Banner

Todd Neufeld

Mu’U

Guy Peters - foto's: Archief Enola / Geert Vandepoele - 04 oktober 2017

Toch opvallend, hoe het er in de wereld van de vrijere jazz en improvisatie vaak toch heel anders aan toe gaat dan in de wereld van rock en pop. Terwijl het daar belangrijk is om jezelf naar voren te schuiven, die naam op het voorplan te krijgen, kan het bij de improvisatoren soms jaren duren voor muzikanten uit de schaduw van anderen treden. Zo ook bij gitarist en componist Todd Neufeld, die het voorbije decennium werkte aan een boeiend parcours, maar pas op 36-jarige leeftijd debuteert onder eigen naam.

Het voordeel is dan wel dat dit geen haastig in elkaar gebokst gedoe werd, geen ondoordacht samenraapsel van ideeën van een gretige debutant die meteen z’n hele trukendoos wil opengooien. Dat zou Neufelds stijl trouwens niet zijn, want de man hangt al jarenlang uit in de meer bedachtzame, soms abstracte kant van de muziek. Zo was hij, samen met jeugdvriend Thomas Morgan in 2009 al te horen op Tyshawn Soreys Koan, een samenwerking die stand bleef houden. Neufeld speelde ook met trombonist Samuel Blaser en vormde met Morgan ook een band met wijlen Masabumi Kikuchi. Terwijl Morgan zich liet opmerken aan de zijde van kanonnen als o.a. Paul Motian, David Virelles, Jakob Bro en Bill Frisell en een vertrouwde naam werd bij ECM-liefhebbers, liep Neufelds cv minder in de kijker, maar bleef het niettemin interessant.

Hij richtte in 2015 bovendien Ruweh Records op met partner Rema Hasumi, waar o.m. twee releases van haar verschenen, en Noumenon, een opvallend album van de Belgische bassist Raphael Malfliet, dat internationaal goed onthaald werd. De output is voorlopig bescheiden, maar de kwaliteit hoogstaand. Daar wordt met Mu’U, een Japanse term die aan- en afwezigheid zou suggereren, nu een vervolg aan gebreid. Het mooie is daarbij dat Neufeld er op zijn beurt ook vooral bekend volk bij betrekt. Zo duiken er naast Morgan en Neufeld zomaar twee drummers op – vaste kompanen Billy Mintz en Tyshawn Sorey – en is Hasumi te horen op vier van de negen tracks. Met die muzikanten wordt een richting gesuggereerd die zo ongeveer wordt ingelost, maar toch te heterogeen blijft om af te doen met een makkelijk adjectief.

Het is een opmerking die je ook kan maken over Neufelds eigen stijl. Die voelt soms vrij abstract en fragmentarisch aan, met genuanceerde texturen, een centrale plaats voor ruimte en stilte en een evenwicht van sobere en soms verrassend melodieuze gaafheid, maar nu en dan ook met een dwarse stekeligheid. Dat de man ooit bekeerd werd tot de jazz door Charlie Christian, lijkt haast ondenkbaar, maar beeld je even in wat er zou overblijven als je het werk van heel wat voorgangers zou ontmantelen, reduceren tot de kern, en Neufelds positie in de traditie wordt al heel wat duidelijker (het is ook niet zo’n grote stap van Mu’U naar, pakweg, de introspectie op John McLaughlins Extrapolation). Het is een album dat bij een eerste beluistering in een diffuus isolement lijkt te zitten, maar gaandeweg z’n charmes ontplooit.

Opener “Dynamics” is met die aanloop van tintelende cimbalen en korte gitaarerupties meteen een geslaagd proevertje. Het is schimmig én stekelig, met een open sound en drummers die door hun dosering vooral duidelijk maken hoeveel ruimte ze niet opvullen. Het volgende kwartetstuk “C.G.F.” zet de hechtheid op de voorgrond, voor wie de indruk gekregen had dat het allemaal vrij en associatief was. Hier wordt pas duidelijk hoe gecomponeerd de muziek is, in de interactie tussen bas en gitaar, al worden de teugels gevierd met twee solerende drummers. Het zachtjes wiegende “Taunti” is er dan weer de tegenpool van, voelt met die ritselende brushes en zachtaardige klanken haast aan als een klassieke gitaarballade.

Tussendoor zijn er ook twee korte duostukken voor Neufeld en Mintz, waarvan het naakte skelet van “Entrance” de resonerende vellen en zinderende cimbalen centraal stelt, en “Nor” iets extraverter en dwars is, ondanks het beperkte volume. Ook hier duikt de geest van Koan weer op. Met Hasumi erbij wordt op dat stilistische elan verder gebouwd, maar het maakt het totaalplaatje vermoedelijk net iets toegankelijker. Het met conga’s op gang gebrachte “Echo’s Bones” creëert een fraai contrast door de zanglijnen te dubbelen op gitaar en die dan te combineren met de vrije onderlaag van percussie, terwijl onze favoriet “Novo Voce” vertrekt vanuit Hasumi’s bezwerende chant, maar dan Sorey binnenlaat op bastrombone en gaandeweg een koortsige intensiteit opwekt.

Meest ritualistisch getint van al is scharnierstuk “Contraction”, een rit van bijna een kwartier die opgesmukt wordt met rinkelende belletjes, traag gestreken bas, exotische percussieklanken en de geprevelde voordracht van Hasumi, die het geheel een statige geladenheid bezorgt. Mooiste moment: wanneer haar uithalende stem uiteindelijk vervlochten wordt met het trombonespel van Sorey en Neufelds aanzwellende klanken. En zo wordt nogmaals aangetoond dat sommige muziek gewoon niet gemaakt wordt om raprap te labelen. Je kan hier niet zomaar door skippen en alleen proeven van momentopnames met de FFWD-knop (geloof ons, sommige mensen doen dat). Daarvoor is de muziek met te veel zorg in elkaar gestoken, is het samenspel te subtiel, wordt er te veel respect opgebracht voor de ruimte, de sound, en de essentie die blootgelegd wordt. Wie daarvoor moeite wil opbrengen, vindt in Mu’U een erg geslaagd debuut van een artiest die geen protserig gedoe nodig heeft om meteen z’n eigen hoekje af te bakenen.

E-mailadres Afdrukken