Banner

Flat Earth Society & David Bovée

Boggamasta

Guy Peters - 10 november 2017

Je kan over Flat Earth Society veel beweren (voor sommigen is deze non-conformistische bigband gewoon too much, en té schizofreen), maar niet dat het een saaie band is die teert op één trucje waarvan het succes al bewezen is. Met meer dan twintig projecten en een al even indrukwekkende lijst albums op hun credo, is het orkest onder leiding van Peter Vermeersch uitgegroeid tot een huis van vertrouwen en goedaardige krankzinnigheid binnen de Belgische jazz. Hun recentst opgenomen bokkensprongen zijn het resultaat van een vruchtbare samenwerking met een voormalig lid van de bende.

Het gaat om gitarist David Bovée, die er de eerste jaren bij was, maar het moederschip verliet om grote sier te maken met Think Of One. Een project voor Theater aan Zee voerde Vermeersch en Bovée naar Gambia, waar de twee werkten met lokale muzikanten. De ervaring bood ook genoeg goesting om nog eens samen te werken binnen de context van FES. Inspiratie werd opgedaan bij de figuur van de “Boggamasta”, de ex-dictator van het land die symbool staat voor leep machtsmisbruik, pervers narcisme en het eigen gewin. Dingen die je kan toepassen op diverse lagen of fracties van een maatschappij.

De muzikale uitwerking daarvan werd (natuurlijk) geen duffe bedoening die ondanks goede intenties bezwijkt onder z’n sérieux, maar een bonte mix die de band regelmatig naar minder vertrouwd terrein stuurde. Daarvoor werd de totaalsound hier en daar wat bijgetimmerd – het klinkt wat elektrischer, vuiler, minder turbojazz – en gewerkt met nieuwe stukken van twee componisten. Zitten die van Vermeersch doorgaans iets dichter tegen de vertrouwde FES-wereld, vooral dan door de weldadige blazersarrangementen, dan sleurt Bovée het vijftienkoppige ensemble soms mee naar een onderwereld waar het er duister, zelfs ranzig, aan toegaat.

Vooruitgeschoven single “Sing Hallelujah” is zo een wellustig kronkelend beest, krols kruipend op een vettig slingerende basgroove van interim-bassist Pierre Vervloesem en Teun Verbruggen. De grotesk vervormde stem, de onheilspellende toetsen, percussie en elektronica zijn de ideale soundtrack voor een verhaal van pleziertjes die het daglicht schuwen. Zelfs met de kloeke blazerssectie erbij, blijft het vertoeven in een wereld die hint naar foute boel. Vervolgens trekt Bovée de boel nog meer uit balans met “Slave”, een zwalpende, bezopen mars die aanvoelt als een gesjeesde roes. Heel anders gaat het er aan toe in de titeltrack, een van de absolute hoogtepunten hier; drijvend op Afrikaanse ritmes en de hypnotiserende zang van tubiste Berlinde Deman. Lijfelijk en zwevend, de band op z’n best met een eindeloos wentelende, haast ritualistische trance.

“Da Beava” combineert robotstemmetjes met een duchtig pompende blazerssectie (en een uitbundig stukje tchingeltchongelpiano van Peter Vandenberghe). Het onwaarschijnlijke resultaat klinkt als een samenwerking van Daft Punk en David Shire (ja, toch wel). Groot contrast met “Coisi Miniti”, dat met zachte folkgitaar en subtiele inkleuringen aanvoelt als een elegant brokje muzikale ochtenddauw, de tegenhanger van “Sing Hallelujah”. En als onze eerdere opmerking al zou suggereren dat opperhoofd Vermeersch daarnaast tekent voor “normale” muziek, wel … schrappen die gedachte. Zijn uitvoerige composities bulken van de ideeën, met het vroege “From Darkness To Light” als inventieve, speelse topper. Slingerend met de heupen, rijkelijk geluidjes rondstrooiend (knorrende zwijnen, check!), dansend in een excentrieke koortsdroom.

Of neem het lijziger startende “Confiscated Dream”, waarin de stijlvolle blazersarrangementen uitgespeeld worden tegen een parade van razendsnelle veilingpraat, tijdelijke klezmergekte en een op hol geslagen lunapark. Opnieuw wordt ook bewezen dat minimaal en maximaal hand in hand kunnen gaan, met de lome groove van “The Prince Of All”, dat allerhande shortcuts opzoekt en gekleurd wordt met hoekig, Ribot-achtig gitaarwerk, of in het wellustig pompende slotstuk “Continued Progress And Development”, een rollende daverkermis op de wip tussen broeierige filmmuziek en spetterende soloreeks. Een XL-kers op de taart, live vermoedelijk goed voor een laatste, uitvoerige knal.

Wie wat moeite heeft met de intensieve gekte van FES, is bij deze gewaarschuwd. Er wordt als vanouds meer buiten dan binnen de lijntjes gekleurd, al voel je ook dat het allemaal in strakke banen geleid wordt door een leider die z’n meute de juiste richting uit stuurt, maar z’n co-componist wel vrij spel gegeven heeft. Het resultaat is een zoveelste uit z’n voegen barstende bom van creativiteit, een daverende, delirische, soms duizelingwekkende trip die je eraan herinnert dat er geen drugs voor nodig zijn om helemaal tureluut gepegeld te worden. Waar blijven ze ’t toch maar vandaan halen?

E-mailadres Afdrukken