Banner

Harris Eisenstadt / Canada Day Quartet

On Parade In Parede

7.5
Guy Peters - foto's: Peter Gannushkin - 23 juni 2017

Sinds de release van Canada Day in 2009 is het gelijknamige kwintet onder leiding van Harris Eisenstadt uitgegroeid tot zijn persoonlijke vlaggenschip. Na de uitstap met een Octet in 2012 volgt nu een tweede zijtak, met muziek die een uitgedunde bezetting liet horen in het Portugese Parede, thuisbasis van SMUP en label Clean Feed.

Sinds we het werk van Eisenstadt ontdekten via The Soul And Gone (2006) is de percussionist en componist uitgegroeid tot een vaste waarde binnen de hedendaagse jazz op de wip tussen toegankelijkheid en avontuur. Op heel wat albums wordt gretig een loopje genomen met de composities, maar vaak blijft de muziek doordrongen van speelsheid, lyriek en een warmte die misschien vooral te danken is aan ’s mans voorliefde voor Afrikaanse muziek. Maar ook naast zijn eigen bands is Eisenstadt voortdurend in de weer met goed volk, zoals binnen het Convergence Quartet (met onder andere Alexander Hawkins) en samenwerkingen met Ellery Eskelin, François Houle en Larry Ochs. Sinds die ontdekking in 2006 gaat het toch alweer om een paar dozijn platen.

On Parade In Parede werd opgenomen tijdens twee avonden in SMUP, waar de band twee avonden de al befaamde zolderruimte inpalmde met zijn composities en interactie. Wat meteen opvalt is dat Eisenstadt geen structurele overladenheid nodig heeft om zijn band te laten schitteren. Opener “Innuendo Is Nobody’s Friend” komt zo meteen met de nodige eenvoud én zwier op gang: Niggenkempers dansende baslijn legt de fundamenten neer voor het volledige nummer, terwijl trompettist Nate Wooley en tenorsaxofonist Matt Bauder het thema losjes uit de doeken doen en het nog eens hernemen aan het einde. Een song met een duidelijke kop en een staart, van elkaar gescheiden door een bevlogen trompetsolo met vloeiende patronen, scheurende randjes en rauwe vegen.

“Sometimes You Gotta Ask For What You Want” start grilliger en maakt ruimte voor een uitgebreide expressieve wandeling van Bauder, die eerder struikelt dan vloeit en soms een beetje speelt zoals Monk componeerde: alsof hij het laatste trapje in het duister mist. Nog mooier wordt het wanneer Wooley zich erbij voegt en de blazers een rondje haasje-over spelen, flirtend met abstractie en bluesy slepend. “A Fine Kettle Of Fish” is slomer, maar haalt nog eens uit met trompetwerk dat erin slaagt om melancholie en vurigheid in balans te houden, terwijl de extended techniques vooral aan bod komen in de aanloop van “Sympathy Batters No Parsnips”.

Mooist van al is echter het in drie stukken opgedeelde “We All Ate What We Wanted To Eat”, goed voor meer dan de helft van de albumduur en de ideale gelegenheid om ideeën wat uitvoeriger uit te diepen. Vurig samenspel, stuiterende contrapuntbewegingen, muzikaal hinkelspel, regelmatig opgewarmd met Afrikaans getinte ritmes die nog maar eens de souplesse en lichtvoetigheid van deze uitstekende ritmesectie in de verf zetten. Het zorgt ervoor dat de stukken een evenwicht in stand houden van vrijheid en aanstekelijkheid, iets waar in de meer experimentele flank van het genre niet altijd veel plaats voor gemaakt wordt. Dat zou hier echter niet mogen verbazen: Eisenstadt & co. kunnen bogen op een samenwerking die stilaan afstevent op een decennium. Op basis van dit resultaat kan je maar hopen dat ze die symbolische grens (ruim) zullen overschrijden.

E-mailadres Afdrukken