Banner

Johnny Dowd

Twinkle, Twinkle

Guy Peters - foto's: Kat Dalton - 19 januari 2018

Dat Johnny Dowd geen doorsnee muzikant zou worden, stond ten tijde van zijn solodebuut Wrong Side Of Memphis al vast. Twintig jaar en een dozijn studioalbums later, kan je eigenlijk spreken van een totaalwerk dat, meer nog dan een inkijk in de geest van een eeuwige buitenstaander, een uitgebreide commentaar op de songtraditie is. Weliswaar met Twinkle, Twinkle als nieuw hoogtepunt van vervreemding.

Gedeeltelijk is dat te danken aan het feit dat ’s mans albums van bandaffaires zijn uitgedund tot solo-oefeningen, waarbij de focus gaandeweg verschoof van de klassieke combinatie van stem en gitaar, naar een vorm van bricolagekunst met ranzige beats, pompende bassen, eindeloze effecten en de monotoon uitgespuwde preken van een intussen bijna zeventigjarige experimentalist. Haalde That’s Your Wife On The Back Of My Horse (2015) een nieuw niveau van doorgeslagen dementie en knutseldrift, dan deed Execute American Folklore (2016) daar nog eens een schep bovenop. En Twinkle, Twinkle gaat nog verder, met dat verschil dat Dowd zich deze keer op the public domain gooit.

Dat heeft hij altijd al gedaan, onrechtstreeks, met invloeden uit folk, country, blues, spirituals en hymnes, en de talloze minder en meer expliciete verwijzingen die op platen en tijdens concerten opdoken, maar deze keer brengt hij interpretaties van klassiekers uit de folk- en aanverwante tradities die al even radicaal ontsporen als zijn eigen materiaal. Elf songs, waarvan de meest dateren van begin twintigste of zelfs negentiende eeuw (en eerder), omarmd door twee eigen constructies. Van die laatste is “Execute American Folklore, Again” de overgang met het vorige album. Dat execute zowel vertaald kan worden als “uitvoeren” en als “executeren” is geen toevalligheid. Bij Dowd is het altijd laveren tussen waanzin en bittere ernst (al liggen die vaak vervaarlijk dicht bij elkaar), kwansuis willekeurig rondgestrooide verzen en oneliners. Pruttelende synths, Butthole Surfers-gitaar, kitscherige effecten, doldwaze zang en andere vormen van muzikaal moddergooien. En achteraan “Job 17:11-17”, met de betreffende verzen die gedeclameerd worden als een gelaten terugblik op een sterfbed. Maar ook: “Thank God it’s Friday.”

Daartussen dus elf songs die stuk voor stuk gefileerd en gevandaliseerd worden. Verkrachtingen die gevoelige zielen op stang zullen jagen. Melodieën worden buiten gegooid of op hun kop gezet, waardoor songs soms pas herkend worden wanneer de titels passeren. Evergreens als “The Cuckoo”, “Trouble In Mind” en “House Of The Rising Sun”, die meerdere generaties roots-artiesten inspireerden om er hun draai aan te geven, krijgen nu misschien wel hun meest doldrieste of perverse uitvoeringen ooit, met passages die twijfelen tussen uitspattingen van kinderen die samen met opa losgelaten worden in de studio, en satanische rituelen met zieke stemmetjes en stuiterende bliepjes.

“Twinkle, Twinkle, Litte Star”. Miljoenen kinderen werden ermee in slaap gewiegd. Niet hier. Dit is de Poltergeist-versie, met Dowds zombievoordracht in een coalitie met een rudimentair ritme en spooky backings. Of “Rock Of Ages”, een combinatie van stompende hardrock en mislukt 80s experiment. En soms duiken er ritmes op, zoals in “Going Down The Road Feeling Bad”, die, mits een paar kleine aanpassingen, klaar zijn voor zweterige underground-fuiven, met Dowd als de hogepriester van het bacchanaal. Verder krijg je vooral zin om dit eens op te leggen wanneer je ouders passeren, want ook zij zijn ooit opgegroeid met songs als “Tom Dooley” (geen murder ballad die zo leutig klinkt) en het jolig walsende “Oh, My Darling, Clementine”.

Het wordt steeds moeilijker om nog iets nieuws te vertellen over Dowds oeuvre, dat intussen al twee decennia z’n eigenzinnige koers volgt, maar nu misschien verder dan ooit verwijderd is van wat conservatieve rootsliefhebbers verstaan onder hun geliefde genre. Kan wel zijn, maar tegelijkertijd ben je getuige van een onverschrokkenheid en daad van creativiteit die ook nu weer ontzag afdwingt. Artiesten als Dowd noemen we soms outsiders, de ongeleide projectielen, de luis in de pels, maar ze zijn meer dan dat. Het zijn de smaakmakers (ook al lijkt het soms smaakloos) en avonturiers, die net door hun baldadigheid nieuwe uithoeken en invullingen vinden, aantonen dat de traditie eindeloos verrijkt en vernieuwd kan worden van binnenuit.

Dowd speelt op 4 februari in de Rock Lobster (Antwerpen). Om een of andere reden heeft hij meer vrienden in Nederland. Daar speelt hij negen keer. Alle data zijn te vinden op de website.

E-mailadres Afdrukken