flair, maar dat is ook een beetje schijn. Ondanks de beschutting van de vertrouwde kamer, loert de dreiging van een oorlog voortdurend op de achtergrond, blijft de zwaarmoedigheid wegen op de teneur. En dan keer je nog eens terug naar hun versie van Joy Divisions “Shadowplay” op de Navigate EP. Was daar ook niet sprake van die slingerbeweging tussen de stad daarbuiten en die kamer met dat ene venster in de hoek? Of het wachten op de iemand, een geliefde, terwijl de sluipmoordenaars buiten hun opwachting maken? Het kan ook hier een schaduwspel zijn, een fata morgana door het verblindende licht, waarin een of meerdere componenten denkbeeldig zijn. Wat Dockx verbindt met Ian Curtis is dat hij er al net zo frappant in slaagt om woord, beeld en psychologie zo ingenieus op elkaar te laten inwerken, met een band die dat allemaal nog een niveau hoger tilt - en waarin elk lid, bij naam genoemd of niet, een cruciale bijdrage levert - door aan te tonen dat er binnen die instant herkenbare wereld nog eindeloze mogelijkheden verscholen zitten.

Milan Warmoeskerken, mee bepalend voor het geluid en de stijl van de vijf Flying Horseman-albums, verliet na de opnames de band. Flying Horseman gaat verder als kwintet en speelt vanaf 2/3 een resem concerten in België. Alle data op de website.

E-mailadres Afdrukken