Banner

Spinifex

Amphibian Ardour

Guy Peters - 20 december 2017

Uit Amsterdam kwam zopas de vijfde plaat van Spinifex aanwaaien. Alhoewel, als deze bende in aantocht is, dan schuif je je inboedel best opzij, want er wordt regelmatig tekeergegaan met een duizelingwekkende complexiteit en knoestige kracht die geen spaander heel laat van loze tegenspraak en ander tegengepruttel. Turbojazz voor open oren.

De band onder leiding van rietblazer Tobias Klein heeft de voorbije jaren behoorlijk wat geëxperimenteerd met bezettingen en formaten, met soms een hele resem gasten erbij, en staat er nu voor het eerst in deze sextetbezetting. De kern wordt gevormd door vier vaste klanten, met naast Klein ook Gonçalo Almeida (elektrische bas), Jasper Stadhouders (gitaar) en Philipp Moser (drums). De band wordt vervolgens vervolledigd door trompettist Bart Maris en tenorsaxofonist John Dikeman. De stilistische zone ligt dan weer in het verlengde van eerdere releases als Hipsters Gone Ballistic, Veiled en Maximus.

Die stijl kan je misschien nog het beste omschrijven als een knetterende ontmoeting van uitersten. Hypercomplexe, onregelmatige, soms haast met mathematische precisie uitgewerkte structuren gaan de confrontatie aan met freejazzuitspattingen, met bonkende rock-‘n-roll-power die het boeltje aan de kook brengt, terwijl er en passant nog wat invloeden uit het Midden-Oosten en verderop in Azië bij gekwakt worden. Dat maakt van Amphibian Ardour een arbeidsintensieve plaat, voor muzikant én luisteraar, want ook die laatste wordt gedwongen om opperste concentratie op te brengen. Doe je dat niet, dan loop je gegarandeerd verloren in dit desoriënterende muzikale spiegelpaleis. Breng je de moeite ervoor op, dan word je getrakteerd op een dik uur hedendaagse jazz op het scherp van de snede.

Je hoeft daarvoor eigenlijk niet eens verder te kijken dan de opener, Kleins ‘oudje’ “Bohemians Gone Extragalactic”, een driftig uit de startblokken schietende knaller die teert op een bonkig stuwende ritmesectie, naadloos vervlochten blazers die allerlei haasje-overs demonstreren en dan nog een friemelende gitaar erdoor gejaagd. Energieke drukdoenerij, met een ronkende bas die een doodsstrijd uitvecht, een gitaar die Sharrock-gewijs ontspoort en ruimte baant voor een delirische tenorsax. Het is pompen of verzuipen, afhaken of mee racen, en dat is nog maar het begin. Het is niet altijd even afmattend, maar even rustig een pauze nemen zit er niet in.

De experimentele geest is dé constante doorheen de plaat en bewaakt dat de band in beweging blijft. Kijk je enkel naar Kleins composities (goed voor de helft van het album, dan beland je met “Things That Occur” al in een compleet andere wereld, met Maris die solerend start en snel omcirkeld wordt door z’n blazende kompanen die koppig het hoge register aanhouden. In “Losing One Object A Day” krijg je een weelderige polyfonie van blazers die aanvankelijk opgejut wordt door de jachtige rockjazz van de rest van het sextet, maar uiteindelijk zelfs een funky flair krijgt. “Doppio Nudo Dal Niente” start met een spel van hedendaags getinte intervallen en passeert via passages van vrij heen-en-weer-gestuiter, om uiteindelijk te belanden in een stroomversnelling die zo veel te bieden heeft dat het gesjeesde gitaarwerk je helemaal ontgaat als je niet oplet. Het titelnummer laat dan weer horen hoe je ondanks een helse, tricky timing toch de vlam brandend houdt.

Almeida, een speler die als geen ander meeslepende lyriek én verkrampende manie kan combineren, draagt ook twee composities bij, met “Pegasus” als veelkleurige en ongedurige oefening in climaxwerking en onverhoedse zijstappen, en “Icarus”, dat met z’n exotische melodie en juichende blazers tekent voor een gesjeesd feest. En er valt nog van dat te rapen, want het sextet neemt ook een paar stukken onder handen uit Iraanse en Pakistaanse sufi-tradities, al worden ze ook door de Spinifex-mangel gehaald. Hysterische hoempapa met van de pot gerukte gitaarsolo (“Dhamal Qalandar Shabaz”), lome hypnose die even herinnert aan Mahanthappa’s Indo-Pak Coalition, maar dan in punkgedaante (“Revathi Tillana”), en uitbundige herhalingen met een kwikzilveren altsax (“Zikr”). Het zijn maar pogingen tot omschrijving, want ze zijn stuk voor stuk zo doordrongen van ideeën en een op hol geslagen creativiteit, dat je de focus net zo goed op totaal andere elementen kan leggen.

Kortom: een plaat die bulkt van ambitie en variatie, uitgevoerd door een stel kleppers die muziek spelen die tegelijkertijd vrij en gewaagd is, én aanvoelt als topsport. Dat vergt zoals gezegd een inspanning, want hier moet je echt even voor gaan zitten, maar wie dat ervoor over heeft, die wordt op sleeptouw genomen voor een weergaloos tochtje op een op hol geslagen achtbaan.

Spinifex speelt op 27 januari in de Plusetage (Baarle-Nassau) en 2 februari in De Koer (Gent).

E-mailadres Afdrukken
Tags: Spinifex