Banner

Mark ‘Porkchop’ Holder

Death And The Blues

7.0
Bjorn Weynants - 21 december 2017

Tien jaar geleden schopte Mark ‘Porkchop’ Holder met zijn toenmalige medebandleden tegen een paar heilige blueshuisjes. Daarna werd het heel stil rond hem, maar met Death And The Blues brengt Holder na al die tijd ineens zijn tweede album uit op een jaar tijd.

Tussen 2004 en 2006 maakte Mark Holder deel uit van de Black Diamond Heavies, die muziek maakten in het niemandsland tussen blues, punk en garagerock. Na de opnames van de debuut-EP You Damn Right verliet Holder echter de groep omdat hij het harde en weinig glamoureuze tourleven -- busje/optreden/motel, repeat -- niet zag zitten. Toetsenist John Wesley Myers en drummer Van Campbell zetten de band als duo verder, gitarist Holder verdween van het toneel. Tot hij eerder dit jaar zijn eerste plaat onder eigen naam uitbracht. Let It Slide was al een veelbelovend debuutalbum, maar met Death And The Blues zet Holder nog een extra stap vooruit.

Hoewel Death And The Blues officieel verschijnt als soloplaat, is ze het werk van een goed op elkaar ingespeeld trio. Net zoals op het debuut wordt Holder ook hier weer bijgestaan door de ritmesectie Travis Kilgore (bas) en Doug Bales (drums). Het grote verschil is dat de band hier nog strakker klinkt, rauwer ook. Dat wordt meteen getoond op “Captain Captain”, dat korrelige, ontrafelde blues is. Hetzelfde geldt evengoed voor nummers als “Coffin Lid” en “Big Boat”. Dit is blues die zo uit de Fat Possum-stal lijkt weggelopen, maar dan met wat meer rockinvloeden in verwerkt.

Drie covers staan er op het album. Daarin toont Holder dat hij zich ook nummers van anderen eigen kan maken. De meest opvallende transformatie is er voor Albert Kings “Everybody Wants To Go To Heaven”, dat hier -- onder de alternatieve titel “Nobody Wants To Cry” -- een akoestische versie meekreeg. Holder verplaatst het van Chicago naar de Delta en het is het enige nummer op de plaat waar de energie ondergeschikt is aan het opgewekte gevoel. Dan blijft Holders versie van Junior Kimbroughs “Sad Days And Lonely Nights” dichter bij het origineel. Het wat oubollige “Billy The Kid” van countryzanger Marty Robbins is in de handen van Holder dan weer een duistere, zompige murder ballad geworden.

De instrumental “Bless Me Santasima” moet het hebben van de sfeerschepping en is uitermate geschikt voor een scène in een of andere western waar de dreiging langzaam moet worden opgedreven. “James Leg” gaat dan weer over zijn oude bandmaat John Wesley Myers -- James Leg is zijn artiestennaam -- en diens succesvolle gevecht met zijn drankdemonen. Muzikaal is het pure Chicago blues waarin Holder zich op harmonica de bastaardzoon van Little Walter toont. Andere nummers (“What Is Wrong With Your Mind”, “Death And The Blues”) baden dan weer in een koortsig sfeertje, blues met een dreigende ondertoon.

Met Death And The Blues levert Mark ‘Porkchop’ Holder zijn visitekaartje af. Voor liefhebbers van de ruwe, energieke blues, is dit een naam om in het oog te houden. De blues is een genre dat het vooral moet hebben van performers bij wie inleving en gevoel centraal staan. Op dat vlak zit het bij Holder helemaal snor.

E-mailadres Afdrukken