Banner

Dijf Sanders

JAVA

Guy Peters - 04 januari 2018

Met zijn recentste album JAVA bewijst Dijf Sanders nog maar eens niet voor één gat te vangen te zijn. Op vraag van KAAP en Europalia trok de man naar Indonesië, keerde terug met een hoop field recordings en bricoleerde er vervolgens een fascinerend auditief reisverslag mee. Een verhaal dat analoog én digitaal, folklore én moderniteit, en hier én daar bij elkaar brengt.

Twee weken lang trok Sanders door Java, het vijfde grootste en dichtstbevolkte eiland van Indonesië -- in deze contreien vooral bekend om z’n regenwouden en, hier en daar, de gamelan-cultuur. Samen met etnograaf Palmer Keen ging Sanders niet enkel op zoek naar de lokale muziektradities, maar maakte hij ook opnames van de natuur en het dagelijkse leven. Het zijn geluiden die, al dan niet bewerkt, terugkeren doorheen JAVA. Soms herkenbaar, maar net zo vaak als moeilijk te plaatsen details die voor extra kleur zorgen. In combinatie met instrumenten als de kacapi (verwant aan de zither), kendang (trommel), angklung (bamboebuizen) en gamelan (het bekende amalgaam van metalen percussie), zorgt dit alles voor een wereld vol uitheemse en prikkelende resonanties. Muziek en albumhoes (van plaatselijke kunstenaar Noviadi Angkasapura) sluiten naadloos bij elkaar aan.

Daarenboven kreeg Sanders hulp van drie leden van Black Flower: Nathan Daems (sax, fluit), Filip Vandebril (bas) en Simon Segers (drums). Samen maken ze iets dat klinkt als een soms onwerkelijk, psychedelisch samengaan van geluiden en culturen, met voluptueuze momenten die in evenwicht worden gehouden met minimalistische bedwelming, en onbezorgde sensualiteit met verrassende melancholie, vooral dan in de staart van de plaat. Opener “Akim” start echter mysterieus en prikkelend, doet voor het eerst die combinatie van folklore en eigentijdse bewerking uit de doeken, met een exotisch geluid waar naar verloop van tijd een sax en orgeltje in opduiken die onverwijld associaties met de Ethio-jazz van Mulatu Astatke & co. oproepen.

Een eenduidig label valt nochtans niet zo snel toe te kennen aan JAVA. “Kaster” wordt opgebouwd rond een repetitief motief en zang die lijkt te komen van de Javaanse Damo Suzuki, en gaat snel op in pompende beats en geinige Casio-geluidjes. Beetje kitscherig, maar ook verdomd catchy. Dat gesuikerde komt nog wel een paar keer terug, zoals in het lichtjes zwalpende karamellenlied “Bandung”, maar wordt altijd gecombineerd met voldoende smaakcontrasten. Zo is het ingetogen “Calanpung” een van de meest bedwelmende, organisch vloeiende stukken van de plaat, en spat de lijfelijke groove van “Jaipong” moddervet door de speakers. “Banyumas”, waarin fraaie dingen uitgehaald worden met onder andere krekelgesjirp en ritmische patronen op een wateroppervlak, is nog zo’n hoogtepunt.

Aan het einde van de plaat zitten twee stukken bij elkaar die de speelse teneur van het voorgaande naar ietwat donkerder terrein sleuren. “Cibeusi” met een even eenvoudige als indringende melodie die, uitgevoerd op een synth (?) en sax, in een steeds dramatischer kader geplaatst wordt, “Teguh” als een beklemmend samengaan van volksinstrumenten en iets dat klinkt als terneergeslagen synth-drones. Je krijgt het moeilijk uitgelegd, maar het mist z’n effect niet. En eigenlijk is dat ook een conclusie die je op het album als geheel kan plakken: Sanders doet véél meer dan zomaar een ode creëren aan een minder bekende cultuur. Dit is niet zomaar een afstudeerproject van een muzikaal etnoloog die vooral uit is op registreren en/of archiveren, maar een creatief huwelijk, waarbij vreemde elementen in een nieuw kader belanden en daar een gewijzigde rol of betekenis krijgen. Dat het allemaal zo mooi klopt en een paar songs door je hoofd blijven spoken lang nadat JAVA ten einde gekomen is, zegt voldoende over de ingenieuze creatie van Sanders.

Sanders speelt op 1 februari in KAAP/Vrijstaat O. (Oostende) en op 10 februari in N9 (Eeklo).

E-mailadres Afdrukken