Banner

Mogwai

Every Country's Sun

5.0
Maarten Langhendries - 01 september 2017

"Dat Mogwai zich maar voltijds toelegt op het schrijven van soundtracks", schreef collega (sv) vorig jaar in zijn recensie van Atomic. "Hadden ze dat maar gedaan", kunnen wij alleen maar zuchten na het beluisteren van de nieuwe studioplaat van de Schotse postrocklegendes.

Hardcore Will Never Die, But You Will, Rave Tapes - ondanks de paar pareltjes - en nu deze nieuwe Every Country's Sun: het zijn telkens nieuwe nagels aan de doodskist van Mogwai. Het songmateriaal verbleekt bij de songs waarmee de Schotse groep postrock in de jaren negentig liet uitbarsten. Alle coherentie ontbrak. Maar vooral: de platen ontberen een eigen gezicht. Les Revenants daarentegen beklemde wél met zijn ijzingwekkende klanktapijten. Atomic was misschien geen vernieuwende, maar wel een sfeervolle en dreigende plaat waarbij je de nucleaire paddenstoelen voor je ogen zag openbloeien. Werden postrockalbums vroeger tot in den treure "soundtracks bij een onbestaande film genoemd", dan wist Mogwai de laatste enkele jaren nog te beklijven als de film al bestond en zij ermee aan de slag mochten gaan.

Nochtans lagen de kaarten niet slecht voor deze negende van Mogwai, de groep die zo vaak inertie verweten wordt. Rave Tapes was dan wel als geheel geen overtuigende plaat, maar er stonden wel een paar sterke individuele songs op die bovendien een meer elektronisch geluid introduceerden. Een geluid dat ze op Atomic succesvol verder uitwerkte en waar ze ook hier op verder bouwen. Bovendien werd Every Country's Sun opnieuw geproducet door David Fridmann, vooral bekend van zijn iconisch werk met The Flaming Lips en Mercury Rev. Mogwai dook eind jaren '90 al eens met hem in de studio, met Come On Die Young (het langste muzikaal uitgestelde orgasme ooit in het genre) en het prachtige Rock Action tot gevolg. Dat waren platen waarop de groep verkende wat ze konden doen met de ruimte tussen hun brutale uithalen. Op deze Every Country's Sun lijkt het echter alsof Fridmann alle moeite van de wereld heeft gedaan om elke vorm van nuance vakkundig de nek om te wringen. De bas is een lompe olifant in een porseleinkas en de synths lijken als enige taak te hebben de boel volledig dicht te plamuren. Het resultaat is een geluid dat even dik is als grootmoeders bonensoep.

Opener "Coolverine" begint nog veelbelovend, met een dreigende bas, zwevende synths en enkele goed geplaatste gitaarnoten. "I'm Jim Morrison, I'm Dead" doemt op aan de horizon. Al snel heb je echter door dat de song vooral nergens heengaat en veel te lang blijft doorgaan zonder een richting te kiezen. In het tweede deel probeert de groep de song te redden, maar zelfs een pompende bas biedt geen soelaas. "Party In The Dark" wil de popsong van de plaat zijn, maar is vooral een flauw afkooksel van "Teenage Exorcists" (een nummer dat op zich al niet kan tippen aan oudere gezongen nummers als "Cody" en "Travel is Dangerous").

Daarna stort het wankele huisje Every Country's Sun helemaal in. "Brain Sweeties", "Crossing The Road Material" en "aka 47" zijn ongeïnspireerde klankentapijten die noch beklijven noch het bloed doen koken. De band bewandelt hier een road to nowhere. "1000 Foot Face" is een slaapliedje, maar wie koopt er nu een plaat van Mogwai om gezellig bij te soezen in de zetel? Ondertussen is ook al duidelijk dat zelfs qua songtitels het vat af is. Op dat vlak is Mogwai altijd wel een beetje de zatste nonkel op het Schotse familiefeest geweest, maar nu maken ze het wel heel bont. "1000 Foot Face", "aka 47" en "Don’t Believe The Fife" zijn écht wel momenten dat je de nonkel in kwestie zachtjes richting bed loodst (of op z’n minst richting voordeur).

Mr. Beast was misschien wel de laatste keer dat Mogwai echt overtuigend zijn tanden liet zien op een reguliere studioplaat. Een nummer als "20 size" hengelt naar een plekje op die plaat, maar het is beuken op automatische piloot zonder ooit gevaarlijk te worden. "We're No Here" veegt hier even hard de vloer mee aan als – wij zeggen maar wat – een professioneel bokser met een Ierse kooivechter. "Battered At A Scramble" is het geluid van een wolf die al zijn tanden heeft ingeruild voor een slecht derderangs plastiek kunstgebit. Langs de andere kant van het klankspectrum probeert "Don't Believe The Fife" de onderhuidse spanning van Les Revenants op te roepen en slaagt daar zelfs nog ten dele in. Het mist echter werkelijke beklemming, zeker vergeleken met de ijzige kilte van "Jaguar" of "Pripyat".

Naar het einde toe weet de groep zich nog even te herpakken. "Old Poisons" is wél oprechte woede. De versterkers gaan in het rood, de gitaren mogen schuren en pijn doen en de remmen zijn door het raam gegooid. Ook het titelnummer hakt er emotioneel weer op in zoals alleen Mogwai dat kan. Langzaam openbloeiend neemt een wenende gitaarlijn je mee op sleeptouw. Een beetje zoals "No Medicine For Regret" Rave Tapes opeens een scheut menselijkheid en melancholie injecteerden. Het kalf is tegen dan echter al drie keer verdronken.

Volgens de bio moeten we Every Country's Sun zien als Mogwai die hoop – of op z'n minst troost - wil bieden in bange dagen. Alsof wij naar Mogwai luisteren als we misplaatst optimisme willen horen. Neen, laat ze dan maar documentaires of series over verwoesting, pijn, dood, verdriet en verderf van soundtracks voorzien. Het grootste euvel van deze negende is misschien niet eens het zwakke songmateriaal, maar wel het gebrek aan verhaal. De plaat vertelt niks, mist samenhang en blijft ten allen tijde een lege doos. Blijkbaar slaagt Mogwai er enkel nog in iets beklijvend te vertellen als iemand anders de pen al wat heeft vastgehouden. Het doet pijn om het te moeten toegeven over een groep die wij zo koesteren, maar hun eigen verhaal lijkt uitverteld.

E-mailadres Afdrukken