Banner

The National

Sleep Well Beast

8.5
Philippe Nuyts - 08 september 2017

Exact tien jaar geleden bloeide met Boxer de carrière van The National zachtjesaan open zoals hun beste songs: onderhuids en laag per laag. Of plaat per plaat, met Trouble Will Find Me uit 2013 als het orgelpunt, de perfectionering van hun geluid. De band besefte ook dat het hierna anders moest. De ramen van het besloten geluid gaan dan ook open op Sleep Well Beast: een betrouwbaar uitstekende plaat, over de onbetrouwbaarheid van de liefde.

Wat van The National al die jaren zo’n mooi verhaal maakte, is dat hun steeds toenemende status hen niet verlamde of verleidde tot stadionvullende behaagzucht. Dat had na het al meer naar de sterren reikende High Violet zomaar even gekund, maar Trouble Will Find Me was een meer in zichzelf gekeerde best of van hun kunnen. Dat “I Need My Girl” vervolgens een festivalhit werd waarop steeds jongere meisjes, vaak met bloemenkransje, wegzwijmelden, was meer gevonden toeval dan gezocht geluk. Maar om te vermijden dat hun geluid een trucje werd, moest het dus anders. Om te vermijden dat de opnamesessies weer uitmondden in uitputtende zelfdestructie ook.

Vandaar de langste tijd tussen twee albums in hun oeuvre, vier jaar, waarin alle bandleden zich even op andere projecten konden storten. Vandaar de andere manier van opnemen en schrijven, waarin ze niet de hele tijd meer op elkaars lip zaten terwijl ze elkaars input aan het afbreken waren. Vooral de broers Dessner, meer dan ooit multi-instrumentalisten weliswaar, spelen alsof ze aan een infuus van zelfvertrouwen hebben gelegen. De gitaarsolo in hun single “The System Only Dreams In Total Darkness” is geen toeval. De sinds “Mr. November” niet meer zo rockende waanzin van “Turtleneck”, een schuimbekkend protestbord tegen Trump, evenmin.

Elektronica allemaal goed en wel, maar The National put hoorbaar nog voldoening uit rechttoe rechtaan rocken. Dat doen ze ook op “The Day I Die”, dat knal op Alligator had kunnen staan – Berningers stem lijkt zo uit een toenmalige sessie geplukt. Maar de meest magische momentjes gebeuren wanneer ze hun donkerhouten weemoed uithuwelijken aan frisse geluiden en elektronica, die een unheimlich, verstorend effect hebben op sfeer en songs als woorden en beelden al langer in Berningers teksten. Het klinkt zo natuurlijk, alsof het nooit anders is geweest of nooit anders heeft kunnen zijn, dat het even schrikken wordt wanneer Boxer nog eens wordt opgelegd. Een krachttoertje.

Het is al meteen prijs in het prachtige openingsnummer “Nobody Else Will Be There”. Snuifjes elektronica spuien wat mist, maar een piano die klinkt alsof het verhaal van “Fake Empire” slecht is afgelopen, reikt de hand. Intimistischer kan een band van hun allooi niet aftrappen, maar vooral: dit is thuiskomen. Een andere nieuwe National-classic is “Guilty Party”, het bloedmooie sleutelnummer van deze plaat, waarop Berninger zwalpt tussen zelfbeklag en gelatenheid (“I know it’s not working, I’m no holiday / It’s nobody’s fault / No guilty party / We just got nothing, nothing left to say”). Bloedmooie gitaarriedeltjes van de broers zijn flessen rood en wit die worden aangereikt. En ondertussen roffelt drummer Bryan Devendorf weer alsof hij als allerlaatste de song aangereikt heeft gekregen met de woorden: “Hier Bryan, doe er iets leuks mee, wij gaan zuipen.” Van hetzelfde laken een pak is het weidsere, naar High Violet wuivende “Empire Line”.

Ook dat DNA blijft dus onaangetast, maar soms met een facelift. In “I’ll Still Destroy You” mag Devendorf loos gaan op elektronische drums, waardoor het nummer uitbarst zoals tijdens de meest manische live-momenten. Voorts zit de grote evolutie ‘m dus vooral in details: die gelaagde vrouwenstemmen aan het begin van “The System…”, die synth hier, die vervreemdende elektronische intro daar. Wanneer de band tóch verleid wordt door vormexperimenten waarin de klank het overneemt van de song, zoals in het titelnummer of “Walk It Back”, is de aandacht snel afgeleid. Wanneer vernieuwing en hun eigenheid lepeltje liggen, zoals in “Guilty Party” of “Born To Beg”, is Sleep Well Best wederom een pareltje, mét duidelijke meerwaarde.

Ook tekstueel. Berninger is uitstékend op dreef, temeer omdat hij de teksten samen schreef met z’n vrouw. Daaruit vloeit een genadeloze docusoap van het huwelijksleven. De eerste zin graaft het stromingsbekken voor de hele plaat: “You said we’re not so tied together, what did you mean?”. De onmogelijkheid tot communiceren, letterlijke en figuurlijke afstandelijkheid, kleurrijke flashbacks over hoe mooi het allemaal begon (“Carin At The Liquor Store”) in tegenstelling tot de grijze sleur nu, de absolute wil om het toch te halen (“I’m gonna keep you in love with me” klinkt het smekend in “Dark Side Of The Gym”), al is het misschien tegen beter weten in (“The Day I Die”): dit is je reinste huwelijkstherapie, waarbij niet duidelijk is wie wat heeft geschreven. Berninger beklemtoont dat hij en z’n Karin gelukkig getrouwd zijn, maar blijkt te beseffen dat hij vooral háár daarvoor dankbaar mag zijn: “I have helpless friendships and a bad taste in liquids” is een van de schuldbekentenissen. Een conceptplaat is dit echter niet: huwelijksmijmeringen worden afgewisseld met hoofdschuddend kijken naar de staat van de wereld.

Wederom een uitstekende plaat dus, hoor. En veel minder toegankelijk dan wat hun groeiende status doet verwachten – al zal het hun status van knuffelberen van de indie wel nog aandikken, en het werd soms al wat ongemakkelijk. De natuurlijke adoptie van elektronica is een krachttoer, maar dit is bijlange niet hun Kid A geworden. Hun In Rainbows evenmin: daarvoor haalt het vormexperiment het een paar keer te nadrukkelijk van de song. Maar met wat een verbazingwekkende ongedwongenheid zijn ze op kousenvoeten een van de bands van deze prille eeuw geworden. Dat bewijst Sleep Well Beast met de vingers in de neus en de fles wijn in de mond.

E-mailadres Afdrukken