Banner

Hong Kong Dong

Kala Kala

7.0
Jurgen Boel - 07 november 2017

Toen Hong Kong Dong na enige jaren stilte vorig jaar met de EP Creature Dreaming In Paradise voorzichtig opnieuw richting spotlicht schuifelde, werden weinig potten gebroken. Niet alleen worden EP`s nu eenmaal stiefmoederlijk behandeld, ook het voorgelegde werk was weinig opzienbarend. Er werd wel wat buiten de lijntjes gekleurd en naar gekke klankjes gezocht, maar finaal klonk de plaat als een weinig geïnspireerde oefenloop die vooral de fans zou aanspreken.

Nauwelijks een jaar later heeft de band -- nog steeds het trio Geoffrey Burton en broeder-zusterpaar Sarah Yu (Zeebroek) en Boris Kortom (Zeebroek) -- een nieuw album uit (hun tweede volwaardige) die een heel ander geluid laat horen dan op basis van de EP verwacht mocht worden. Op Kala Kala zijn de synths immers (nog) prominent(er) aanwezig terwijl het oude rockgeluid van debuut Sweet Sensations (2012) naar het achterplan verdween. Wat volgt, is een ongegeneerde hommage aan de jaren tachtig en de meer duistere paden van de synthwave en -pop, gekruid met een flard avant-garde, humor en andere stoorzenders.

Voor Kala Kala werkten de drie groepsleden naar eigen zeggen ook voor de eerste maal samen aan de songs, veeleer dan dat een van hen een nummer aanbracht dat daarna verder ingevuld werd. Hoewel die methode zeker geen windeieren legde, klinken de songs op het nieuwe album misschien net daarom meer organisch en beheerst. Het is een aanpak die ook weerspiegeld wordt in de hoes (getekend door Yu Zeebroek), die veel minder druk oogt dan de vorige en dankzij een doordachte combinatie van kleuren en vooral veel witruimte opvallend goed aansluit bij de muziek. Net als in de songs zijn ook hier de hommages en invloeden ruim aanwezig (naast logischerwijze vader Kamagurka, ook Mark Beyer) zonder dat ze opvallend of storend zijn.

Telde Alt-J op zijn laatste plaat nog tot tweemaal toe tot tien in het Japans, dan kiest Hong Kong Dong voor het Mandarijns. In hoogtepunt “Smartphone” wordt immers tot acht geteld in het Mandarijns, al blijft vooral de knappe opbouw beklijven. De song roept aanvankelijk een unheimliche sfeer op via piepende synths, sluikse tussenklanken en kurkdroog tromgeroffel alvorens opeens het leven te omarmen. Yu Zeebroek voert de boventoon met een joie de vivre die meer dan eens tot een net niet naast de toon zingen en schreeuwen leidt, zonder dat het afbreuk doet aan het nummer. De song vormt overigens een mooi sluitstuk op de trilogie die start met het sfeervolle “Denia”.

Geen enkele andere song op het album wentelt zich zozeer in de jaren tachtig-revival met op elkaar gestapelde synthlagen die ongegeneerd oude en beproefde scifi- en horrorpaden bewandelen. Ook in “Touching Underwear” blijven de door neonlichten gekenmerkte jaren de boventoon voeren met een lome bassynth en de nodige blieps terwijl Boris Kortom lijzig zijn verhaal brengt terwijl zus Yu enkele hoge kreetjes op de achtergrond slaakt. Ware het niet voor de anachronistische uitbraak omstreeks de derde minuut, inclusief gierende gitaren (op de achtergrond weliswaar), dan had het nummer net zo goed dertig jaar geleden kunnen verschijnen, wat overigens geen kritiek behoort te zijn.

Met “Right Place, Wrong Time” wordt richting new wave (zij het niet van de gothische zwartrokkenteneur) gehint waarbij funky lijnen en afgebroken gitaarpartijen mee de toon mogen bepalen en de sfeer van het pre-Giuliani groezige New York oproepen. Een gelijkaardige, zij het minder geslaagde poging wordt ondernomen in het slepende “My Silent Girl” dat de in het nummer aanwezige prikkelende ideeën niet weet te consolideren in een beklemmende song. De experimenteerdrift komt beter tot zijn recht in het eclectische “Intonatie” dat net als “Beuys” de mogelijkheden van het geluid opzoekt en gegevens als strofes, melodielijnen en dergelijke ver achter zich laat. Het zijn twee uitstekende songs die helaas niet echt thuis horen op het album.

Wanneer met het opnieuw in post-new wave wateren rondzwemmende “Goodbye Goodbye” aangesloten wordt bij de eerdere songs van het album, is het kalf net niet verdronken. Na immers de in totaal een slordige tien minuten durende uitstap richting de grenzen van muziek, komt de reguliere song als een onnodig coda. Op zich vormen de pompende bas en stuwende drum een mooi contrast met het vorige nummer, in het bijzonder dankzij de helder vloeiende synthlijn en poppy aanpak die zelfs wanneer het open barst nooit zijn hitsensitiviteit uit het oog verliest, maar binnen het geheel van de plaat werkt het niet. Het is een van de meer opvallende struikelstenen die de plaat goed maar net niet goed genoeg maken.

Kala Kala is namelijk net zozeer een degelijke plaat als eentje van de gemiste kansen. Het is op zich lovenswaardig dat Hong Kong Dong nieuwe horizonten opzoekt en breekt met het oude rockgeluid (zelfs al zijn de jaren tachtig en synthwave al even weer hip), de groep weet zelf geregeld er een eigen ding mee te doen. Daar staat echter tegenover dat de plaat minder coherent klinkt dan mogelijk was geweest en dat zowel Yu als Kortom niet altijd vocaal even sterk uit de hoek komt (al weten ze net zozeer even vaak de juiste toon te vinden). Kala Kala is zeker geen klassieker in wording maar binnen het parcours van Hong Kong Dong zelf telt de plaat als een volgende stap binnen wat een interessant parcours kan worden.

E-mailadres Afdrukken