Banner

David Rawlings

Poor David’s Almanack

7.0
Bjorn Weynants - 31 augustus 2017

Het zal je maar overkomen. Dan spendeer je al die moeite aan een nieuwe plaat en van zodra je ze aankondigt, hoor je gewoon het gemompel onder de fans. Eigenlijk hadden ze liever een album van vrouwlief voorgeschoteld gekregen.

Het echtpaar Gillian Welch en David Rawlings heeft een grote naam en faam in de wereld van de rootsmuziek. Hoewel ze beiden uitgebreid samenwerken aan elkaars langspelers, brengen ze deze nooit uit als echte duoplaten, maar wel onder de naam van de ene of de andere. Was het aanvankelijk Welch die platen uitbracht die haar snel naar de top van de rootsscene katapulteerden, dan is het de laatste tijd vooral manlief David Rawlings die het voortouw neemt. Van de laatste vier albums die het echtpaar uitbracht, zijn er immers drie van de hand van Rawlings. Op een vervolg van Welch’ klassieker The Harrow & The Harvest uit 2011 is het dus nog even wachten. Het goede nieuws is echter dat David Rawlings -- de “Machine” zijn artiestennaam is ondertussen weggevallen -- met zijn derde worp Poor David’s Almanack enigszins revanche weet te nemen voor de wat tegenvallende voorganger Nashville Obsolete.

Welch en Rawlings zijn perfectionisten die hun tijd nemen om de muziek te maken die klinkt zoals zij het willen. Hun muziek namen ze al sinds het begin volledig analoog op, toch is de recent verschenen heruitgave van The Harrow & The Harvest de eerste maal dat een album van hen op vinyl uitkwam. Omdat ze ontevreden waren over de kwaliteit van moderne vinylreleases, besloten ze een vinyl lathe -- een soort draaibank om de initiële plaat te maken -- te kopen en hun eigen LP’s zelf te maken, tot de job van cutting engineer toe. Een leerproces dat jaren duurde tot ze eindelijk tevreden waren over het resultaat.

Hoewel de muziek van Welch en Rawlings op hun respectievelijke platen zeker niet ver van elkaar ligt, zijn er toch verschillen te bespeuren. Maar op deze Poor David’s Almanack leunt de muziek van Rawlings dichter aan bij het werk van zijn wederhelft dan ooit tevoren. De invloed van Neil Young is nog steeds prominent aanwezig in een nummer als “Guitar Man”, dat klinkt als Young ten tijde van Zuma, het sterke “Cumberland Gap” had dan weer van Crosby, Stills, Nash & Young kunnen zijn.

Verder is het toch vooral tijdloze americana en old-time folk die het leeuwendeel van het album uitmaken. Het slepende “Lindsey Button” ademt de mysterieuze sfeer van de Appalachen uit, terwijl “Midnight Train” subtiel begint, maar stilaan openbloeit en toont hoe knap de stemmen van Rawlings en Welch met elkaar samengaan. Soms gaat Rawlings -- met wisselende resultaten -- ongegeneerd voor plezier en ambiance, iets waar in de rootsmuziek wel eens meewarig wordt op neergekeken.

Langs de goeie kant vallen nummers als de uitbundige Ierse folk van “Good God A Woman” en het door country beïnvloede “Come On Over My House” die -- mede dankzij de prominent aanwezige viool -- ook na herhaalde luisterbeurten blijven boeien en die dankzij een sterke melodie vlot meezingbaar zijn. Wat minder geslaagd is -- nochtans een onweerstaanbare oorworm -- “Money Is The Meat In The Coconut”, dat meer weg heeft van een uit de hand gelopen grap. Geinig, maar op de plaat had het nu echt niet gehoeven. Mis loopt het pas echt op “Yup”, waar de frequent herhaalde titel spoedig begint te enerveren.

Op die kleine schoonheidsfoutjes na is Poor David’s Almanack echter een uitstekend album geworden. Eentje waarmee Rawlings toont dat hij zich als frontman steeds meer op zijn gemak voelt. De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat we nog altijd hopen op een nieuwe plaat van Welch binnen afzienbare tijd, maar zolang Rawlings albums van dit niveau aflevert, zullen we er niet te lang over klagen.

E-mailadres Afdrukken